God in onze tijd (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Broeders en zusters in Christus,

In de Griekse Oudheid waren er mensen die de beroemde filosoof Heraclitus wilden bezoeken en raadplegen. Ze hadden waarschijnlijk gedacht de filosoof op zijn studeerkamer aan te treffen, in diep gepeins verzonken. Maar ze werden ontvangen in de keuken waar Heraclitus heel huiselijk bij de oven bezig was brood te bakken. Toen hij het mishagen van zijn bezoekers zag, zei hij : " maar hier zijn de goden ook aanwezig". De goden zijn ook in de keuken en overal kan nagedacht worden over God.
In onze Westerse maatschappij zijn de dingen van alledag en de religie ver van elkaar komen te staan.
In onze geseculariseerde maatschappij zijn twee aparte gebieden ontstaan. Aan de ene kant het alledaagse, het gebied van het profane en aan de andere kant het religieuze, het gebied van het sacrale.
De christelijke religie die in vroegere eeuwen in onze samenleving centraal stond, is in onze tijd in West-Europa verdrongen naar de rand. Maatschappelijk is de kerk geen factor meer waar rekening mee gehouden hoeft te worden.

God is overal. Er is alleen in onze tijd niet meer zoveel vraag naar God. Willen wij nog plaats maken voor God ?
U bent hierheen gekomen en heeft uw dagelijkse beslommeringen even achter u gelaten om in deze gewijde ruimte plaats te maken en tijd te hebben voor God. Het is prachtig dat er in deze gehaaste wereld vol lawaai,een ruimte is voor stilte en overweging.
Maar het zou niet goed zijn als het bezig zijn met God weggestopt zou worden in een uurtje op zaterdagavond of zondagochtend in deze kerk. Geloven, niet als een stichtelijk gevoel op zondag, maar als een manier van leven, een houding, een stellingname in de hele week. Of zoals wel gezegd wordt “geloven op maandag”.
Wij hebben in onze moderne wereld heel veel dingen gescheiden en in aparte hokjes gezet. Dingen die in de oude culturen zoals in de bijbel, maar ook tegenwoordig nog in de niet-Westerse culturen, heel dicht bij elkaar staan. Zo ook met het profane en het sacrale. De mensen uit het voormalige Nederlands-Indië kunnen dat bevestigen. De wereld van de goden, de geesten, het geheimzinnige, de magie, maakt deel uit van de alledaagse wereld.
Natuurlijk is er in de bijbel een onderscheid tussen het profane en het heilige. Maar de religie staat niet apart. Het hele leven staat als het goed is in het teken van de religie en de religie doordringt het hele leven.

Het is goed dat te onthouden bij de twee lezingen van vandaag over de melaatsheid. Als wij ziek zijn, gaan wij naar een dokter. Pas als de ziekte heel erg is en misschien wel levensbedreigend, dan zullen we er met een pastor over spreken.
In de bijbel worden gezondheid en ziekte direkt geplaatst binnen een religieus kader. Gezondheid en ziekte, heil en onheil. De bijbel is een boek door mensen geschreven, die in een cultuur leefden met vaak merkwaardige en bijna gevaarlijke ideeën waar wij ons gelukkig, maar soms met moeite, van hebben kunnen losmaken. In het O.T. is er namelijk altijd een direct verband tussen ziekte en zonde. Gezondheid en ziekte als genade en straf. Als Mozes een Ethiopsche als vrouw wil nemen en de zuster van Mozes, Mirjam,daar sceptisch tegenover staat, dan wordt ze gestraft met melaatsheid.

De term “melaatsheid” levert nogal wat problemen op, want wij denken dan aan lepra, een tropische ziekte die in de tijd van het O.T. hoogstwaarschijnlijk in Israël nog niet voorkwam.
Onder de Hebreeuwse term tsara&at, die wij vertalen met “melaatsheid” moeten een aantal huidaandoeningen worden verstaan. Maar we lezen ook dat stoffen, leer, de muren van een huis, melaats kunnen zijn.

