Enkele (betwistbare? vergezochte? eigenzinnige?) uitgangspunten voor de lezing en interpretatie van dit evangelieverhaal:
Ik maak voor de gelegenheid van deze vrouw, die door de evangelist ‘de schoonmoeder van Simon’ wordt genoemd, heel graag ‘onze (schoon)moeder de heilige Kerk. Exegetisch en ecclesiologisch natuurlijk totaal onverantwoord. Maar misschien toch een interessante piste om dit verhaal beter te leren verstaan en concreter te actualiseren… ‘Si non é vero, é ben trovato…’???
De Kerk ìs dan ook een beetje mijn ‘schoonmoeder’ (al heb ik daar als celibatair niet echt ervaring mee – alles wat ik hier neerschrijf, heb ik van horen zeggen…). Ik heb er een soort liefde-haatverhouding mee; ik krijg vaak tegelijk warm en koud van wat ze zegt en wat ze doet; ik ben er niet echt mee getrouwd, ben niet direct op hààr verliefd geworden, en heb niet in de eerste plaats voor hààr gekozen. Maar ze is er wel – als onvermijdelijke consequentie van mijn keuze om priester te worden… Meer zelfs: ik heb op één of andere manier het engagement en de verbintenis van mijn leven mede aan haar te danken…
Ze is er dus wel altijd – soms op de voorgrond, soms eerder op de achtergrond; we zijn hoe dan ook familie van mekaar en zitten dus voor altijd aan elkaar vast… Dus moeten we er het beste van maken, in goede en kwade dagen…
Ik heb haar nodig; af en toe komt ze ‘goed van pas’ als hulp, als raadgeefster, als wijze en bezorgde (overbezorgde?) oudere vrouw. En tegelijk vind ik dat ze zich niet te veel moet moeien…
Er worden nogal wat grappen over haar gemaakt, en – al of niet terechte – karikaturale verhalen doen over haar de ronde. Ze gaat over de tong aan de toog en in het kapperssalon; ze figureert regelmatig in de kluchtjes op De Druivelaar…
En inderdaad: onze (schoon)moeder de Kerk heeft koorts, de laatste tijd. Dat is het minste wat je kan zeggen. Het is niet makkelijk om de diagnose te stellen van wat er scheelt – en het is nog moeilijker om meteen een goeie remedie te vinden. Maar hoe dan ook: ‘koorts’ is altijd een symptoom-aan-de-buitenkant van het feit dat er binnenin iets misloopt, iets aan het broeden is…
Misschien zijn deze eerste, simpele raadgevingen voor een kind dat koorts heeft, toch al wat bruikbaar:
Zorgen voor lichte, luchtige kledij… Dus: her en der wat ‘ont-mantelen’, de beknelling van structuren en instituties wat los proberen te maken; vrij-spreken en vrij-maken van allerlei versmachtende en toedekkende zaken…
En vèèl drinken – weer zoeken naar de Bron…
Een aantal stukjes commentaar, haast vers per vers:
Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes.’ (Mc. 1,29)
Heel mooi is de manier waarop Marcus dit evangelieverhaal begint: ‘En direct, uitgaande uit de synagoge, gingen zij in het huis van Simon en Andreas…’ Uitgaande, gingen zij in’… - en dat ‘rechtstreeks’. Synagoge en huis, kerk en wereld, heilig en gewoon liggen hier blijkbaar heel dicht bij elkaar. Het zijn geen tegenstellingen, want er is een directe overgang mogelijk van het ene naar het andere. ‘Zondag’ en ‘maandag’ komen vlak na elkaar. Godsdienst en mensendienst zijn twee aspecten van het ene bestaan…
‘Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar’(Mc. 1,30)
Misschien is het wel waar, of toch zeer waarschijnlijk, dat de schoonmoeder van Simon die koorts gekregen had, omdat de hele kostwinning van haar huishouden brutaal was gestopt toen Simon en Andreas het vissen hadden opgegeven om ‘mensenvissers’ te worden, in het spoor van die nieuwe profeet uit Nazareth…
In elk geval was er op die sabbatsmorgen een acuut probleem in dat huis, want koorts zorgt er hoe dan ook voor dat een mens zijn kracht verliest – je wordt slap, onmachtig, je ijlt en maalt, en je bent niet meer in staat te doen wat moet in huis, en er te zijn voor de ander.
KOORTS
Je hebt het warm en koud tegelijk.
Je wil mensen om je heen
en tegelijk kan je ze niet verdragen.
