Inleiding
‘Domine, in tua misericordia
speravi.’ … ‘Heer, op uw goedheid blijf ik vertrouwen.’ ‘Heer, van uw
barmhartigheid moet ik het hebben, zonder uw goedheid ben ik nergens.’
De besprenkeling met het gewijde water, waarmee we op zondag de
eucharistie beginnen, betekent die barmhartigheid van de Heer. Hij
treedt onze zonden met barmhartigheid tegemoet.
In de omgang met
elkaar gebruiken mensen soms tekens, of gebaren. Je steekt iemand een
hand toe, dat wil zeggen: ik wil met je te maken hebben. Omhels je
iemand, geef je iemand een kus, dan betekent dat: ik hou van je. Een
gebalde vuist betekent opstandigheid, verzet, of haat. Tekens zeggen
soms meer dan woorden.
In de omgang met God maken wij ook gebruik
van tekens: het kruisteken, de besprenkeling met het water, buigen,
staan, bekruisen van het voorhoofd, de mond en de borst; al die dingen
betekenen iets, ze zijn veelzeggend. Er zijn ook nog tekens die niet
alleen verwijzen naar dat wat ze betekenen, maar die bevatten wat ze
betekenen. Díe tekens noemen we sacramenten. Brood, bijvoorbeeld, is
een teken dat Jezus voor ons mensen is als brood. Zonder brood ga je
dood, dat betekent dat we zonder Jezus niet kunnen leven. Maar in het
sacramentele teken van het brood is het brood Jezus. Het brood bevat dat wat het betekent. Het aardse brood is hemels brood geworden, brood uit de hemel.
Zo
is het ook bij het doopsel. Water betekent reiniging, maar het water
van het doopsel reinigt niet van lichamelijke smetten en vuil, het
reinigt de ziel. Het water waarmee wij gedoopt worden, betekent niet
alleen reiniging, het bewerkt die reiniging ook. We worden in de
doopvont werkelijk van onze zonden gereinigd, onze zonden worden echt
vergeven.
Dat wonderlijke gebeuren vieren wij telkens aan het begin
van de zondagse eucharistie. We vieren dat God een nieuw begin heeft
gemaakt. Dat zullen we in de eerste lezing ook horen: “Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?”, zegt God bij monde van de profeet. Wij mogen dat nu gaan zien, het begin van Gods barmhartige werkzaamheid in ons
Homilie
“Toen
men hoorde dat Jezus thuis was, stroomden de mensen in zulk een aantal
samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood toen Hij
hun zijn leer verkondigde." Een samenscholing voor de deur van
Jezus, voor de deur van Gods woning onder de mensen, en tussen al die
mensen wordt een klein groepje belicht. De camera wordt als het ware
ingezoomd op een viertal mannen, die op een soort brancard een lamme
vervoeren, om hem bij Jezus te brengen. Toen dat vanwege de grote
menigte niet lukte, legden zij het dak bloot boven de plaats waar Jezus
was en lieten hem zo voor de voeten van Jezus zakken. In die huizen is
dat heel eenvoudig, want ze waren tegen een helling aangebouwd. Je
hoefde die helling maar op te lopen, - wat zelfs te doen was met die
lamme - om, eenmaal boven op dat dak aangekomen, het gedeelte van dat
dak te openen, dat zo gemaakt was om zware vrachten, bijvoorbeeld balen
hooi, door die opening naar beneden te laten zakken. Wat ze normaal
deden met het hooi, deden ze nu met hun lamme vriend.
De lamme
is een beeld van het menselijk verval. Hij wordt liggend vervoerd, in
plaats van dat hij rechtop loopt, zoals God hem geschapen heeft, hij
wordt gedragen door vier mannen, in plaats van dat hij zich zelfstandig
voortbeweegt. Hij kan nog minder dan een kind. In de Schrift wordt een
lamme of een kreupele in één adem genoemd met een blinde. “Als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit (Lc 14,13). “Haast je naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen” (Lc 14,21). En Jezus zei tot de leerlingen: “Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen” (Mt
11,5). De mismaakten, de kreupelen, de lammen etaleren de gevolgen van
de zonden in brutale, uitdagende, kwetsende aanschouwelijkheid. De
lamheid betekent dan ook méér dan alleen maar een lichamelijke ziekte,
het is ook een geestelijke ziekte, dé geestelijke ziekte: de zonde.
Door
de zonde raakt de mens verlamd. Hij komt niet meer buiten zijn eigen
‘ik’, hij zit aan zijn eigen ‘ik’ vast gekluisterd zoals een lamme aan
zijn bed. Je raakt je geestelijk oriëntatievermogen kwijt, je weet niet
meer waar je bent, je weet niet meer wat je zegt, wat je doet. De zonde
maakt iemand ook besmettelijk. Hij kan anderen besmetten met zijn
zonde, zoals een melaatse. Door de zonde ben je geïsoleerd als een
dove, je hoort niet meer, er gaat niets meer bij je in.
