Het onmogelijke mogelijk B (2012)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Het gaat vandaag over erbij horen of er niet bij horen.

Je zou zeggen dat jongeren

die alles wat hun doorgegeven is kritisch bekijken

voor zulke dingen ongevoelig zijn:

ik hoef nergens bij te horen: ik ben mijzelf!

Maar zo is het niet.

Je hebt bepaalde kleren die je moet dragen

bepaalde merken schoenen die je aan moet

en als je dat niet doet loop je voor gek.

Je moet als je, jezelf een beetje je groot vindt voor het servet

en anderen je te klein vinden voor het tafellaken ook gaan roken

dat staat stoer en je hoort er meteen bij.

Handig maakt de reclame daar gebruik van.

Iedereen wil ergens bij horen:

asielzoekers zoeken een plaatsje onder de zon

jongeren willen serieus genomen worden

en daarom al die inspanningen die eigenlijk niet echt nodig zijn

want gelukkig komen we in onze dagen tegelijkertijd tot het inzicht

dat ieder mensen uniek is en waardevol is, zoals hij is.

‘Degene die aan een huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen,’

hoorden we net lezen:

‘hij moet zijn haren los laten hangen;

hij moet zijn baard bedekken en roepen: onrein, onrein!’ (Lev. 13,45)

Het gaat hier over een melaatse: wordt die met opzet buitengesloten?

Melaatsheid was in die dagen ongeneeslijk. Er was geen redden aan.

Vandaar die strenge reinheidswetten die de melaatsen apart hielden.

Dat was afschuwelijk maar niet onverstandig.

Rond deze ernstige ziekte, melaatsheid, kan heel wat ter sprake komen.

Het Talmudische jodendom

kent een hele ruime interpretatie van het begrip ‘melaats’.

Het wordt zeer pejoratief gebruikt om de bedreigende machten rond Israël

(Babel, Griekenland, Rome) aan te duiden.

Melaatsheid had iets te maken met een definitief verworpen zijn.

De ziekte was in die dagen zo ongeneeslijk

dat alleen God geacht werd de genezing daarvan teweeg te kunnen brengen

(net zoals Hij alleen de doden kan doen opstaan).

Des te merkwaardiger is het dat een heel hoofdstuk van het boek Leviticus

gewijd wordt aan het ritueel dat moet worden toegepast

wanneer een ongeneeslijk zieke toch beter wordt!

Hier is sprake van een visioen van een toekomst waarin alles nieuw zal zijn.

Een profetie!

Als er ooit sprake zou zijn van een genezing

dan moeten werkelijk alle priesters in beweging komen

om deze grote daad van God te proclameren.

Stellen we ons eens voor, dat de tijd is aangebroken

om alle kankerpatiënten publiekelijk genezen te verklaren:

het zou betekenen dat de tijd is aangebroken waarin alles werkelijk nieuw zal zijn!

Het is jammer dat de coupure uit Leviticus van vandaag

het ‘happy end’ zoals dat in hfdst. 14 beschreven wordt, niet noemt.

Het lijkt wel of het Eerste Testament alleen maar somberheid mag aandragen…

Al is de situatie nog zo wanhopig

het gaat er in de bijbel altijd om dat er toch – bij God-

onverwachte dingen kunnen gebeuren!

In het Oude Testament vindt je één belangrijk reinigingsverhaal

het staat in het tweede boek Koningen.

De koning van Israël roept,

wanneer een buitenlandse legeroverste Naäman een beroep op hem doet

om zijn genezing te verzorgen eerst wanhopig uit:

“Ben ik God die kan doden en levend maken’ (v.7).

Voor de band met God moet je bij de profeten zijn

en de profeet Elisa biedt redding in de nood

door zich met het geval te bemoeien

en een bad in de rivier de Jordaan voor te stellen.

De Jordaan, de grensrivier van het nieuwe land

waar eens het weerloze volk Israël door getrokken was

met de God van Abraham, Isaak en Jakob als verlosser

een nieuwe toekomst tegemoet.

