Melaatsheid is een huidziekte. De huid is niet alleen de oppervlakte van het lichaam, de huid is ook contactpunt met de wereld om ons heen, met de buitenwereld. Onze huid slaat eigenlijk de brug naar de andere mensen.
Men zegt dat de huidziekte heel gemakkelijk ontstaat daar waar de mens zich niet meer goed in zijn huid thuis voelt. De huid wordt overspannen als ze niet behandeld wordt met de zalf van tederheid en geborgenheid. Huiduitslag is vaak het antwoord op een gebrekkig contact met medemensen. Onze huid slaat uit als iemand van uit de hoogte op ons neerkijkt, als op een minderwaardige. Wij zijn zo overgevoelig voor alles wat onze waardigheid aantast.
Dit gezegd zijnde, begrijpen wij wellicht beter wat zich in dit evangelie afspeelt. In het ziektebeeld van die melaatse kunnen wij ons zelf min of meer terugvinden, IK ben de melaatse die bang is om andere mensen te benaderen, die andere mensen vaak als bedreigend ervaart, die een minderwaardigheidscomplex heeft over zijn eigen persoon.
Een melaatse moest de omgang met mensen mijden, moest het leven in de maatschappij mijden. Hoeveel mensen hebben angst om met andere mensen om te gaan, voelen de neiging om zich af te zonderen, omdat ze zich niet aanvaard weten.
Zo iemand kwam naar Jezus. Hij moet wel een heel groot vertrouwen in Jezus hebben gehad, om al die muren te doorbreken. Hij knielt op de grond: “Heer als Gij wilt, kunt Gij mij rein maken!’ Hier bij Jezus vindt hij zijn waardigheid terug, hier breekt het verlangen door om weer opgenomen te worden in de maatschappij. En Jezus op zijn beurt doorbreekt ook de muur, Hij steekt zijn hand uit als een uitnodiging, als een teken dat hij er reeds bij hoort en raakt de melaatse aan. “Natuurlijk wil Ik dat je rein wordt,” zegt Jezus, en wij vullen aan: Want jij bent de moeite waard, je hoort er ook bij, heb vertrouwen in je zelf, keer terug onder de mensen. En zijn melaatsheid verdween. Door die bemoedigende woorden van Jezus voelde hij zich weer goed en mocht zich laten zien in de gemeenschap. Hij hoefde voor niemand uit de weg te gaan.
De toepassing voor ons is gemakkelijk. Misschien gedraag ik me ook vaak zoals die melaatse. Ik trek me terug bij de eerste vernietigende blik, ik zonder me af zodra de mensen mij niet waarderen, ik durf niet meer optreden als anderen mij bekritiseren. Dan zegt Jezus ons: overwin je zelf, zonder je niet af, heb vertrouwen, laat je zien. Soms zullen wij ook zoals Jezus anderen mensen kunnen reinigen van hun minderwaardigheidscomplex en angst, door hen te waarderen en te bemoedigen, door hen uit te nodigen aansluiting te zoeken met anderen.
En dan is er nog iets. Jezus voert de melaatse binnen in het land der levenden, maar als gevolg daarvan wordt Hij afgewezen. Hij brengt de melaatse binnen in de gemeenschap maar Hij zelf moet uitwijken naar een eenzame plaats.
De melaatse mocht niets zeggen, want Jezus was niet gekomen om wonderen te doen. Hij deed wonderen alleen als een teken dat het Rijk van God in Hem gekomen was. Het Rijk waarin de zieken, de zondaars, de kleinen in het middelpunt zullen staan. Om dat te verwezenlijken moest Jezus eerst zijn leven geven.
Als wij bevrijdend willen optreden, zullen we zelf arm moeten worden met de armen, melaats met de melaatsen. Zo heeft ook de zalige Damiaan gedaan. Hij kon de mensen pas echt nabij zijn en helpen toen hij zelf de dodelijke ziekte in zijn lichaam droeg en zeggen kon: “wij” melaatsen.