De
lamme leeft nog wel, hij vegeteert voort op dat beetje kracht dat hem
nog rest. Als je hem dat beetje ook nog afneemt, is hij nergens meer,
ook geestelijk niet. Ook al ben je niet lam, tenminste niet
lichamelijk, en je zult dat misschien ook nooit worden, dan kun je je
toch in dat levensgevoel van een lamme inleven. Bijvoorbeeld als je
echt bidt, ben je eigenlijk als een lamme, je merkt het niet zo of het
doet je niets, want je wórdt bewogen, zoals die lamme door zijn vier
dragers. We noemen dat innerlijk leven, het leven van de ziel; maar als
dat leven van de ziel - waarin je door God bewogen wordt - achterwege
blijft, word je gehinderd door je bewegingsloosheid. Dan voel je je als
een lamme. Ben je los van je ‘ik’, van je aardse ‘ik’, dan kun je
bidden en word je geraakt door God, word je door Hem bewogen. Ben je
niet los van je eigen ‘ik’, dan ga je je voelen als een lamme die zich
wel wíl bewegen, maar het niet kán.
Hoe moet je dan bidden? Er staat: “Toen Jezus hun geloof zag …”.
Het gaat er blijkbaar niet om dat je niet kunt bidden, maar dat je ziet
hoe Jezus met je te doen heeft. Waar let Jezus dus op? Niet op onze
noodkreten, niet op de ernst van onze kwalen, maar op het geloof in de Geneesheer. Jezus zegt immers tegen die twee blinden die Hem luid schreeuwend volgden: “Geloven jullie dat Ik dat wonder kan doen?” (Mt
9,28) Hij let ook niet op de vernuftige wijze waarop die vier vrienden
zich toegang tot Hem verschaffen - kan het niet door de deur, dan maar
door het dak - maar Hij ziet het geloof waarmee
zij zich toegang verschaffen tot zijn goddelijk Hart. Ze hadden zeker
opgemerkt hoe zich in dat Hart gevoelens van innig medelijden bevonden.
Dat konden ze zien aan zijn blik, aan zijn zachte blik vol goedheid en
medelijden, waarmee Hij doordringt tot op de bodem van hun hart, van
hun pijnen en óók van hun zonden.
Wij mensen zien een verlamd
lichaam, we zien uitwendige verlammingsverschijnselen, een gebrek aan
communicatie, en wij zoeken daarvoor een uitweg met hulp van
medicijnen, communicatietechnieken. Of, als de verhoudingen in de
wereld zijn vastgelopen, zetten we vredesbewegingen op. Maar de dokter
die Jezus is, dringt met zijn diagnose door tot in het hart, tot in de
wortel van het kwaad en Hij doet er iets aan, Hij geneest het met zijn
goedheid, met zijn barmhartige liefde, met zijn vergiffenis. Hij laat
de mensen opnieuw beginnen. *“Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?” *Jezus is niet zoals de mensen, Hij is niet zoals die schriftgeleerden die bij zichzelf zeiden: “Wie anders kan zonden vergeven dan God alleen?”
‘Dat kan toch niet!’ Mensen redeneren: ‘Eens een dief, altijd een
dief.’ Ze stereotyperen, komen altijd met hetzelfde aan. Die is zus en
die is zo. Dat is hét teken van het ongeloof in de ander, die zodoende
onmogelijk opnieuw kan beginnen.
Bij sommige mensen kun je nooit
opnieuw beginnen. Ze blijven je er op aan kijken, ze zijn haatdragend,
of er blijft altijd iets van achterdocht achter. Ze kunnen maar niet
vergeven. Wat is vergeven eigenlijk? Vergeven is iemand een nieuw leven
laten beginnen, iemand met een schone lei laten beginnen. Jezus laat in
dit wonderverhaal zien dat niet de genezing op zich de hoofdzaak is en
het vergeven iets bijkomstigs zou zijn. Nee, Hij begint met: “Uw zonden zijn u vergeven”, en pas daarna laat Hij, als teken van die inwendige genezing, de lamme opstaan door te zeggen: “Sta op, neem uw bed en ga naar huis.”
Dat is de uitwendige genezing, want de lamme stond op en nam zijn bed.
Jezus wil laten zien dat vergeven zoiets is als iemand niet links laten
liggen, iemand in de gelegenheid stellen mee te doen in dit leven, op
te staan, mee te lopen. Vergeven is iets machtigs, het is iets
goddelijks.
We denken misschien bij het vergeven van zonden
direct aan de biecht. Dat is niet verkeerd, want het is goed om te
horen dat God je zonden heeft vergeven, dat je van God weer mag
meelopen, maar er gebeurt ook iets goddelijks wanneer wij een ander
vergeven. Je vergeeft namelijk wat de ander je heeft aangedaan. Zo van:
laat maar, laat maar gaan, zand erover. Je vergeet daarmee jezelf, je
laat je betere ik spreken. Je doet, om zo te zeggen, God na, die een
vergevende God is; je doet met God mee; je sluit je aan bij een
vergevende God, die ook jou van binnenuit tot vergeving beweegt.
Soms
kun je bij vergeven de ervaring hebben dat je het niet zelf doet, maar
dat er een Ander, een Betere in je werkt, waardoor er een andere,
betere, verhouding ontstaat met de ander. Laten we ons aan Hem
overgeven en Hem verheerlijken, die, zoals in het evangelie staat, zulk
een macht gegeven heeft aan mensen op aarde, aan de Kerk, aan ons.
Laten we meezingen, meebidden en mee-eten van het genadebrood, en alle
wrokkige gedachten, alle kwade gedachten van ons afzetten, zodat
iedereen er van ons mag bijhoren. Want wij vinden het zelf ook fijn dat
wij er van God mogen bijhoren.