6° Zondag B (2012)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Fabula tua narratur. Het is je eigen verhaal dat wordt verteld. Wat mij betreft, dierbare gasten en parochianen, is dát de belangrijkste, de hoogste regel wat betreft de uitleg van de Heilige Schrift, de bijbel, en dús ook wat betreft de verkondiging. De bijbel werpt licht op mijn, op uw, op jouw, op óns eigen leven. En zolang dat nog niet duidelijk is, hóe dat dan het geval zou zijn, wélk licht de bijbel daar dan op werpt, op ons leven; zolang dat nog niet duidelijk is, heb ik en hebben wij “het”, hebben we de bijbel, hebben we God en Jezus nog niet goed begrepen.

Gemakkelijk is dit natuurlijk niet altijd. In het evangelie van deze zondag komt er “een melaatse” ons leven binnenwandelen. Een melaatse, dat is een besmet mens, een ziek mens, vol enge plekken op de huid, iemand bij wie die besmetting en die ziekte, die besmettelijke ziekte dus, héél zichtbaar is. \

In de eerste lezing vandaag wordt verteld hoe iemand die aan een huidziekte leed zich in het oude Israël diende te gedragen: zo iemand moest in gescheurde kleren lopen en met losse haren en steeds “onrein, onrein!” voor zich uit roepen. Wat een lot is dat mensen, wat een vreselijke toestand voor zo iemand. Zo’n mens is veroordeeld tot een volkomen geïsoleerd leven, weg van de andere mensen. “Hij moet apart wonen, en buiten het kamp blijven” hoorden we. Onder geen beding mag er contact zijn; hoogstens op afstand, op róepafstand. Lijfelijk contact, aanraking, is uitgesloten.

Uiteraard dringt zich de vraag op: Hoe komt het dat iemand in zo’n positie terecht is gekomen? Waaróm is de één ziek en de ander gezond? Waarom is de één rijk en de ander arm? Ik denk dat de psalm die wij samen hebben gebeden, dat die het spontane inzicht en ook godsdienstige inzicht verwoordt, dat mensen, ook wij, wat dit betreft vaak hebben én het antwoord dat mensen, ook wij, op de gestelde vraag, impliciet hebben en ook expliciet, luid en duidelijk soms géven. In die psalm lazen wij en spraken wij uit de woorden: “Talrijke rampen treffen de zondaar.” Oftewel: wie rijk en gezond is, die is uit het goede hout gesneden en die heeft het in het leven goed aangepakt, die staat er goed ín en diens leven wordt dan ook gezegend. Wie arm en ziek is daarentegen, die heeft het in het leven níet goed aangepakt, die heeft verkeerde keuzes gemaakt met alle gevolgen van dien. Kijk maar! Dat kun je zo zien … \

Het ligt, dierbare gasten en parochianen; het ligt voor de hand om zo te denken. Dus doen mensen dat en komen we die manier van denken ook in de bijbel tegen. Het is een simpele manier van denken en daarbij ook een erg gevaarlijke want potentieel diskwalificerende en discriminerende manier van denken, waardoor ziekte en zonde in een onherroepelijke samenhang met elkaar worden gezien, en daardóór ook ziekte en schuld: “Ze hebben het aan zichzelf te danken”, of: “Jé zult het wel aan jezelf te danken hebben”, zegt men dan.

Dat zo’n recht toe-recht aan manier van denken intussen volstrekt te kort schiet om recht te doen aan het mysterie van individuele levens en de plek die ziekte en ander onheil daarin kunnen hebben, dat is duidelijk. Want ook goede en onschuldige mensen, kinderen bijvoorbeeld, worden door ziekte en ander kwaad bedreigd en erdoor getroffen. \

Van de andere kant: er zijn natuurlijk situaties waarin er wél een duidelijk verband is tussen rampen waardoor mensen getroffen worden en verkeerd en verwijtbaar denken en handelen. In zúlke omstandigheden is het heilzaam om dat in te zien, om het te erkennen en om dat uit te spreken, zo hoorden we in de 32ste psalm: “Toen heb ik mijn zonde beleden voor U, mijn schuld niet langer ontkend. Ik sprak: voor de Heer beken ik mijn fout; toen hebt Gij mijn zonde vergeven.”

