Dag iedereen,
me welbewust van het gevaar dat het algauw van het goede(???) teveel wordt, stuur ik toch nog even de teksten door en de toespraak die ik klaarmaakte voor de vieringen van het komende weekend in de gevangenis PCB Brugge. Wie de ‘zending’ van vorige zaterdag over ‘de genezing van de schoonmoeder van Petrus’ grondig heeft nagelezen, zal merken dat ik daar voor mijn toespraak haast niets uit gebruikt heb. Bij nader toezien zou dit veel te zware exegetische kost zijn voor de mensen in detentie, vrees ik - en vooral: het zou te ver van hun leven staan, hen niet echt bereiken of aanspreken…
Dus heb ik het toch nog over een andere boeg gegooid: ik heb me proberen te ‘beperken’ tot een antwoord op deze vragen: ‘Wat is de bedoeling en de betekenis van zulke ‘wonderverhalen’ in het evangelie?’ En: ‘Welke boodschap zit er in voor jullie, mensen in detentie die week na week komen luisteren naar deze verhalen, die er mee bidden en er bij mediteren..?’
In bijlage een verhaal en een stuk ‘catechese’ over de wonderverhalen in het evangelie. Zoals gewoonlijk ook vertaald in het Frans en Engels.
Wie weet maakt iemand daar nog in extremis wat gebruik van. In elk geval: alles mag vrijuit gedeeld en gebruikt worden…
Met hartelijke groet - in verbondenheid,
geert dedecker
Viering PCB Brugge
5° Zondag door het jaar-B, 3-4 februari 2024
toespraak
HET ZIEKENHUISVENSTER
Twee mannen, beiden ernstig ziek, lagen samen in dezelfde kamer in een ziekenhuis. Een van hen mocht elke namiddag een uurtje rechtop zitten in z’n bed, om beter te kunnen ademen en zijn longen wat vrij te maken van de bevangenheid.
Zijn bed stond pal naast het enige venster in de kamer. De andere man naast hem moest noodgedwongen hele dagen plat op zijn rug blijven liggen. De mannen praatten eindeloze uren met elkaar, over hun vrouw en kinderen, hun families, hun thuis, hun werk, en waar ze in betere tijden op vakantie waren geweest…
Na een tijd begon de man die naast het venster een uur rechtop mocht zitten, aan zijn kamergenoot alle dingen te beschrijven die hij door het venster zag. De man in het andere bed begon naar dit dagelijks uurtje toe te leven. Dan werd zijn leefwereld telkens weer een stukje vergroot met de kleurige beschrijving die de andere man gaf van alles wat hij buiten zag.
En terwijl de man bij het venster alles wat hij zag uitvoerig aan zijn buurman vertelde, sloot die zijn ogen en begon zich alles voor de geest te halen wat hij zijn buurman hoorde vertellen.
Zo gingen er dagen en weken voorbij. Op een morgen, toen de verpleegster kwam om hen beiden een wasbeurt te geven, vond ze het levenloze lichaam van de man die aan het venster lag. Hij was vredig in zijn slaap gestorven. De buurman ernaast was zeer aangeslagen, en nadat hij de dood van zijn kamergenoot een beetje had verwerkt, vroeg hij of hij nu niet in de kamer het bed aan het venster kon krijgen. De verpleegster stemde toe, en nadat hij van plaats was verwisseld en alles in orde was, liet de verpleegster de man alleen. Langzaam, met zeer veel pijn en moeite, duwde hij zich steunend op zijn ellebogen recht in zijn bed, om door het venster een blik te kunnen werpen op de wereld buiten.
Maar het enige wat hij door het venster zag was een witgeverfde, blinde muur. Ontgoocheld en kwaad belde hij de verpleegster om te vragen wat zijn overleden kamergenoot toch kon bezield hebben om de hele tijd al die dingen aan hem te vertellen die er in feite helemaal niet waren en die hij alleszins niet kon zien?
Tot zijn verbazing antwoordde de verpleegster dat de overleden man altijd een heel hoopvolle en positief ingestelde man was geweest. ‘En misschien,’ zei ze, ‘…dat hij zich dààrom al die prachtige dingen in zijn verbeelding kon voorstellen, en er zo enthousiast kon over vertellen. Misschien wou hij jou alleen maar wat moed geven om verder te leven’, zei ze met een vriendelijke glimlach.