Je hebt alles, niets tekort,
en toch voel je je niet goed in je vel
en je weet niet hoe dat komt
en wat de reden is.
Koorts beheerst ons leven
drijft en verlamt ons
in duizend vormen:
de koorts van het grote Nooit Genoeg
die ons opjaagt naar altijd meer;
de koorts van het wantrouwen
en de angst die ons is aangepraat
en ons opsluit in onszelf;
de koorts van wrok en haat
die ons zicht op de medemensen vertroebelt.
Bid dat de koorts van ons mag wijken
die ons verhindert om naar mensen toe te gaan,
en ons belet onszelf te zijn.
En dat wij ons laten raken door die Ene
die ons bij de hand neemt
en doet opstaan
om dienende mensen te worden.
Er zijn voor anderen geneest.
- federatie St.-Andries-St.-Michiels-Brugge * Carlos Desoete * bij de 5e zdj – B -
Marcus 1, 29-39
‘Hij ging naar haar toe…’ (Mc. 1,31)
In Kafarnaüm heeft Jezus op sabbat de dienst in de synagoge op stelten gezet door een hand uit te steken naar ‘een mens met een bezeten geest’ (Mc. 1,23). Na die sabbat-schending overtreedt hij nu de ene regel na de andere in de woning van Simons schoonmoeder. Hij gaat zomaar het vrouwenvertrek binnen, hij raakt de vrouw aan en haalt haar uit haar bed en hij doet dat nota bene op sabbat! Jezus doorbreekt hier meteen een reeks taboes. Het gebeurt op sabbat – dat eerst en vooral! En hij gaat als man zomaar het vrouwenvertrek, de slaapkamer van een vrouw binnen. Hij raakt een zieke aan. Dat maakt je meteen onrein.
Maar Jezus doorbreekt het isolement van de vrouw, hij doorbreekt de vooroordelen van maatschappij en religie, en daarmee is de demonie die in haar huist en op haar rust meteen ontwapend. De vrouw ‘staat op’, en gaat zorgen voor de mannen. De eerste vrouw die toetreedt tot de Jezusbeweging. De zinloos verharde regels en veroordelingen van het heersende Joods-godsdienstige regime zijn van haar afgevallen. De Jezusbeweging is daarmee voorgoed bekend en getekend. Gauw zal er een menigte zijn die op de been komt omwille van Jezus. Het leergezag, de schriftgeleerden en religieuze leiders zullen die ‘bevrijder’ gauw ter verantwoording roepen…
‘…pakte haar hand vast, en hielp haar overeind…’ (Mc. 1,31)
Jezus kwam naderbij, totdat hij zo dicht bij de vrouw was gekomen dat er voor de
koorts geen plaats meer was. ‘Hij vatte haar hand en wekte haar op’. Alsof ze dood
was. En zij stond op. Een wedergeboorte is dit. De koorts, de kramp en de kwaadheid,
ze kon het allemaal laten varen.
Kijk goed wat Jezus doet. Hij pakt de vrouw meteen bij de hand, bij de pols, en trekt haar overeind. Zoals op de bekende paasicoon, waar je ziet hoe Jezus ter helle afdaalt en Adam/De mens bij de pols pakt, de plek waar de levensslagader best te voelen is. Zoals op het bekende schilderij van Michel Angelo over de schepping: God zelf en Adam, met twee vingertoppen elkaar rakelings nabij komend. Als een volleerde trapezist doet hij dat: hij wekt haar weer tot leven. Een opstandingsverhaal, een paasicoon dus reeds van bij het begin van het Marcusevangelie: Jezus laat haar, deed haar ‘opstaan’, staat er… met het geijkte paas-werkwoord…
Het evangelie zegt alleen maar dit: dat er iemand naar haar toekwam, die haar aanraakte, die kennelijk niet in haar probleem geïnteresseerd was, maar in haar. Let wel: er staat niet letterlijk dat Jezus ‘genas’, als een grote mirakelman, een soort van tovenaar. Er staat in het grieks: ‘therapeuein’; hij verzorgde, hij hielp. En precies dat werkt genezend. Hij zorgde voor mensen – en zo zorgden een aantal vrouwen voor hem, zegt het evangelie verder op. Hij en zij, de heel-meester en de leerlingen worden straks verwisselbaar. En de schoonmoeder van Simon/Petrus wordt straks in haar zorgend bezig zijn voor hem de ‘primus inter pares’ van de zorgende vrouwen om hem heen.
