OPENINGSWOORD
Wij weten allemaal dat Jezus Christus in geboren is Bethlehem. Dat zijn ouders na de vlucht naar Egypte zijn gaan wonen in Nazaret. Minder bekend is misschien waar Jezus Christus verbleef toen Hij zelfstandig ging wonen. Dat was de plaats Kafarnaüm. Dat ligt ten noord-oosten van Nazaret, vlak boven het meer van Galilea.
Vandaag horen wij in het evangelie hoe Jezus Christus een paar dagen weg is geweest, maar als Hij dan weer thuis komt, gaat het nieuws als een lopend vuurtje door het dorp: “Jezus is thuis!” Kunnen jullie het je een beetje voorstellen? De spanning, die de mensen ervaarden? Want zij hadden al gemerkt, dat Jezus een heel bijzonder man was, een man van God.
Soms zijn kinderen heel blij dat zij naar een of andere film toe mogen gaan. Ze kijken er vol spanning naar uit. Jongeren hebben er op woensdag al reuze zin in om op zaterdagavond met hun vrienden te gaan stappen. Volwassenen kijken uit naar een prachtig concert.
Als wij naar de kerk gaan, krijgen wij dan ook zo’n gevoel: Blij dat ik eindelijk weer kan gaan!? Eindelijk weer naar het huis van de Heer, die niet alleen samen met God de wereld heeft geschapen, maar die ook zijn leven voor mij heeft gegeven, die verrezen is en die ook mij zal laten verrijzen!?
Misschien dat wij dat gevoel niet of niet altijd hebben. Dat kan o.a. een teken zijn dat wij het te druk hebben. Dan is het goed om vóór het naar de kerk gaan daar toch een beetje meer stil bij te staan. Zodat het dieper tot ons kan doordringen: niemand houdt zoveel van mij als Hij. Ik mag blij zijn, dat ik Hem mag gaan ontmoeten.
Voor de keren dat wij misschien te lauw zijn geweest, zijn liefde niet vurig hebben beantwoord, niet liefdevol genoeg naar mensen zijn geweest, vragen wij samen vergeving.\
OPENINGSGEBED
Barmhartige God, zozeer hebt Gij ons liefgehad dat Gij altijd bereid zijt onze zonden te vergeven. Laat ons voor ogen houden dat Gij die goedheid en die macht ook aan uw kerk hebt toevertrouwd. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.\
PREEK
Weten jullie wat mij opviel aan het evangelie van vandaag? Er zijn vier mannen, die een zieke vriend bij Jezus Christus brengen, met heel veel moeite, en als Jezus Christus dan het geloof van die vier mannen ziet, zegt Hij tegen de lamme: Mijn zoon ,uw zonden zijn u vergeven. En even later verlost Jezus Christus hem ook nog van zijn verlamming. Je zou verwachten: die zíéke gelooft en daarom wordt hij genezen. Nee, de vier vrienden geloven en omwille van hun geloof wordt de zieke genezen naar ziel en lichaam.
In de eerste lezing uit de profeet Jesaja gebeurt hetzelfde. De mensen geloven eigenlijk helemaal niet, in tegendeel, met hun overtredingen zijn ze God tot last geweest. Met hun kwaad hebben zij God op de proef gesteld. Maar omwille van Hemzelf, omdat God goed is, gaat Hij voor de mensen een nieuwe, betere tijd laten aanbreken. Het is eigenlijk al begonnen, zegt Jesaja. Het zal lijken op een weg, die door een onbegaanbare steppe wordt aangelegd. Op een rivier, die gaat stromen door de woestijn.
Als omwille van het geloof van vier vrienden, als omwille van de goedheid van God, andere mensen geholpen kunnen worden, zelfs als zij dat niet verdienen, dan kan dat ook gebeuren omwille van ons geloof, omwille van onze goedheid. Maar dan moet ons geloof wel echt zijn, oprecht. Daarover spreekt Paulus in de tweede lezing. Ons ‘ja’ moet ‘ja’ zijn en ons ‘nee’ moet ‘nee’ zijn. Dat betekent, dat als wij zeggen, dat wij God willen dienen, dat wij dat dan ook ten volle moeten proberen te doen. Niet de ene keer ‘ja’ en als iets niet uitkomt of ons niet bevalt ‘nee’ zeggen. Als je bij iemand in dienst wilt zijn - het is je eigen vrije keuze - moetje altijd doen wat er van je wordt gevraagd.
Beste mensen, als wij zo’n oprecht geloof hebben, Jezus Christus onvoorwaardelijk volgen, wat Hij ook van ons vraagt, kan er ook van ons een grote kracht uitgaan. Door ons geloof kunnen andere mensen van God goede gaven ontvangen. Laten wij dan de grote gave van ons geloof ten volle gebruiken, voor onszelf èn voor anderen. Luister eens naar het volgende verhaal. Het toont aan wat een oprecht geloof kan bewerken.
