Franciscus van Sales (François de Sales) was rond zestienhonderd bisschop van Genève. Hij was een meester van het geestelijk leven. Zijn Introduction à la vie dévote (“Inleiding op een leven van toewijding”) is een nog altijd heel lezenswaardig werk, vol wijsheid. Franciscus van Sales is dan ook niet voor niets in 1661 door paus Alexander VII uitgeroepen tot “kerkleraar”: hij heeft christenen en zeker katholieken van alle tijden iets te zeggen en te leren. Ook wij kunnen nog altijd iets aan hem hebben. \
Het verhaal gaat dat op een dag aan deze bisschop een situatie werd voorgelegd van een kloosterzuster die allerlei heel bijzondere ervaringen met Christus had. Hij verscheen aan haar. Ze had allerlei “visioenen” zoals dat heet. De bisschop ontving haar. “Wat een lelijkerd!” mompelde hij zodanig luid dat de zuster het wél kon horen. En hij vroeg de zuster in kwestie om zijn schoenen te poetsen. Ze reageerde nogal gepikeerd. En de bisschop trok zijn conclusie: die visoenen zijn dus vermoedelijk niet veel waard. Waarschijnlijk allemaal inbeelding. Wie zich verheft wordt vernederd[1].
Ja zo is dat dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: de mensen halen zich van alles in het hoofd. In het religieuze leven kan er sprake zijn van veel suggestie, ínbeelding en van verbéelding. En dat geldt eigenlijk voor héel het leven, niet alléén voor het godsdienstig leven. Mensen die zichzelf en andere mensen een rad voor ogen draaien en zichzelf en anderen “maar wat wijsmaken” en eventueel gek maken heb je overal en op allerlei gebied. Heel belangrijk is dan ook wat in de traditie van het geestelijk leven genoemd wordt “de onderschéiding der geesten”. Wat is waar? En wat is onwaar? Wat snijdt hout? En wat niet? \
Ik weet niet of u het weet, maar het heeft maar een haar gescheeld of wij zouden hier als Vredesparochie “parochie van het jaar” zijn geworden. De KRO/RKK organiseert die verkiezing. O wat ben ík blij dat wij het niet geworden zijn. Want in zo’n jubelstemming vanwege de parochie ben ik de laatste tijd helemaal niet zo. Dat heeft te maken met de verandering van de mistijden waartoe ik in overleg met het parochiebestuur en anderen besloten heb. Is die beslissing een goede beslissing geweest? Is het bestuur en ben ikzelf goed en zorgvuldig met de parochie en de mensen die er deel van uitmaken omgegaan in dit verband? Is de beslissing procedureel juist en goed genomen? Ja, daar kun je over twisten. Om het goed te doen is in elk geval mijn intentie geweest. Maar of ik en anderen het wérkelijk goed gedaan hebben weet ik niet zeker. Hoe het ook zij: de genomen beslissing heeft tot veel boosheid geleid. En dat heeft de sfeer binnen deze kerkgemeenschap geen goed gedaan. Ik heb daar in elk geval geen parochie-van-het-jaar-gevoel van gekregen. Dus de hemel zij gedankt en geprezen dat wij het niet geworden zijn. Ik moet er niet aan denken dat ik verleden week zaterdag op de landelijke parochiedag van de KRO/RKK en dus ook op de televisie enthousiast over deze parochie had moeten vertellen. Want dat wordt dan van je verwacht en ben je dan ook geneigd te doen. Maar dat zou dan wat mij betreft dus nogal onwaarachtig geweest zijn, een vlag die de lading niet dekt. Begrijp me goed mensen: dit is wérkelijk een prachtige, een heerlijke en geweldige parochie, ondanks de kou. Maar koek en ei is alles niet. Wij kunnen ook met elkaar omgaan en met en over elkaar spreken op een wijze die Christus onwaardig is en die Zijn Kerk en dat zijn wij geen goed doet.