De zieke man was ontroerd. Hij viel na een tijdje rustig in slaap en begon te dromen van een wondermooi groen park achter de blinde witte muur, met een vijver erin, en overal daar omheen spelende kinderen en dobberende witte zwanen. En op de duur werd hij zienderogen beter. En de dokters die hem behandelden zeiden: het was vooral de hoop op een andere, veel mooiere wereld die hij in zijn verbeelding bleef koesteren, die hem beter en sterker had gemaakt…
In de vier evangelies staan welgeteld drieëntwintig verhalen over genezingen en opwekkingen uit de dood. De ‘wonderen’ van Jezus – zo worden die teksten meestal betiteld. Maar dat woord ‘wonder’ komt nergens in de evangelies voor. Het gaat veeleer om’ tekenen’, signalen en flitsen van een nieuwe wereld die doorbreekt. Berichten over het Rijk Gods dat nabij is. In al die verhalen gaat het niet zozeer over ‘spectaculaire magische tovertrucs’, maar veeleer over ‘wonderen van goedheid’ die gebeuren, een ‘explosie van menselijkheid’. Liefde en zorg, geconcentreerd in woorden en symbolen, oneindig mededeelbaar en steeds weer voor herhaling vatbaar.
De (Paas)man van Nazareth reikt in schijnbaar uitzichtloze situaties mogelijkheden aan om verder te gaan, ondanks alles… Hij geeft de blinde inzicht, doorzicht en uitzicht. Hij geeft liefde en leven in overvloed. Geconcentreerd in één gebaar, een enkel woord, een tedere blik. Oneindig deelbaar. En Hij ‘ont-dekt’ mogelijkheden in mensen die er misschien in aanleg altijd al waren, maar die sluimerden en lagen te slapen, of die bedolven waren onder grote hopen puin. Hij geneest door te verbinden, gaat met gekwetste mensen een nieuwe verbintenis aan, plaatst hen in een groter verband. Hij kan blijkbaar zo dicht bij mensen aanwezig zijn dat in Zijn nabijheid helpende en helende, ja ‘goddelijke’ krachten in hen naar boven kunnen komen. In de intense ontmoeting met Hem voelen mensen zich opleven. En daardoor kunnen zij de uitdaging van het leven opnieuw of weer beter aan.
Voor Jezus ‘bestààt’ God niet. Hij gebèùrt. Bijvoorbeeld in de kwetsbare ontmoeting tussen mensen. God gebeurt waar tederheid en mededogen, mildheid en respect, verzet en overgave aan de orde zijn. Waar een mens opnieuw of voor het eerst helemaal zichzelf mag zijn, kwetsbaar en naakt, gekwetst en zorgbehoevend, vol schuldgevoelens misschien en kapot van wanhoop en verdriet. God gebeurt waar mensen opnieuw toekomst krijgen en perspectief.
Al die wonderverhalen, die prachtige stukken vertelkunst, zou ik zeker niet uit de Bijbel willen schrappen. Ze brengen ons als het ware telkens weer bij dat ‘ziekenhuisvenster’ waarvan in bovenstaand verhaal sprake is. Ze helpen ons om – tenminste al even in onze verbeelding – een signaal te zien van een andere wereld, aan de overkant van die fameuze witgeschilderde blinde muur waar we ons heelder dagen (en nachten!) op verkijken, hier in de gevangenis.