Rabbi Jerachmiël werd zwaar ziek en alle gelovigen in de stad besloten te vasten, opdat God hem zou genezen. Die dag stapte een vreemdeling op doorreis een herberg binnen en vroeg een stevige borrel. Toen de waard hem had uitgelegd waarom dat niet kon, snelde de man naar de synagoge en bad luidkeels: " Heer, genees die Jerachmiël alstublieft direct, want ik heb zo’n vreselijke behoefte aan een stevige borrel." En zie: meteen verkeerde de rabbi in een blakende gezondheid. De rabbi zei tot onthutste gelovigen: “Het gebed van die vreemdeling was veel eerlijker dan dat van jullie allemaal samen. God heeft hem verhoord, omdat hij vanuit de diepste van zijn hart tot Hem riep.”
Vier vrienden brachten een lamme man bij Jezus Christus. Mijn zus en ikzelf en nog een paar mensen mochten eens de vrienden zijn van een jonge moeder en haar vier kinderen. De wat oudere vader van de kinderen had het feit, dat zijn moeder in Australië op sterven lag misbruikt om geld van mij te lenen en ongemerkt naar Australië terug te keren. Zijn vrouw en zijn vier kinderen liet hij achter.
Het duurde natuurlijk een aantal dagen voordat hij was aangekomen en wij konden gaan proberen om met hem in contact te komen. Uiteraard gaf ik hem telefonisch een stevige uitbrander. Artsen en instanties gaven haar het advies om hem te vergeten en een nieuw leven te gaan opbouwen.
Maar wij, haar vrienden, voelden dat zij diep in haar hart nog steeds van hem hield. En wij brachten haar bij Jezus Christus. Wij gingen samen bidden, de bijbel lezen, wij probeerden zo goed mogelijk te leven en legden ons extra toe op de volmaaktheid, die God van ieder van ons vraagt. Dit duurde tweeëneenhalf jaar. Vooral voor die jonge moeder en haar kinderen was het een vreselijk zware tijd, maar zij en wij hielden vol. En op een dag werd haar man ziek. Hij belandde in het ziekenhuis en had opeens heel veel tijd om na te denken over wat hij zijn vrouw en kinderen had aangedaan. Hij kwam tot inkeer. Hij kreeg spijt en op onze kosten konden ook de moeder en haar kinderen naar Australië gaan. Daar zijn ze getrouwd.
En het is allemaal goed gekomen! Iedereen zei haar dat zij hem moest vergeten, maar wij bleven samen met haar en de kinderen geloven in de goedheid van God. Wat je met een groot geloof niet allemaal tot stand kan brengen!
Is òns geloof wel zo echt, lieve mensen? God deelt geen ziektes uit, maar als Hij het toelaat dat ons iets overkomt, hoe reageren wij dan? Als mensen werkeloos raken, vreselijke buren naast zich krijgen wonen of de ergste collega, die je je kunt voorstellen? Geloven wij dan nog steeds dat God ‘Vader’ is, ònze Vader? Blijven wij ons aan Hem vasthouden? En als wij ons aan Hem vasthouden, d.w.z. tot Hem bidden, bidden wij dan om bevrijding of bidden wij vooral om wijsheid en kracht om er mee om te kunnen gaan en dus als een beter mens uit de strijd te kunnen komen?
Het is zo gemakkelijk om zo aanstonds te zeggen: Ik geloof in God, de almachtige Vader. In het tweede hoofdstuk van de brief van de apostel Jakobus staat dat de boze geesten hetzelfde geloven. Ook zij geloven dat er één God is… en sidderen, zegt Jakobus. En daarom - zo zegt Jakobus - moet je je geloof bewijzen door goede daden.
Als de apostel Petrus het in zijn eerste brief heeft over het lijden onder allerlei beproevingen zegt hij, dat de moeilijkheden dienen om de deugdelijkheid van ons geloof te bewijzen, het geloof, dat zoveel kostbaarder is dan goud, dat ook door vuur wordt gelouterd.
Beste medegelovigen, doen wij wat wij zeggen te zijn: geloven wij, onder alle omstandigheden, in Gods goedheid. Prijzen wij Hem. Danken wij Hem, wat er ook gebeurt. Houden wij ons aan Hem vast. Blijven wij Hem trouw. Dan zal er van ons een steeds grotere kracht uitgaan. Dan zullen wij met dezelfde energie steeds meer goed kunnen doen.\
SLOTWOORD
Broeders en zusters, wij leven op aarde. Wij werken. Wij maken plezier. Allemaal heel goed. Maar alles wat wij zeggen, denken en doen - of juist niet doen - moet gebeuren vanuit het geloof. Het geloof, dat wij uit God afkomstig zijn, dat wij met God op weg zijn naar God zelf. God is de Eerste en de Laatste en ook onderweg is Hij de hoofdpersoon.
Proberen wij God een steeds grotere plaats te geven in ons leven. Zoeken wij Hem. Vragen wij Hem hierbij te hulp. Ons leven zal nooit zonder moeilijkheden zijn, maar met Hem gaat alles wel steeds beter.