‘Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.’ (Mc. 1,31)
Oproep tot opstanding, vandaag, nu, ‘terstond’…
En hij liet haar vervolgens opstaan. ‘Terstond’, onmiddellijk stond zij op en begon te dienen. ‘Opstaan’ en ‘dienen’ (‘tot je dienst’ – ‘als de Kerk niet dient, dient ze tot niets’, zegt Mgr. Jacques Gaillot van Partenia…) is altijd ‘nu’, altijd zeer actueel en ‘terstond’ bij Marcus.
‘Opstaan’ en ‘dienen’. Dat is, als we de evangelist mogen geloven, waartoe volgelingen van Jezus, zowel mannen als vrouwen, tot op vandaag worden geroepen. Vertelde Marcus hiervóór dat de hemelse engelen Jezus dienden, nu ziet hij die taak op aarde voor Simons schoonmoeder - en dus voor onze (schoon)moeder de Kerk - en dus ook voor ons – weggelegd…
Opstaan moet je zelf doen. Wat goed dat zij dat dan ook ‘terstond’ dééd, en dat ‘opstaan meteen concreet maakte door aan het bedienen te slaan. Let wel: het is niet zo dat zij daarmee in de oude patronen van ‘de moeder aan de haard’ terugviel. Opgestaan is opgestaan. Zij wisselde haar vroegere afgedwongen dienstbaarheid nu in voor een vrij gekozen dienen. Zij werd door Jezus, de verlosser, bevrijd, zij werd iemand, werd eindelijk een mens om mens te zijn. Eigenlijk had de evangelist haar nu nog een naam moeten geven; een eigennaam, een roep-naam, als teken van eigenheid, als bezegeling van haar gewonnen vrijheid. Jammer dat Marcus dat niet deed. Maar misschien juist ook goed: nu kan zij vanuit het verhaal nog altijd iederéén zijn, jij en ik, alle mensen die door Jezus zijn aangeraakt en gegrepen – onze hele (schoon)moeder de Heilige Kerk, dus…
“’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe; alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was.” (Mc. 1, 32-34)
De hele stad dromt samen voor de deur. Alle armen uit de stad en de omgeving maken zich, als men het Griekse woord overneemt, tot ‘synagoge’ – een huis, een gemeenschap waar mensen samenkomen. Van (schoon)moeder de Kerk via de armen tot heel de stad en de maatschappij. Van ‘Kerk tot ‘Rijk Gods’ dus – waarbij die Kerk enkel maar ‘instrument’ en ‘middel’ is tot genezing en heelmaking – geen doel op zich… Velen worden genezen. En die genezing en heelmaking verlopen altijd via de ‘diaconie’, de dienst-aan-de-mensen… Maar het is op die ‘gemeenschap’, dat verzamelen van mensen door middel van zijn verkondiging, dat Hij uit is (Mc. 1,8).
Als het goed zit genezen mensen dan elkaar, zonder de magie van de religieuze praktijken uit de tempel, zonder de hogepriesters van de religie. Zij reiken elkaar de hand, stromen van scheppings- en opstandingskracht gaan over en weer, zodat de koorts wel wijken moet. Sabbat wordt Bevrijdingsdag, dag bij uitstek van menselijkheid…
‘Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.’ (Mc. 1,35)
Maar dan wordt het nacht en stil. Jezus gaat naar buiten om te bidden.
Bidden is je afvragen wat je moet doen. In het perspectief van Zijn koninkrijk gaan
staan, een wereld waar brood en liefde is voor allen. Jezelf tegen het licht houden van
‘recht en ontferming’; je openen voor het toekomstvisioen van die God die rusteloos
op zoek is naar mensen die willen zeggen: ‘Ik zal borg staan’, ‘Hier ben ik…’ Bidden
is smeken: ‘Verhaast de dag van Uw gerechtigheid’. Bidden is kracht verzamelen om
te doen wat moet. Oefening in concentratie. En je beschikbaar stellen om mee
te doen in elk nieuw begin.
Bidden is niet een privé-vragenlijstje indienen bij de Grote Ombudsman die het wel
voor jou zal oplossen. Veeleer is het: op het spoor komen van wat je moet doen,
inzicht ontvangen in de manier waarop je dat kan doen, en kracht krijgen om het in
daden om te zetten.
