6e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Homilie op de zesde zondag door het jaar B: “Melaatsen aanraken” (Mc. 1, 40-45)

Zusters Passionistinnen, Tielt, 12 februari 2012

Op 12 oktober 2009 werd de reeds zalig verklaarde Pater Damiaan, onze grootste Belg, in Rome heilig verklaard. Dat plaatst de eerste lezing en het evangelie van vandaag volop in de actualiteit. Als missionaris op Hawaï werd Jozef De Veuster, meer dan 100 jaar geleden, geconfronteerd met het erbarmelijke lot van de melaatsen. Wie door de ziekte aangetast was, werd uit vrees voor verdere besmetting weggevoerd naar het eiland Molokaï. Kinderen werden op die manier weggehaald van hun ouders, vaders en moeders uit elkaar gerukt. Wat die melaatsen op Molokaï hebben meegemaakt, kan niemand achterhalen. Ze leefden er in volledige afzondering, zonder medische hulp, zonder enige menselijke nabijheid. Ze waren voor de gezonde gemeenschap als dood en hadden hun eigen begrafenis al meegemaakt. Naar Molokaï, dat melaatsengetto, vertrok de 33-jarige Pater Damiaan in 1873 als vrijwilliger, deelde er 16 jaar lang het lot van die levende doden, kreeg zelf die vreselijke ziekte en stierf in 1889 als melaatse tussen de melaatsen. Hij had zich laten inspireren door Jezus’ liefde voor de uitgestotenen en meer in het bijzonder door Zijn houding t.o.v. de melaatsen, die reeds in Jezus’ tijd uit de gemeenschap gebannen werden: ze moesten toen elk contact met gezonde mensen vermijden en deze laatste verwittigen van hun nabijheid, zodat er geen besmetting mogelijk was. Daarbij werden in Jezus’ tijd zieken, in het bijzonder melaatsen, beschouwd als zondige mensen, die omwille van een of ander vergrijp door Jahweh gestraft waren. Aan hen werd niet alleen elk sociaal contact ontzegd; ook de toegang tot de tempel werd hun verboden. Ze waren zowel door God als door de mensen afgeschreven.

De leprabestrijding is ondertussen een succes geworden: melaatsheid kan thans gemakkelijk genezen worden.

Maar onze maatschappij heeft nog altijd veel uitgestotenen. We hoeven daarom niet noodzakelijk te denken aan aidspatiënten of melaatsen. Ieder van ons heeft zo zijn verstoteling, met wie hij geen contact wil hebben. Je kunt ze zelfs bij name noemen. Ieder land, elke stad, elke buurt, bijna elke familie en zelfs vele gezinnen en communauteiten hebben verstotelingen, hebben hun spiritueel Molokaï, waarin ze mensen als afgeschrevenen isoleren. Ik denk daarbij aan de vele verslaafden met wie we liefst geen contact hebben, aan de psychisch of fysiek gestoorden, aan de mensen die financieel gefaald hebben, de ouders van wie de kinderen een stommiteit begaan hebben. In de laatste jaren, ook nu naar aanleiding van het proces dat tegen hem begonnen is, heb ik dikwijls gedacht aan de ouders van de jongeman Kim De Gelder, die in het kinderdagverblijf Fabeltjesland in Dendermonde twee baby’s en een 54-jarige opvoedster doodstak. Wellicht durven die ouders zich nu en misschien later ook niet meer in het openbaar vertonen. Zij hadden nochtans al het mogelijke gedaan om hun zoon op het rechte pad te brengen. De meeste families hebben zo een broer of zus, misschien zelfs een vader of moeder, zoon of dochter of kleinkind, met wie de andere familieleden liefst geen contact hebben. In heel veel families is er zo een zwart schaap, als te mijden bestempeld en geïsoleerd in een soort Molokaï. Misschien leef je zelf als man en vrouw samen in een geïsoleerde twee-eenzaamheid: 2 Molokaï’s naast elkaar, niet eens een archipel.

Zo gemakkelijk verdenken wij daarbij al die mensen van schuld, nalatigheid of minstens van zwakheid, onbekwaamheid of onevenwichtigheid. Lees maar de krant, volg het journaal, luister naar het geroddel in de stad, in je buurt of familie.

Misschien heb je zelf ook het akelige gevoelen dat je door je uiterlijk, door je onvermogen, door je afkomst, door onbegrip of liefdeloosheid, geïsoleerd bent, vereenzaamd, door velen gemeden, dood levend op een soort Molokaï.

Zoveel mensen worden in onze maatschappij nog altijd bekritiseerd en geïsoleerd als verstotelingen in een nieuwsoortig Molokaï.

Dat soort melaatsen, dat soort verstotelingen, zijn moeilijk te genezen. Ze hebben nochtans zo een sterke behoefte aan het gebaar dat Jezus niet zonder risico stelde in het evangelie. Hij raakte de melaatse, de verstoteling, aan omdat Hijzelf door liefde geraakt werd, door medelijden bewogen. Met dat gebaar begon voor de melaatse iets nieuws. Vanaf dat ogenblik werd hij niet meer apart gezet, voelde hij zich niet meer geïsoleerd, maar terug opgenomen.

Zo moet ook de Kerk een plaats zijn, een ware “ecclesia”, waar niemand uitgestoten of afgeschreven wordt. Dat is in de Kerk te veel gebeurd. Als je bedenkt dat tot voor enkele tientallen jaren iemand die zelfmoord gepleegd had, niet kerkelijk mocht begraven worden. Wat een verschrikkelijk oordeel!

Moge Jezus’ gebaar in het evangelie van vandaag elkeen van ons inspireren tot het risico om mensen nooit te isoleren of te klasseren als te mijden, maar naar hen toe te gaan met heel veel begrip en een uitgestoken hand. Zoek dat soort Molokaï, die uitgestotenen, niet te ver: ze leven misschien in je gezin of familie, zeker in je buurt of stad. Ze roepen stilletjes of zelfs luidkeels om hulp.

Pas dan zul je jezelf nooit geïsoleerd voelen in je eigen kwetsbaarheid.

Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online