6

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

“Quid tibi vitandum praecipue existimes, quaeris? Turbam.” “Wat meen jij dat je vooral vermijden moet, vraag je? De menigte. De massa. Het grote gezelschap.” Aldús, met die vraag en dat antwoord, begint één van de beroemde brieven, de zevende, van de Romeinse wijsgeer Seneca aan zijn pupil Lucilius[1]. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth waren zij. Seneca leefde van plusminus 4 vóór tot 65 ná Christus. De menigte, de meute, de groep moet je vermijden zegt Seneca. En ik denk, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk, de melaatse die wij vandaag in het evangelie ontmoeten, die melaatste die kan daarover meepraten. In de eerste lezing, uit het boek Leviticus, hoorden we hoe mensen die in het oude Israël aan huidziekten leden, hoe die zich geacht werden te gedragen en voort te bewegen: in gescheurde kleren en met loshangende haren en de baard bedekt als ’t om een man ging. En dan roepen: “Onrein, onrein!” Ga er maar aan staan. Wat een hel! “Hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven” zo wordt er nog bij gezegd. En wij snappen dat. Men is als de dood voor besmetting en men wil dus zo’n melaatste op grote afstand houden. De melaatse moet de menigte dus mijden. Hij is afgesneden van de gemeenschap. Direct contact met andere mensen, lichamelijk contact met náme is voor hem of haar niet mogelijk. Dat is wreed. Het leven kan wreed zijn. De mensen kunnen het zijn: “Verlos ons van de droom die leven heet,/Waarin men schuifelt op vermoeide voeten,/Ofwel zich haast naar een verbeeld ontmoeten/En even later weer zich eenzaam weet;/Waar kinderen reeds boosaardig zijn en wreed/En zachte dieren zich verschuilen moeten …”. Een gedicht van Jacques Keuls uit 1953[2]. Kinderen die reeds boosaardig zijn en wreed …

Toen ik een schooljongen was in Apeldoorn zat bij mij in de klas een boerenmeisje, xxx heette ze. Ik zie haar nog zó voor mij: Donker, steil, vaak een beetje vet haar tot op de schouders. Donkere ogen. Een smalle mond met nauwelijks zichtbare tanden. Ze práátte binnensmonds en plat Apeldoorns. En ze had een wat schilferende huid. En in de klas noemde men haar “vlooientheater”. Afschuwelijk! En ik deed daar aan mee! Het is te hopen dat xxx een goede thuisbasis had, want naar school gaan zal voor haar wel geen pretje zijn geweest met zulke wrede klasgenootjes. De kans is groot dat ze zich als een paria heeft gevoeld, als iemand die er buiten staat, als iemand die er niet bij mag horen. “Er moet wel iets heel erg mis zijn met mij” is iemand dan geneigd te denken, en: “Ik ben verkeerd”. Misschien, dierbare parochianen en gasten; misschien voelen wij ons als katholieken dezer dagen vanwege de “Williamson-affaire”, vanwege de opheffing van de excommunicatie van de leden van de zogenaamde Pius X-broederschap waar in elk geval één heel erg foute bisschop, Williamson, een Holocaust-ontkenner, deel van uitmaakt; misschien voelen wij ons hierdoor dezer dagen wel collectief met zo’n gevoel behept, met een gevoel namelijk als katholieken ook te behoren tot een hele foute club met een leiding die niet deugt. We maken zowaar een soort “uittredingsgolfje” mee. In mijn reeds meer dan twintigjarige pastorale carrière heb ik niet meegemaakt dat zoveel mensen in een zelfde periode hebben kenbaar gemaakt dat hun naam uit de kerkelijke registers moet worden geschrapt. In deze en de Vredesparochie samen betreft het zo’n zeven-acht mensen - die overigens niet allemaal bij ons waren íngeschreven trouwens wat de zaak natuurlijk wel relativeert. Maar toch: Heel de wereld valt dezer dagen over ons of in elk geval over de paus heen. Niet leuk. Wat moet je ermee? Wat móet, wat kán een mens die zich gediskwalificeerd voelt, die zich een paria voelt, een buitengeslotene; wat moet, wat kan zo iemand doen?