En alleen al daarom is het goed en zinvol dat wij hier telkens weer op zaterdag of zondag even een uurtje in de kapel samen zijn. Om even rechtop te gaan zitten, desnoods steunend op onze ellebogen. Om naar adem te happen en onze longen lucht te geven. En om onze verbeelding te blijven voeden aan de liederen die hier gezongen worden, de teksten en gebeden die we mogen horen. En om zo te kunnen blijven geloven: er is een andere wereld mogelijk, er is een toekomst aan de overkant, er is altijd voor iedereen de kans op een nieuw begin…
Eén van de mooiste uitspraken over de wonderen van Jezus is die van een moslim. Djalaladdin Rumi, een grote Turkse mysticus en dichter uit de dertiende eeuw heeft ooit gezegd: ‘Als iemand je vraagt: ‘Hoe heeft Jezus de doden weer tot leven gewekt?’, breng hem dan naar mij – ik zal het je laten zien. Ik zal die vraagsteller een tedere kus geven en zeggen: ‘Zo!’…
LA FENÊTRE DE L’HÔPITAL
Dans un hôpital, deux hommes gravement malades partagent la même chambre. L’un d’eux était autorisé à s’asseoir debout dans son lit pendant une heure chaque après-midi, pour mieux respirer et dégager un peu ses poumons de l’ivresse.
Son lit se trouvait juste à côté de la seule fenêtre de la chambre. L’autre homme à côté de lui était contraint de passer des journées entières allongé sur le dos. Les hommes parlaient entre eux pendant des heures interminables, de leurs femmes et de leurs enfants, de leurs familles, de leurs maisons, de leurs emplois, et des endroits où ils étaient allés en vacances en des temps meilleurs….
Au bout d’un moment, l’homme qui avait été autorisé à s’asseoir debout près de la fenêtre pendant une heure a commencé à décrire à son compagnon de chambre tout ce qu’il voyait par la fenêtre. L’homme dans l’autre lit commença à vivre en fonction de cette heure quotidienne. Son univers de vie s’élargissait chaque fois un peu plus grâce à la description colorée que l’autre homme faisait de tout ce qu’il voyait à l’extérieur.
Et tandis que l’homme à la fenêtre racontait longuement à son voisin tout ce qu’il voyait, ce dernier fermait les yeux et commençait à se remémorer tout ce qu’il avait entendu son voisin lui raconter.
Les jours et les semaines passèrent ainsi. Un matin, lorsque l’infirmière est venue faire leur toilette, elle a trouvé le corps sans vie de l’homme à la fenêtre. Il était mort paisiblement dans son sommeil. Le voisin d’à côté était très affligé et, après avoir un peu digéré la mort de son compagnon de chambre, il demanda s’il ne pouvait pas avoir le lit de la fenêtre dans la chambre. L’infirmière a accepté, et après qu’il ait changé de place et que tout soit rentré dans l’ordre, l’infirmière a laissé l’homme seul. Lentement, avec beaucoup de peine et d’efforts, il s’est enfoncé dans son lit, en s’appuyant sur ses coudes, pour pouvoir apercevoir le monde extérieur à travers la fenêtre.
Mais tout ce qu’il voyait à travers la fenêtre, c’était un mur blanc peint en blanc. Tout déçu et en colère, il a appelé l’infirmière pour lui demander ce qui avait bien pu pousser son défunt colocataire à lui dire tout le temps toutes ces choses qui n’étaient en fait pas du tout là et qu’il ne voyait pas du tout.
À sa grande surprise, l’infirmière lui a répondu que le défunt avait toujours été une personne très optimiste et positive. C’est peut-être pour cela qu’il imaginait toutes ces choses merveilleuses dans son imagination et qu’il vous en parlait avec tant d’enthousiasme. Peut-être voulait-il simplement vous donner le courage de continuer à vivre", dit-elle avec un sourire amical.
Le malade est ému. Il s’endormit paisiblement au bout d’un moment et se mit à rêver d’un magnifique parc verdoyant derrière le mur blanc aveugle, avec un étang, des enfants qui jouaient et des cygnes blancs qui se balançaient tout autour. Avec le temps, il s’est visiblement senti mieux. Et selon les médecins qui l’ont soigné, c’est surtout l’espoir d’un autre monde, beaucoup plus beau, qu’il a continué à chérir dans son imagination, qui l’a rendu meilleur et plus fort…
Les quatre évangiles contiennent vingt-trois récits de guérisons et de résurrections. Les ‘miracles’ de Jésus - c’est ainsi qu’on appelle généralement ces textes. Mais le mot ‘miracle’ n’apparaît nulle part dans les évangiles. Il s’agit plutôt de ‘signes’, de signaux et d’éclairs d’un monde nouveau en train de percer. Des messages sur le Royaume de Dieu qui est proche. Tous ces récits ne parlent pas de ‘trucs de magie spectaculaires’, mais plutôt de ‘miracles de bonté’, d’une ‘explosion d’humanité’. L’amour et l’attention, concentrés dans des mots et des symboles, infiniment communicables et toujours répétables.