Onwaarachtigheid. Ja, die kun je vaak van het televisiescherm áfscheppen. En binnen de kerk kunnen we er ook wat van. In allerlei contexten en wijzen van omgaan van mensen met elkaar en met zichzelf kan er sprake zijn van onwaarachtigheid. De schoonmoeder van Simon in het evangelie van deze zondag. “Ze lag met koorts op bed” hoorden we. Maar wat was dat voor een koorts mensen - als Jezus langskomt, haar bij de hand pakt en haar meteen laat opstaan en meteen verlaat de koorts haar en bedient zij Jezus en zijn vrienden? Zou het niet kunnen zijn dat deze schoonmoeder met lede ogen heeft aangezien wat er met Simon, haar schoonzoon, bezig was te gebeuren: hoe hij betrokken raakte bij deze Jezus en wat Hij verkondigde? Deze schoonmoeder zag dat misschien helemaal niet zitten. En ze zette zich misschien innerlijk schrap. Ze gooide misschien haar kont tegen de krib. En misschien “vertaalde” deze houding zich ook wel als een vorm van koorts … Wie zal het zeggen? Ziek-zijn. Mensen zijn het voortdurend. Maar wat is de oorsprong van al die ziektes? Ik denk: op allerlei manier máken mensen zichzelf en andere mensen ook ziek. We doen het onszelf en elkaar ook áán. Omstandigheden kunnen ziek-mákend zijn. \
Neem Job vandaag in de eerste lezing. Er is in zijn leven wél het één en ander gebeurd natuurlijk. Alles wat hij had is hij kwijtgeraakt, huis en haard, have en goed, al zijn bezittingen, vrouw en kinderen. Hij heeft niets meer, alleen zichzelf. En hij is helemaal tot stilstand gekomen als het ware. Job spreekt over “vruchteloze maanden”, over “nachten vol getob”. “Wanneer ik lig zeg ik: Zal ik opstaan? Maar de avond duurt lang. En tot de ochtend lig ik vol onrust.” “Mijn dagen (…), ze lopen af, zonder hoop.” Arme Job. Wat is hij ongelukkig. Wat zit hij in de knoop. Wat zit hij vast. Hoe kom je dáár nog uít, uit zo’n situatie, uit zoveel ongeluk?
Wat doen mensen in zulke omstandigheden? Wat je vaak ziet is dat ze “het” verwachten van allerlei mensen, van dokters, van rechters, van advocaten enzovoort. Ze voelen zich ontrecht en te kort gedaan en misschien zijn ze dat ook wel - ontrecht en te kort gedaan door anderen en door zichzelf, wie zal het zeggen? Maar het is net of ze met elke klacht en elk nieuw beroep op nog weer een andere dokter, rechter of advocaat als een gewond dier, als een met pek bedekte vogel nog dieper in de modder vast komen te zitten. \
Er zijn omstandigheden in het leven, veelgeliefden, waarin alleen de hemel helpen kan, waarin alleen een beroep op de hemel helpen kan. Of in feite is dat beroep op de hemel, op Gods bijstand, altijd en voortdurend nodig en belangrijk voor elk van ons. Zonder God gaat het gewoon niet. “Als gij mij gaat eren zal de wind gaan keren” staat er boven de grote boog van Onze Lieve Vrouw ter Nood in Heiloo. Ik ben er heilig van overtuigd dat het waar is. Maar waarom doen mensen het niet veelgeliefden? Wat weerhoudt mensen, wat weerhoudt óns ervan eventueel óm naar bijvoorbeeld Heiloo te gaan en dat beroep op de hemel te doen? Ik denk: het is ons krampachtig vasthouden aan ons eigen inzicht en onze eigen ideeën dat het ons zo moeilijk maakt. Zie de schoonmoeder van Simon. We houden het allemaal liever zelf in de hand wat er met onszelf en met onze omgeving en met onze kleine en grote wereld gebeurt. En dat maakt ons ziek. En daarin draaien we onszelf vast zodat we klem komen te zitten en op een gegeven moment geen kant meer opkunnen. Zie Job, die helemaal gefixeerd is geraakt op zijn eigen ongeluk, op wat en wie hij vroeger had en was en nu niet meer is en heeft.
Zo’n situatie, veelgeliefden, vraagt er om, om doorbroken te worden. Mensen kunnen dat niet meer doorbreken, mensen kunnen daar geen redding brengen. Het moet van God komen. En in het leven van de schoonmoeder van Simon gebeurt het ook. Die man, Jezus, tegen wie zij zich zo afzet, tegen wie zij zich schrap zet; - haar schoonzoon Simon heeft Hij aangeraakt en Hij raakt nu ook háár aan. En die aanraking is verlossend voor haar. Haar koorts verdwijnt als sneeuw voor de zon. Moge het ook met en voor ons gebeuren dierbare parochianen en gasten. Alles waar wij ons zo over opwinden en wat ons zo kan verhitten en wat ons ziek kan maken maar wat ook zo onwaarachtig kan zijn maar waarin en waarover wij zo verschrikkelijk zogenaamd gelijk kunnen hebben, moge God, in Jezus Christus onze Heer, ons ervan bevrijden en verlossen. Amen.