‘Alleen nog maar om tot rust te komen en je prioriteiten helder te krijgen, is stilte
onnoemelijk belangrijk. In een stad als Bombay leer je evenwel dat stilte meer is dan
alleen de afwezigheid van lawaai. Stilte is een ruimte in jezelf…’ (Zuster Jeanne
Devos in Kerk & Leven – 1 febr. 2012)
Dan zal toch bij Hem die vraag naar boven zijn gekomen: is dit de weg? Slechts een
fractie van al die miljoenen kan Ik helpen. En hoe is het gesteld met de mensen verder
weg? En met al die mensen, die straks na Mij zullen leven? De uitkomst van dit gebed,
zijn meditatie, kennen we. Wanneer de apostelen Hem ‘s morgens willen terughalen,
weigert Hij. “Laat ons naar elders gaan, want Ik ben geroepen om het evangelie te
verkondigen van het Rijk van God.” Ik versta dit zo: het gaat om een betere wereld,
waarin alle mensen gelukkig zijn en niet slechts enkelen bevoorrecht worden. Daarom
moet je mensen toerusten met zoveel kracht dat ze zelf de handen uit de mouwen
steken. Je moet de mensheid een weg tonen die voert tot meer geluk voor allen. Je
moet de mensen toerusten met heilige Geest, zodat zij kunnen omgaan met hun lief en
leed, staande kunnen blijven in de beproeving.
Midden in de nacht staat Jezus op. Met alweer dat verrijzeniswerkwoord ‘opstaan’. Hij laat de stad achter zich en gaat naar een eenzame plaats. Alleen met zichzelf en met zijn God wil Hij nieuwe kracht vergaren. Hij bidt…
Ik moet in dit verband denken aan beelden uit Mozambique in Afrika, die op mijn netvlies zijn gebrand. Ik bezocht daar verscheidene ziekenhuizen waar mensen van Artsen zonder Grenzen, werkzaam waren, en mocht gesprekken voeren met die mensen over hun werk. En ik zag dagelijks de lange rijen zieken op zoek naar gezondheid. “Ze komen aan de voordeur ziek binnen. Ze verlaten ons door de achterdeur, maar ze kunnen onmiddellijk voor weer aansluiten, want heel hun leefwereld is ziekmakend. Hun water, hun voedsel, hun hygiëne, hun woonsituatie. De structuur van dit land deugt niet,” zeiden mijn gesprekspartners. “Wat wij nodig hebben zijn voorlichtingsprogramma’s en preventie.” Ik hoor daarin dezelfde zorg. Het Koninkrijk Gods preken is mensen vertellen, hoe ze AIDS kunnen voorkomen, lepra, cholera, hoe zij met voedsel, water, anticonceptie, condooms..; moeten omgaan. Hoe ze aan medicatie kunnen geraken, en hoe ze daar dan weer zorgvuldig moeten mee omspringen. Het Rijk Gods preken is een mentaliteit proberen te veranderen, mensen versterken, zodat ze kunnen aanpakken en opgewassen zijn tegen de hopeloosheid van al die armoede en ziekte.
Zo schildert Marcus ons Jezus van in het begin (en dus ‘in begin-sel) als Eén die leert
met gezag, als Eén die heelt en als Eén die bidt. Een Mens die God en zijn naaste
liefheeft met hoofd en hand en hart…
‘Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’
In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit.’ (Mc. 1, 36-39)
‘Iedereen is naar je op zoek…’ zeggen de leerlingen hem. Maar Jezus zegt: ‘Laten we ergens anders heengaan, om ook in andere dorpen het goede nieuws te brengen.’ Hij blijft trouw aan zijn opdracht: ‘daarvoor ben ik immers op weg gegaan. En dus gaat Hij uit naar heel Galilea, met de bedoeling dat heel dat ‘land van de heidenen’ op de duur vol zou zijn met ‘synagogen’, met gemeenschappen van mensen die met en voor elkaar genezend en heelmakend zijn… ‘Kerk als ‘Kafarnaüm’ – ‘Dorp van de Troost’…
Zeker volgens het evangelie van Marcus is Jezus een ‘voorbijganger’, een ‘passant’, een ‘pascha-pesach-man’ Hij heeft aan de bewoners van Kafarnaüm even laten zien hoe ze met elkaar moeten omgaan, en hoe ze met elkaar ‘Kerk kunnen maken’. Dat is voorlopig genoeg. De rest zullen ze zelf moeten zien te doen, met en voor elkaar. Maar altijd in zijn Geest…
Zo is dat: de ‘pastor’ is in de Kerk de ‘voorbijganger’. De ‘diaken’ blijft en zet de opbouw van de gemeenschap verder.
