Samen- Leven (2003)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

“Wat heb ik daar mee te maken?” De wereld trilt op haar grondvesten: In Afrika lijden vele miljoenen mensen aan AIDS en honger; in Midden-Amerika worden Indianen weer serieus bedreigd, in Zuid-Amerika zijn boeren zo arm geworden, dat ze cocaïne gaan telen om te kunnen overleven, in Israël en de Palestijnse gebieden, in Syrië, Iran en Irak, in Tsjetsjenië, China en op ontelbare plaatsen ter wereld worden mensenrechten met voeten getreden. Dagelijks worden we overspoeld door berichten en beelden hierover. Het wordt menigeen te veel; onrustige gevoelens van machteloosheid en angst kunnen je bekruipen. Uit een soort zelfbescherming duw je a.h.w. zulke gevoelens en de berichten die die gevoelens veroorzaken weg. De gedachte dat het allemaal zo ver weg is en dat je er in je eentje zo weinig aan kunt doen, kan zich zo vertalen in een houding van onverschilligheid. Het raakt je niet (meer) wat je waarneemt. “Wat heb ik er mee te maken?” “Ik wil er eigenlijk niets mee te maken hebben!”

Ver

Maar wat is eigenlijk ver weg? Is er in feite nog wel iets zo ver van ons bed, dat we er niets mee te maken hebben? Hangen de economieën van landen niet alle onlosmakelijk met elkaar samen? Waarheen gaan we eigenlijk op vakantie? Welke producten kopen wij in supermarkt en wereldwinkel? Op wereldniveau hebben mensen met elkaar te maken en hebben ze elkaar nodig.

En hetzelfde geldt voor een stad als Amsterdam en voor heel onze samenleving: In zekere zin leven Nederlanders onderling en daarbij nog de verschillende culturen en godsdiensten wat langs elkaar heen. Maar welbeschouwd hebben we alles met elkaar te maken: We komen elkaar tegen, maken van dezelfde voorzieningen gebruik, werken samen en doen dingen voor elkaar, vrijwillig of tegen betaling. In een land, in een stad hebben mensen met elkaar te maken en hebben ze elkaar nodig.

Opkomen voor elkaar

Daarmee is er al een reden, voldoende reden wellicht, om ook voor elkaar op te komen, of je nu tot eenzelfde groep behoort als de ander of niet. Maar daar, in het opkomen voor elkaar, stokt het dikwijls. Niet alleen vandaag de dag, maar ook al in vroeger tijden, zoals we vandaag lezen in het boek Ester. Daar gaat het om een specifiek verzoek aan koningin Ester. Het verzoek wordt gedaan door Mordekai, degene die haar opgevoed heeft [Est.C]. Er is dus een zeer nauwe band tussen degene die dat verzoek doet en degene aan wie het verzoek gericht wordt. En het verzoek betreft een ingrijpen van de koningin ten gunste van het volk waar ze zelf uit afkomstig is; haar wordt gevraagd om naar haar echtgenoot te gaan en hem te vragen het besluit tot uitroeiing van alle Judeeërs terug te draaien [Est.4,8b-C]. Maar ondanks dit aarzelt de koningin; wie ongevraagd nadert tot de koning riskeert de doodstraf [Est.4,11]. Koningin Ester realiseerde zich aanvankelijk niet [maar door Mordekai overtuigd dus uiteindelijk wel: Est.4,13v, 4,15v] dat haar eigen toekomst onlosmakelijk verbonden was met die van de andere leden van haar volk.

Paleis

Als zo’n aarzeling er al is bij een welopgevoede en welwillende vrouw t.a.v. haar eigen volk, dan is het op zich niet zo vreemd dat mensen aarzelen om op te komen voor mensen die tot een ander volk, tot een andere cultuur of religie behoren en zo ‘ver weg’ lijken. Evenals koningin Ester zitten ook wij in Nederland a.h.w. in een paleis en wat er zich buiten dat paleis afspeelt, lijkt ver weg. Het is moeilijk je in te leven in wat daar gebeurt. Op het eerste gezicht lijkt het alsof je er hoegenaamd niets mee te maken hebt.

Jezus

Jezus krijgt voortdurend te maken met mensen die ongevraagd op Zijn pad komen met allerlei verzoeken, zowel van volksgenoten als van niet-Joden [in Mk. m.n. 5,1-20. 7,24-30]. Hij is er met Zijn aandacht voor iedere mens en Hij doet wat Hij kan om mensen (weer) op te nemen in de gemeenschap, ongeacht hun afkomst. Immers, zieken en gehandicapten vormden destijds een gemarginaliseerde groep en melaatsen konden in het geheel niet deelnemen aan het sociale leven [Lv.13,45v]. Door zijn genezing kan de ex-melaatse in het evangelie van vandaag weer voluit deel uitmaken van het samen-leven.

De zwakkeren van de samenleving

Dagelijks staan wij oog in oog met mensen die niet volwaardig deel uitmaken van de samen-leving. Dagelijks komen we oog in oog met mensen die tot een andere wereld lijken te behoren en met wie we misschien maar weinig te maken lijken te hebben of zelfs willen hebben: via de televisie komen ze onze huiskamers binnen, op straat komen we ze tegen. De aarzeling van Ester is voor ons zo herkenbaar. Maar hopelijk eveneens de hartelijkheid van Jezus Christus:“Ik wil het, word rein” [Mk.1,41b]; ik wil het, word (weer) deel van de gemeenschap waartoe ik behoor; ik wil het, maak (weer) deel uit van ons samen-leven. Een vriendelijk woord en een helpende hand zijn daarvoor dikwijls al genoeg.

Nog een reden

Voor christenen komt er nog een reden bij om over onze aarzelingen heen te stappen. Want op dezelfde wijze maakt JHWH ons deelgenoten aan Zijn leven, dat geen einde heeft. Ook al zijn we zogezegd nog zo ver van Hem weg, Hij wil ons betrekken in een samen-leven met Hem [cf. Ps.15,1. 65,5. Lk.14,23. 15,1-7. Joh.14,2. 1Tm.2,4 etc.]. Daartoe heeft Hij onder ons gewoond [Joh.1,14, cf. in de Eucharistie: “Water en wijn worden één; Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in Uw goddelijke leven”] en spreekt Hij hier Zijn vriendelijke, goede Woord en reikt Hij ons in de sacramenten en in de H.Geest ons Zijn helpende hand.
Laten we daarom naderen tot de tafel van Zijn Woord en Zijn Brood, opdat wij, zoals die genezen melaatse in het evangelie, van harte het goede nieuws van God kunnen verkondigen, aan mensen dichtbij en ver weg [Mk.1,45 cf. 16,15.20]: in onze open levenshouding, in onze vriendelijke woorden en in onze goede daden aan elkaar [dichtbij en ‘ver weg’]. Moge dit voor ons allen zo zijn. Amen.

Zoeken in Preken Online