In de twee lezingen van vandaag gaat het over mensen die aan huidvraat
lijden.
Huidvraat, melaatsheid, lepra, verschillende namen voor een
verschrikkelijke ziekte die mensen verminkt en zonder behandeling
dodelijk is.
Omdat die ziekte besmettelijk is, worden mensen met huidvraat in Jezus
tijd uit de maatschappij gestoten.
Niemand van de gezonde mensen mag in aanraking komen met de zieken.
En dat gold voor arm en rijk.
U kunt zich voorstellen dat dit voor deze mensen een dubbele ramp was.
Behalve dat ze een ziekte hadden, waar in die tijd nog geen genezing
voor mogelijk was, werden ze uit de maatschappij gezet en kwamen ze er
helemaal alleen voor te staan.
Ze waren nergens welkom, niet in hun eigen stad, zelfs niet in de synagoge.
Mensen met huidvraat werden beschouwd als onrein.
Er werd zelfs gezegd, dat hun ziekte hun eigen schuld was: veel mensen
geloofden, dat het straf moest zijn voor zondig gedrag.
Mensen met huidvraat werden gemeden als de pest.
In het evangelie van vandaag horen we over een zieke met huidvraat die
Jezus aanspreekt.
Het was de onreine helemaal niet toegestaan, dat hij andere mensen
aansprak.
En het zou in die tijd heel normaal geweest zijn als Jezus de zieke als
een hond zou afblaffen en wegsturen.
Maar dat gebeurt niet.
Jezus is ontroerd, en ziet niet de ziekte, maar de mens achter de zieke.
En dat is eigenlijk het grootste wonder.
Door naar de zieke te luisteren, is deze niet meer de uitgestotene, nee
de zieke is weer een mens, die erbij hoort.
Voor Jezus hoort een zieke er net zo bij als ieder ander!
In de eerste lezing hebben we ook een verhaal gehoord over een man met
huidvraat.
In dit geval een rijk en geacht man, Naäman.
Hij hoort van een eenvoudige slavin, dat als dienstmeisje bij zijn vrouw
werkte, over een profeet, in het land Israël, die hem misschien wel zou
kunnen genezen.
Dus hij gaat op pad met al zijn rijkdommen en het lijkt erop dat hij
zijn gezondheid wil kopen met al zijn rijkdom.
Wanneer hij bij de profeet Elisa aankomt, krijgt hij de profeet niet te
zien.
Die heeft een boodschap achtergelaten voor Naäman:
dompel je zeven keer onder in de Jordaan. Nogal gemakkelijk.
Maar Naäman is helemaal niet blij, integendeel, hij voelt zich diep
beledigd.
Hij had verwacht plechtig en met veel pracht en praal door de profeet
zelf ontvangen te worden.
Hij is tenslotte een belangrijke legeraanvoerder van de koning van Syrië!
Die laat zich toch niet afschepen door een eenvoudige boodschapper!
Naäman wordt boos en wil terug gaan naar huis.
En weer moet een eenvoudige knecht de legeraanvoerder Naäman de juiste
weg wijzen.
En wanneer hij die eenvoudige raad opvolgt is hij meteen genezen.
Drie keer speelt een kleine eenvoudige mens een belangrijke rol bij de
genezing.
En dan wil Naäman betalen met zijn rijkdom.
Maar gezondheid was niet te koop, toen niet en nu niet.
De profeet wil niet betaald worden voor wat hij ook maar namens God
heeft kunnen doen.
Het enige wat nodig is, is geloof in de éne God van Israël.
Dat geloof wil Naäman mee naar huis nemen, en als teken daarvan neemt
hij grond uit dat heilige land mee naar zijn eigen land.
Wat hebben deze oude verhalen ons nu hier in Tiel in 2009 te vertellen?
Allereerst, dat God niemand loslaat. Iedereen telt mee, gezond of ziek,
hoog of laag, man of vrouw, jood of niet jood, autochtoon of allochtoon.
Door naar de melaatse te luisteren maakt Jezus duidelijk, dat hij er is
voor allemaal.
Hij is er voor U ……en U ……en U …………. en jou……….. en mij ……………….. Niemand
uitgezonderd.
Dat gezondheid niet te koop is, weet U beter dan wie dan ook.
En dat brengt me op het tweede punt, dat nog eens duidelijk gemaakt wordt:
God is ook niet te koop met geld.
En menselijk aanzien brengt God helemaal niet van de wijs.
Hij behandelt de rijke Naäman niet anders dan de eenvoudige mensen.
En drie gewone mensen - het dienstmeisje van zijn vrouw, de boodschapper
van de profeet en zijn eigen knecht -, spelen een hoofdrol om Naäman de
weg naar genezing te wijzen. Voor God zijn we allemaal gelijk.
Er is nog een laatste punt dat ik uit deze verhalen wil halen.
Zowel Elisa als Jezus willen niet op de voorgrond treden.
Jezus beveelt de genezen zieke zelfs zijn mond te houden over zijn
genezing.
Wel moet hij zelf zorgen dat hij weer helemaal meetelt in de samenleving:
hij moet de priester laten bevestigen, dat hij genezen is.
Door de priester te laten getuigen, dat hij rein is, staat de man weer
midden in de maatschappij en hoort hij er weer helemaal bij.
Maar zelf wil Jezus helemaal niet bekend worden als de grote wonderdoener.
Hij zoekt geen roem of eer, en Jezus wil zich terugtrekken.
Maar de mensen van die dagen laten hem niet los, en ze vinden hem, waar
hij ook gaat, van dorp tot dorp, van stad tot stad.
Net als Jezus toen is God ook nu voor ons altijd te vinden.
Maar wij moeten wel zoeken, want hij laat zich soms op heel onverwachte
plaatsen zien. We moeten wel oog en oor voor Hem hebben.
Want Hij staat niet op een voetstuk, hij troont niet boven ons uit, hij
zwaait niet met een toverstaf. God is te vinden onder gewone mensen.
Gewone mensen die er zijn voor elkaar.
Zoals een oud kerklied zegt: “Waar vriendschap is en liefde, daar is God”.
Ik wens u toe, dat u dit mag ervaren in uw eigen leven van alle dag.