Dans des situations apparemment sans espoir, l’Homme (Pascal) de Nazareth tend la main en offrant des possibilités de continuer, malgré tout… Il donne à l’aveugle une vision, un regard et une vue. Il donne l’amour et la vie en abondance. Concentrés dans un seul geste, une seule parole, un regard tendre. Partageable à l’infini. Et Il ‘débloque’ chez des personnes des possibilités qui auraient pu être là depuis toujours, mais qui sommeillaient et dormaient, ou qui étaient ensevelies sous de grands amas de décombres. Il guérit en se connectant avec les personnes blessées, en les plaçant dans un contexte plus large. Apparemment, il peut être si proche des gens qu’en Sa présence, des pouvoirs d’aide et de guérison, voire des pouvoirs ‘divins’, peuvent émerger en eux. Dans la rencontre intense avec Lui, les gens se sentent revivre. Cela leur permet de relever à nouveau les défis de la vie, voire de les améliorer.
Pour Jésus, Dieu n’existe pas. Il est toujours en train de se réaliser. Par exemple, dans la rencontre vulnérable entre les personnes. Dieu apparaît là où il y a de la tendresse et de la compassion, de la douceur et du respect, de la résistance et de l’abandon. Là où les gens sont autorisés à être complètement eux-mêmes à nouveau ou pour la première fois, vulnérables et nus, blessés et ayant besoin de soins, pleins de culpabilité peut-être et brisés par le désespoir et la tristesse. Dieu se réalise là où les gens retrouvent un avenir et une perspective.
Tous ces récits de miracles, ces merveilleuses histoires, moi je ne voudrais certainement pas les supprimer de la Bible. Ils nous amènent, pour ainsi dire, à cette ‘fenêtre de l’hôpital’ mentionnée dans l’histoire ci-dessus, encore et encore. Ils nous aident à voir - au moins dans notre imagination - un signal d’un autre monde, de l’autre côté de ce fameux mur aveugle peint en blanc que nous passons des jours (et des nuits !) à regarder, ici, en prison.
Et pour cette seule raison, il est bon et significatif que chaque samedi ou dimanche nous soyons ici ensemble pendant une heure dans la chapelle. Pour nous asseoir droit pendant un moment, en nous appuyant sur nos coudes si nécessaire. Pour respirer et donner de l’air à nos poumons. Et pour continuer à nourrir notre imagination des chants qui sont chantés ici, des textes et des prières que nous pouvons entendre. Et pour continuer à croire: un autre monde est possible, il y a un avenir de l’autre côté, il y a toujours pour chacun la chance d’un nouveau commencement…
L’une des plus belles paroles sur les miracles de Jésus est celle d’un musulman. Djalaladdin Rumi, un grand mystique et poète Turc du 13e siècle, a dit un jour: “Si quelqu’un te demande: “Comment Jésus a-t-il ramené les morts à la vie? Tu dois alors me l’apporter - je te le montrerai. J’embrasserai tendrement l’auteur de la question et je lui dirai: ‘Voilà, c’est ainsi que cela se passe!’.
THE HOSPITAL WINDOW
Two men, both seriously ill, were in the same room together in a hospital. One of them was allowed to sit upright in his bed for an hour every afternoon, in order to breathe better and clear his lungs a little from the congestion.
His bed was right next to the only window in the room. The other man next to him was forced to spend entire days lying flat on his back. The men talked for endless hours to each other, about their wives and children, their families, their homes, their jobs, and where they had vacationed in better times….
After a while, the man who was allowed to sit upright next to the window for an hour began to describe to his roommate all the things he saw through the window. The man in the other bed began to live toward this daily hour. Then his world of life was enlarged a little bit each time with the colorful description the other man gave of everything he saw outside.