Hij is ook beducht voor het gevaar dat de mensen zich aan hem gaan vastklampen, dat het een hysterische bedoening wordt, daar in dat huis van Kafarnaüm. Dan zou het omgekeerde gebeuren van wat hij voorheeft: hij wil de mensen zelfstandig maken en emanciperen, vrij van en vrij voor, in plaats van opnieuw afhankelijk en ziekmakend-gebonden aan hem…Geloof en kerk moeten verlossend spreken en werken, emanciperend en bevrijdend. Anders zijn wij niet bezig in de geest van het evangelie…
Epiloog: wat hebben we vandaag geleerd..?
Wat heeft zo’n verhaal van tweeduizend jaar geleden ons vandaag nog te zeggen? Voor wat betreft onszelf, persoonlijk, als leerling van Jezus? En voor wat betreft onze (schoon)moeder de heilige Kerk?
Wonderlijk veel, eigenlijk. Alleen al wanneer we denken aan het werk dat ons in parochies, federaties, pastorale eenheden, kerkgemeenschappen overal te lande… dringend te wachten staat…
Het gaat in dit genezingsverhaal uit het eerste hoofdstuk van Marcus en in de passage vlak ervoor over ‘leren-met-gezag’, over ‘opstaan en dienen’, en over ‘gemeenschapsopbouw’.
‘Leren-met-gezag’…
Er zijn ook op vandaag, in onze Kerk en daarbuiten, veel leraren die ‘leren’ in het ‘Galilea-der-heidenen’. Zij kennen de wet vanbuiten en vanbinnen, maar het is niet doorlèèfd. Het blijft afstandelijk en theoretisch-theologisch, redenerend en filosoferend. Jezus echter stapt direct over de drempels heen naar mensen toe. Hij komt naderbij, raakt aan, pakt vast. Zijn spreken en handelen komt mensen en hun (moeilijke, ziekmakende) leven rakelings nabij. Geen afstand tussen ‘ortho-doxie’ en ‘ortho-praxie’.
Ook in onze gemeenschappen is grote nood aan voorgangers en catecheten, kerkleiders, leraren en animatoren, beroepskrachten en vrijwilligers, die mensen en hun leven rakelings nabij willen en durven komen. Wie vanuit het leven en vanuit zijn eigen beleving spreekt, raakt de mensen. Als je maar authentiek bent, en dat is Jezus van meet af aan ten voeten uit. Hoe authentiek zijn wij als kerkmensen? Het is een zoeken en groeien, maar in onze authenticiteit ligt de grootste kracht van het ‘leraar-zijn’.
‘Opstaan en dienen’…
Het eerste wat onze (schoon)moeder de Kerk op-nieuw zal ontdekken wanneer ze door Jezus en het evangelie is aangeraakt, zich door Hem bij de hand heeft laten nemen en uit haar koortsaanvallen is ‘opgestaan’, is: dat ze aan ‘diaconie’ moet doen – dat ze haar ‘vrouwelijke’ kant het eerst en het meest aan de wereld moet laten zien… (en dus kan men maar beter ook een aantal vrouwen meteen toelaten tot het ambt, ze toerusten en wijden - op zijn minst al voor het ‘diaken’ zijn…
‘Leren’ staat nooit op zichzelf, maar is in het evangelie altijd direct verbonden met ‘dienen’, met ‘diaconie’. Jezus verlaat de synagoge van Kafarnaüm met de vier leerlingen die hij kort daarvoor geroepen heeft: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes – zijn eerste vier ‘seminaristen’… Hij laat hen hier duidelijk hun eerste pastorale stage doorlopen, een hele dag
lang. De leerlingen overbruggen de afstand van de synagoge naar het huis van Simon. ‘terstond’ vertellen ze hem over haar, en zo effenen zij voor hem de weg. Zij vertellen over een zieke, en Jezus luistert. Zo kan het gaan, dus: mensen geven door dat er iemand ziek is. Als het niet wordt doorgegeven, weten we er niet van. Maar dan nog moet je ook in beweging komen en naar die zieke toe gaan. Het blijkt de schoonmoeder van Simon te zijn, die ziek te bed ligt. Simon heeft op dat moment nog niet de naam ‘Petrus’ gekregen, maar het verhaal is bekend als ‘de genezing van de schoonmoeder van Petrus’.