Die God is de enige die (ook niet joden) echt helpen kan.

De genezing van de melaatse

zoals in het evangelie van vandaag verteld wordt

is een belangrijke gebeurtenis

die een eerste cyclus verhalen over Jesus in Galilea afsluit.

Een melaatse zoekt contact.

Er staat geschreven dat hij naar Jesus roept.

Hij verwacht van hem iets nieuws.

Hij verwacht dat Jesus naar hem kijkt als mens

en hem misschien ook kan verlossen van zijn vreselijke lot;

dat hij hem kan verlossen van zijn alleen zijn

en misschien ook van zijn ziekte.

Opvallend is het ontbreken van namen.

De melaatse blijft volstrekt anoniem

en ook de naam van Jesus zoekt men tevergeefs.

De beide hoofdrolspelers worden alleen maar aangeduid als ‘hij’ en ‘hem’

(het Grieks kent ook geen hoofdletters om ons duidelijk te maken wie wie is).

Aan het slot van de lezing raakt de lezer zelfs in verwarring.

Wie van de beide hoofdrolspelers verkondigt

en wie blijft buiten op een eenzame plaats staan (vers 45)?

De ex-melaatse wordt in Jesus’ plaats verkondiger,

hij kan niet zwijgen.

Jesus zelf echter trekt zich na de genezing terug naar een eenzame plaats.

Een prachtige uitbeelding van de eenzaamheid

van de solidaire knecht die in Jesaja 53 beschreven wordt:

‘Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen’ Jes. 5,34).

Rond die eenzame Messias verzamelt zich gelukkig echter een nieuw gemeenschap:

‘Zij kwamen tot hem, overal vandaan’ (Mc. 1,45).

De tallozen die naar Hem toekomen

bevrijden hem op hun beurt uit de eenzaamheid van de afzondering

en brengen hem terug in de wereld.

De schrijver Marcus hoopt dat wij het ook wagen zullen

deze eenzame Messias uit zijn isolement te halen

en hem ook zullen volgen op zijn weg naar andere mensen toe.

De bedoeling is dat niemand hier verloren loopt

dat wij niemand uitsluiten om dingen die niet belangrijk zijn

en dat wij samen bouwen aan een nieuwe wereld

waarin het onmogelijke mogelijk is.

Een wereld waarin ruimte is voor allen

en iedereen zichzelf kan zijn.

Aan zo’n wereld willen wij bouwen.

We horen Paulus daarvan dromen in zijn eerste Korintiërs-brief:

‘Zoals het lichaam een eenheid is en de ledematen een veelheid,

en alle ledematen ondanks hun veelheid toch één lichaam vormen,

zo is het ook met Christus.

Want wij zijn met ons allen door de doop één lichaam geworden

in de kracht van de ene Geest,

of we nu Joden of Grieken, slaven of vrije mensen zijn;

allemaal zijn we doordrenkt met één Geest!

De medisch te omschrijven ziekte: ‘Melaatsheid’ genezen

is mogelijk gebleken, zeker hier in het westen.

En als we even ons best doen

is heel de wereld ervan bevrijd.

Dat er nu weer andere ziektes zijn

die we niet zomaar kunnen bestrijden

maakt ons bescheiden en laat ons beseffen

dat wij mensen toch weerloze mensen zijn.

Het meest pijnlijk is echter de ziekte van de haat

de pijn die mensen elkaar bezorgen door hun geweldadigheid,

Jesus genas de melaatse

als een teken dat het onmogelijk toch mogelijk is.

Zou het dan echt waar zijn

dat de vrede het wint van de oorlog?

Zou er echt een einde kunnen komen

aan geweld en koesteren van eigenbelang?

Jesus wil ons in zijn voetspoor trekken

om op een nieuwe manier mens te zijn.

In zijn voetspoor gaande kan het lukken,

God zegene ons allen, amen.

Zoeken in Preken Online