And while the man at the window told everything he saw at length to his neighbor, the latter closed his eyes and began to recall everything he heard his neighbor tell him.
Thus days and weeks passed. One morning, when the nurse came to give them both a wash, she found the lifeless body of the man lying at the window. He had died peacefully in his sleep. The neighbor in the bed next door was very distressed, and after he had processed his roommate’s death a bit, he asked if he could not have the bed at the window in the room now. The nurse agreed, and after he had changed places and everything was in order, the nurse left the man alone. Slowly, with a great deal of pain and effort, he pushed himself upright in his bed, supporting himself on his elbows, to be able to get a view of the world outside through the window.
But all he saw through the window was a white-painted, blank wall. Disappointed and angry, he called the nurse to ask what could have possessed his deceased roommate to tell him all the time all these things that were in fact not there at all and that he could not see at all?
To his surprise, the nurse replied that the deceased man had always been a very hopeful and positive person. ‘And maybe,’ she said, ‘…that’s why he could imagine all those wonderful things in his imagination, and tell you about them so enthusiastically. Maybe he just wanted to give you some courage to go on living,’ she said with a friendly smile.
The sick man was moved. He fell asleep quietly after a while and began to dream of a wonderful green park behind the blind white wall, with a pond in it, and all around it children playing and white swans bobbing. And in time it made him visibly better. And, said the doctors who treated him, it was above all the hope of another, much more beautiful world which he continued to cherish in his imagination, that had made him better and stronger…
In the four gospels, there are twenty-three stories of healings and resurrections from the dead. The ‘miracles’ of Jesus - that’s how these texts are usually called. But that word ‘miracle’ does not appear anywhere in the gospels. Rather, they are about’ ‘signs’, signals and flashes of a new world breaking through. Messages about the Kingdom of God that is near. All those stories are not so much about ‘spectacular magic tricks’, but rather about ‘miracles of goodness’, happening as an ‘explosion of humanity’. Love and care, concentrated in words and symbols, infinitely communicable and ever repeatable.
In seemingly hopeless situations, the (Easter)Man of Nazareth reaches out to possibilities for moving forward, in spite of everything… He gives the blind insight, transparency and view. He gives love and life in abundance. Concentrated in a single gesture, a single word, a tender look. Infinitely shareable. And He uncovers possibilities in people who may have been potentially there all along, but were slumbering and sleeping, or buried under great piles of rubble. He heals by connecting with hurting people, placing them in a larger context. He can apparently be so close to people that in His presence, yes ‘divine’ forces of helping and healing can emerge in them. In the intense encounter with Him, people feel revived. And this enables them to meet the challenges of life anew or better.
For Jesus, God does not ‘exist’in the abstract. He ‘happens’. For example, in the vulnerable encounter between people. God happens there where is tenderness and compassion, mildness and respect, resistance and surrender. Where people are allowed to be completely themselves again or for the first time, vulnerable and naked, hurt and needing care, full of guilt perhaps and broken with despair and sorrow. God happens where people regain future and perspective.
All those miracle stories, those wonderful pieces of storytelling, I certainly wouldn’t want to delete them from the Bible. They bring us so to speak to that ‘hospital window’ mentioned in the story above, again and again. They help us to see - at least in our imagination - a signal from another world, on the other side of that famous white-painted blind wall we spend whole days (and nights!) looking at, here in prison.
And for that reason alone, it is good and meaningful that we are here together every Saturday or Sunday for an hour in the chapel. To sit up straight for a moment, leaning on our elbows if necessary. To gasp for breath and give our lungs air. And to keep feeding our imagination on the songs that are sung here, the texts and prayers that we may hear. And so that we may continue to believe: another world is possible, there is a future on the other side, there is always for everyone the chance for a new beginning…
One of the most beautiful statements about the miracles of Jesus is that of a Muslim. Djalaladdin Rumi, a great Turkish mystic and poet of the 13th century once said: ‘If anyone asks you: “How did Jesus bring the dead back to life?”, bring him to me - I will show you. I will give that questioner a tender kiss and I will say: “This is how it works!”
geert dedecker
vrijwilliger-aalmoezenier in de gevangenis PCB Brugge