Ik denk, veelgeliefden, precies hetzelfde als wat we die melaatse in het evangelie zien doen: Jezus aanspreken. Hij of zij heeft de euvele moed, de melaatse in het evangelie, om uit zijn of haar gedwongen isolement te treden en Jezus te benaderen en aan te spreken. Dat kunnen ook wij altijd doen. We hebben Jezus niet meer bij ons als mens van vlees en bloed, maar Hem benaderen en Hem aanspreken kan nog altijd. Uiteraard spreken wij dan over de sfeer van het gebed. Als jij je vies voelt, als jij je verlaten voelt, als jij je een lor voelt, als jij je fout voelt of fout gemáákt (gediskwalificeerd), dan neem je gewoon diezelfde woorden in je mond die ook de melaatse uitspreekt: “Als U wilt, kunt U me rein maken”. Je kunt die woorden in je gebed hardop uitspreken of ook in de stilte van je hart. Het belangrijkste is dat je het met vuur doet, met hartstocht. Ik denk, veelgeliefden, afhankelijk precies van de oprechtheid van ons gebed mogen we er op vertrouwen dat Jezus ook door ons ontroerd dan wel díep ontroerd kan raken en ook naar ons Zijn hand kan uitstrekken om inderdaad ons wézen te veranderen, ja te “reinigen”. “Sprenkel mij met hysop dat ik rein word, was mij dat ik witter word dan sneeuw” zingt de éénenvijftigste psalm. Ik denk dat het om zo’n soort ervaring gaat. Het leven is vaak erg ingewikkeld. Voortdurend loop je tegen je eigen onvermogen aan en tegen dat van je medemensen - om over de samenleving als geheel, laat staan de wereldwijde samenleving nog maar te zwijgen. Het is een zooitje. Denk aan Zimbabwe, denk aan Rusland, denk aan de vrolijke bonusboys in ons eigen Holland. De knop om de duivelse mechanismen die aan het werk zijn om en uit te zetten, die knop zit eráchter. Je zou met je hand dus precies dóór dat draaiend mechanisme héén moeten reiken als het ware om de zaak tot stilstand te brengen en om een keer in de situatie te brengen, om die ten goede te veranderen. Maar, veelgeliefden, dat is wel precies wat de Heer, wat Jezus gedáán heeft. De melaatse, wijzelf als getergde katholieken, maar ook de paus, bisschop Williamson en xxx, we konden en we kunnen allemaal een beroep op Hem doen. En als we het wérkelijk doen, als we in het gebed onze nood werkelijk aan Hem toevertrouwen en overlaten in zekere zin, dan zál dat onze situatie in gunstige zin veranderen. Minstens zullen we vrede en kracht ervaren. We zullen ons aanvaard voelen. We zullen niet langer op onszelf zijn teruggeworpen en alleen met onze ellende, maar gedragen door Hem. En dat zal ons blij maken en dat zal ons nopen om, zoals de melaatse in het evangelie het doet; dat zal ons nopen om zoals hij of zij “te verkondigen”: om te spreken met anderen over hoe goed God is. En díe boodschap, veelgeliefden, die neemt niet iedereen ons in dank af, want de duisternis in mensen is vaak sterker dan het licht. Mensen kunnen gehecht zijn aan hun eigen duisternis en die in stand houden en ze kunnen juist bang zijn voor het licht, voor het goddelijk licht. Dat is ook precies wat Jezus aan den lijve heeft ervaren. Hij werd zelf een paria, een uitgestotene. “Hij kon niet meer openlijk in een stad komen” vertelt ons nog het evangelie. Uiteindelijk kostte het Hem zelfs de kop en wachtte Hem het kruis. En juist daardoor kon Hij het hoofd worden van de Kerk en werd Hij voor ons die onuitputtelijke bron van kracht en vrede en reiniging zoals wij die wij die in en door Hem mogen ervaren. Ik snap ’t best hoor als mensen zich uitschrijven uit de Kerk. Maar ik betreur het. Want met het kind (denk even aan Kerstmis! - Wie zich uitschrijft distantieert zich ook van het kerstkind!); met dat kind gooi je ook het badwater weg. Want Hij reinigt. Hij wast schoon. Hij kan in elk geval jouw ziel en wezen opnieuw maken als die van een kind. Amen.

Zoeken in Preken Online