Jezus neemt Simons schoonmoeder bij de hand en geneest haar van de koorts, zodat ze kan ‘dienen’ (Mc. 1,31). De opgestane vrouw gaat meteen na haar genezing ‘diaconieën’. Het Griekse woord dat er staat is het geijkte woord voor ‘diaconie’ in de Kerk: ‘diakonein’. Onze (schoon)moeder de Kerk gaat zorgen en dienen. ‘Zorgen’ is vragen: Hoe gaat het met je? En ‘dienen’ is vragen: ‘Wat kan ik voor je doen?’…
Zij bediende hen…’, staat er. ‘Hen’ staat er wel degelijk – in de lijn van het verhaal zou je nu niet ‘hen’ (de leerlingen), maar slechts ‘hem’ (Jezus) verwachten. Een vrouw die haar genezer dankt met een voortreffelijke maaltijd – zo hoort het toch? Lukas (8,3) herhaalt in een vergelijkbare samenhang de woorden over vrouwen: ‘Zij dienden hen’, aangevuld met ‘uit eigen middelen’. Het zou best kunnen zijn dat Simon en zijn gezin inwonend waren bij zijn schoonmoeder en dat zij, zoals meer vrouwen rondom Jezus en zijn leerlingen, de Jezusbeweging met voedsel of geld ondersteunden bij gebrek aan inkomsten op hun tochten. Mogen we deze vrouw als ‘eerste diaken’ zien, of beter: als een voorafschaduwing van wat later diakens en diaconessen eeuwenlang in de Kerk zouden doen?
Niet omdat ‘dienen’ een vrouwentaak zou zijn, maar omdat ‘dienen’ de nieuwe levenshouding is die Jezus van vrouwen en mannen bij uitstek vraagt in zijn nieuwe gemeenschappen. De pas genezen vrouw doet met dat ‘diaconieën’, dat ‘zorgen en dienen’ precies hetzelfde als wat de engelen in de woestijn deden toen Jezus daar na zijn doop veertig dagen lang verbleef (Marcus 1,12). ‘En de ebgelen zorgen voor hem, en stonden hem ten dienste’. Het verhaal van kerk-en-gemeenschap-maken gaat dus consequent door. Van de hemel uit beginnend, naar de aarde toe – met de bedoeling dat op de duur de hele aarde één groot ‘Dorp van troost’ zou worden, het zogenaamde ‘Rijk Gods’ overal gevestigd…
‘Gemeenschapsopbouw’…
Marcus schrijft zijn verhaal wanneer de eerste huisgemeenten zich reeds hebben gevormd. Mensen komen samen in de huizen van volgelingen van Jezus, om Hem te gedenken, om samen te vieren, het brood ter gedachtenis aan Hem te breken en te delen. Vrouwen speelden daar van meet af aan een beslissende rol in, in dat gemeenschapsgebeuren. Misschien wil met dit kortverhaal over de genezing en opstanding van de schoonmoeder van Simon/Petrus gezegd zijn dat ook zij een leidersrol heeft opgenomen om in Kafarnaüm een open huis te zijn voor de kerkmensen, de gemeenschap aldaar. Zij zullen in elk geval het huis weten te vinden, van zodra het goede nieuws bekend wordt dat daar genezing en heelmaking te vinden is. Heel de stad zal uitlopen, met de armsten en zwaksten eerst. Op zoek naar bevrijding…
Ik putte voor dit laatste stukje nogal wat inspiratie uit een preekcommentaar op dit evangelie van Nel Hogervorst-Van Kampen, parochiepastor, in KERUGMA, jg. 49 nr. 1, 2005/2006.
Voorbeden
God, wij bidden U
voor allen die ziek zijn:
dat hun klagen gehoord mag worden,
dat er mensen zijn
die aandacht en zorg voor hen hebben,
die hun de helpende hand reiken.
Dat wij die mensen zijn.
Laat ons bidden.
Voor mensen die geen uitweg weten,
die ten einde raad zijn en de wanhoop nabij,
mensen die lamgeslagen zijn:
dat er mensen op hun weg komen
die hen doen opstaan.
Dat wij die mensen zijn.
Laat ons bidden.
Voor onze plaatselijke kerkgemeenschap:
dat we een levende gemeenschap mogen zijn,
waarin leren-met-gezag, zorgen en dienen
voldoende aan bod komen.
Dat we elkaar aanvoelen en aanvullen,
aanvuren en inspireren.
Dat het ons is aan te zien
dat we volgelingen van Jezus zijn,
vandaag en alle dagen van ons leven.
Laat ons bidden.
Geert Dedecker
Dienst Diaconie bisdom Brugge