Ongetwijfeld is het de bedoeling geweest van de samenstellers van onze Romeinse liturgie om tegen de achtergrond van die 32ste psalm naar het evangelie van vandaag te kijken. De psalm werpt daar licht op zullen die samenstellers van de liturgie hebben gedacht. De psalm duídt in die zin voor de verandering het evangelie. Die melaatsheid, die ziekte “van de buitenkant”, dat wil zeggen: die zíekte die aan de buitenkant zo zichtbaar is, wordt dan een beeld van iets dat op de eerste plaats van binnen zit. Van binnen, in hoofd en hart, kan een mens zich ziek, melaats en zondig, schuldig, somber, onrein en gevaarlijk besmettelijk voelen in de zin van: ik heb geen goede invloed op mijn omgeving, er gaat niets goeds van mij uit, ik kan de mensen dus beter mijden, op een afstand blijven, mijzelf opsluiten enzovoort. Een mens kan in zichzelf, in een donker en naargeestig gat gevangen zitten en vooral op de eerste plaats zichzélf daarin gevangen zetten of láten zetten, zichzelf laten wégzetten. Ja, kom daar maar eens uit, uit dat gat, uit zo’n gevangenis. \

De melaatse in het evangelie krijgt de geweldige intuïtie: Ik moet Hém aanspreken, Jezus, die daar voorbijkomt. Zelf kom ik er niet meer uit. Ik heb hulp nodig. En Hij is daartoe in staat, om mij die hulp te geven. Dat inzicht spreekt de melaatse uit: “Als U wilt, kunt U me rein maken.” Het hébben van vertrouwen in Jezus wiens naam “God redt” betekent; het uitspreken van dat vertrouwen, het verwoorden daarvan, dat is, veelgeliefden, als zodanig al reddend. Het is al het begin van de redding, precies zoals volgens de 32ste psalm het belijden van schuld, het uitspreken daarvan, al het begin van vergeving van Godswege inluidt. Het maakt die vergeving mógelijk: “Toen heb ik mijn zonde beleden voor U, mijn schuld niet langer ontkend. Ik sprak: voor de Heer beken ik mijn fout; toen hebt Gij mijn zonde vergeven.” “Door medelijden bewogen stak Hij (Jezus) de hand uit” vervolgt dan het evangelie. “Door medelijden bewogen”: de Willibrordvertaling van de bijbel van 1995 vertaalt, “diep ontroerd”. Zó, door medelijden bewogen, diep ontroerd, “stak Hij (Jezus) Zijn hand uit en raakte hem aan.” Verlossende aanraking! Een onaanraakbare die wordt aangeraakt. En Jezus’ woorden bevestigen wat Hij doet: “Ik wil het, word rein”, zei Hij." Wie in zijn of haar nood op God weet en durft te vertrouwen, wie God durft aan te spreken in zulke omstandigheden, met name in het gebed, die wordt gehóórd, die wordt “diep ontroerd”, “door medelijden bewogen” gehoord - als ook het sentiment van degene die vraagt echt is naar ik aanneem. Het gebed van zo iemand wordt vervolgens ook vérhoord. Want God schénkt genezing. Hij redt echt, Hij verlost inderdaad.

Jezus stuurt de van melaatsheid genezen persoon vervolgens weg en vermaant hem. De Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 spreekt van een “ernstige waarschuwing”: “Zorg ervoor dat je aan niemand iets zegt” en ga naar de priester om je te laten zien en je door hem rein te laten verklaren. “Bars stuurde hij hem meteen weg, met de woorden: “Zorg dat u er met niemand over praat” zo vertaalt de Willibrordvertaling van 1995 en we weten allemaal veelgeliefden: juist als mensen tegen elkaar zeggen “niet verder vertellen”, juist dan wordt het verhaal overal rondgelispeld en misschien zelfs -gebazuind. Jezus weet dat natuurlijk. En inderdaad, de genezen persoon gaat doen, precies wat ík hier op dit moment aan het doen ben. Hij gaat “volop verkondigen”: de genezing, het heil, de nieuwe heelheid die hij heeft mogen ervaren.
Fabula tua narratur. Het is je eigen verhaal dat wordt verteld. Is dat zo veelgeliefden? Is het verhaal van die zieke, van die melaatse, van die mens die in nood Jezus aanspreekt en door Hem “diep ontroerd”, “door medelijden bewogen” wordt aangeraakt en genezen en verlost uit dat zwarte gat, uit dat isolement en daar geweldig blij om is en die verkondigt, derhalve, wat God in Jezus voor hem is gaan betekenen; is dat verhaal inderdaad ook úw verhaal? Wie zal het zeggen? Ú zult het zeggen. Dit kan iedere kerkganger of kerkgangster alleen maar voor zichzelf nagaan en zeggen. Ik voor mij moet en wil het wél bevestigen in elk geval: Ja, die zieke mens die werd genezen zoals het evangelie van deze zondag daar over spreekt en zoals ik daar in deze verkondiging zelf over heb gesproken, vaak genoeg ben ik zelf zo’n mens geweest: een mens, opgesloten in zichzelf en eigen zondigheid. Maar ook een mens die het vermogen heeft om in Jezus Gód aan te spreken en die door Hem is aangeraakt en toegesproken en bevrijd en voor wie het een grote vreugde is om dat te mogen verkondigen. Amen.

Zoeken in Preken Online