In de lezing van Leviticus zien we dat iemand met een vermeende huidziekte naar de priester gaat.
De priester observeert de aangetaste plek op de huid, isoleert zonodig de patient voor een of twee weken. Is de plek gedoofd, dan wordt de patient rein verklaard. Is de aangetaste plek dieper dan de huid en is er wild vlees ontstaan, dan is er sprake van melaatsheid en wordt de patient onrein verklaard. Dat betekent dat de zieke in totale afzondering buiten de gemeenschap moet verblijven en ook niet mag deelnemen aan de godsdienstoefeningen.
De plaag van de melaatsheid werd gevreesd en ieder contact met een melaatse moest vermeden worden. Als de melaatse dacht dat hij genezen was, dan moest hij zich aan de priester tonen die daarvoor buiten de legerplaats kwam. Was de ziekte geweken dan bracht de priester voor de reiniging een offer. Bij ziekte en gezondverklaring draait alles om de priester, om zijn verklaring van rein of onrein, dat wil zeggen, deel mogen uitmaken van de gemeenschap of verstoten zijn.

Vanuit deze achtergrond wordt het verhaal in het evangelie van Marcus opzienbarend. Een melaatse doorbreekt alle regels. Hij die buiten de stad moet zijn, komt onder de mensen en vraagt aan Jezus hem te reinigen. Een daad die getuigt van grote moed, vertrouwen en geloof. En Jezus van zijn kant doorbreekt het grote taboe, door de zieke aan te raken. Terwijl bij Leviticus nergens gezegd wordt hoe de melaatsheid genezen wordt, staat bij Marcus het moment van de genezing centraal.
Jezus raakt de zieke aan en zegt: Ik wil het, word rein. En hij werd rein.
Het woord van Jezus is daad zoals het scheppingswoord van God in Genesis, daad is. Een woord dat iets bewerkt, tot stand brengt. Het is niet teveel gezegd als we het woord van Jezus ook scheppingswoord noemen. De zieke is niet alleen genezen, maar veel meer. Jezus geeft een mens door zijn woord een nieuw leven, een nieuwe toekomst. Hij bevrijdt een mens die verstoten is en veracht door de maatschappij. Het woord van Jezus is een woord van bevrijding uit zijn isolatie.
Hij mag weer toetreden tot de gemeenschap en een echt leven hebben, een toekomst met de anderen.
Jezus wil deze goddelijke kracht nog geheimhouden en verbiedt de genezene iets te vertellen. Maar hij die geraakt is door de goddelijke kracht en als het ware uit de dood is opgestaan, kan vanzelfsprekend zijn mond niet houden en vertelt alles. Hij moest vroeger alleen roepen “onrein, onrein”, om mensen op een afstand te houden. Maar nu mag hij weer echt spreken temidden van de mensen en getuigen van genezing, van heelheid, heil. We zien hier ziekte niet alleen in haar medisch aspect, maar in haar sociale en religieuze samenhang.

Maar wat kunnen wij als moderne mensen van deze verhalen over ziekte en genezing uit een totaal andere cultuur en met een geheel andere opvatting over ziekte, nog leren.
We hebben een medische wetenschap die zich in de loop van honderden jaren met gedegen onderzoek onttrokken heeft aan gelovige en bijgelovige vooronderstellingen. Een wetenschap met grote verworvenheden, maar die, als het goed is, ook haar eigen grenzen en beperktheden kent en soms het gevoel van onmacht.
In onze wereld zijn de medische wetenschap en de religie ver van elkaar af komen te staan. Misschien wel te ver. Iedere wetenschap bekijkt op zijn gebied een stukje van de wereld, maar de samenhang en het geheel worden uit het oog verloren. De bijbelse verhalen leren ons nu juist over deze samenhang, over een wereld waarin het alledaagse, het sociale, het morele en religieuze direct met elkaar verbonden zijn. En dat pas in die samenhang de mens zich ten volle kan ontplooien als mens. Als wij de religie, God, wegstoppen in een klein hoekje en niet meer op zoek zijn naar zin en samenhang, naar onze laatste grond, dan zullen we verdwalen in de kille wereld van de wetenschap. Een wereld zonder liefde, trouw en hoop.
Aan ons de taak steeds weer de vraag naar God te stellen en een plaats voor God open te houden in een wereld die geen behoefte heeft aan God. Ja, God te bemerken in de dingen van alledag. God is ook in de keuken.

Zoeken in Preken Online