Het gezag van Gods Woord (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 4e zondag · groen

* Jezus start zijn prediking in de synagoge van Kafarnaüm, de Joodse religieuze verzamelplaats dicht bij de woning van Simon-Petrus. Wellicht heeft Simon-Petrus die bekend stond bij de overste van de synagoge Jezus aan hem voorgesteld. Jezus richt zich tot de Joden in hun eigen religieus milieu, is Jood met de Joden, en wel de Beloofde van het Godsvolk. Zijn geloof is geen andere dan dat van Mozes en de profeten. Hij sticht geen nieuwe godsdienst, maar Hij brengt de vervulling.

1. Jezus treedt op als iemand die gezag bezit.

  • De aandacht van Marcus gaat hier niet in de eerste plaats naar de inhoud van Jezus’ boodschap. Die wordt elders verteld. Interessant is voor hem het gezag waarmee Jezus spreekt en de reacties van het publiek dat Hem beluistert. Hij sprak niet zoals de andere Schriftgeleerden van zijn tijd. Die hadden rabbijnenschool gevolgd. Zij waren academisch gevormd. Maar hun commentaren op de Wet waren niets anders dan levenloze herhalingen en interpretaties van anderen, wat alleen maar stijfheid en dorre verschraling bracht. - Jezus had nergens die opleiding meegemaakt. We lezen immers dat de Joden eens opmerkten: “Hoe komt die man aan zoveel kennis zonder onderricht te hebben ontvangen ?” Daarop had Jezus hun gezegd: “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft.” (Joh 7,15-16). En nu roepen de toehoorders uit: “Een nieuwe leer met gezag”.

  • Dat nieuwe was feitelijk niet nieuw. Jezus ging gewoon naar de kern van de bestaande Wet en die maakte Hij tot leven. Wat echt nieuw is groeit uit het sinds lang bekende. Hij raakte de kern van het bestaan van mensen. Hij verhelderde en zei waar het in feite om ging. Hij bewoog de harten. Zijn woord was vrijheid en waarheid. Het brandde in Hem. Het steigerde tegen de leer van de rabbijnen: “Men heeft u gezegd dat… Maar Ik zeg u…” (Mt 5,21-22). Dat kon Hij. Hij had autoriteit en volmacht (Mc 1,21; Gr.: exousia). Hij zelf was het Woord ontloken uit de Vader. Hij was ervan bewust dat de Vader getuigde over Hem (Joh 8,18). Meer nog, de Vader openbaarde zich in Hem.

2. Dit Woord bezit een onweerstaanbare kracht.

  • Onder zijn toehoorders schuilt er iemand die door een boze geest is gekweld. Bij heidenen was het geloof in geesten courant. Het Oude Testament bleef er eerder sober bij: alle nadruk lag op de affirmatie van het unieke van de ene God. Een ‘god van het kwade’ was er niet. Het Nieuwe Testament brengt geen uitgebreide informatie over de wereld van de geesten. Maar gespreid komt hun reële aanwezigheid er vol op aan de oppervlakte als vanuit een verborgen sfeer. Ze binden en vervreemden mensen van zichzelf. Nu lijken ze los te barsten tegen Degene die hun slachtoffers van het kwade komt bevrijden. Marcus vertelt ons diverse demonenuitdrijvingen van Jezus. Het is naïef al deze fenomenen louter als psychische storing te verklaren. Achter een ziekelijke afwijking schuilt wel eens een andere werkelijkheid. Jezus genas zieken en dreef vele demonen uit. Dat deed Hij op verschillende wijzen. Bij zieken legde Hij de handen op of gebruikte Hij een bestaand ritueel. Een bezetene echter raakte Hij nooit aan. Hij gaf dan alleen een kort en krachtig bevel.

  • In ons verhaal reageert de gekwelde heftig tegenover Jezus’ woord en zijn aanwezigheid. Het klinkt als een oorlogsverklaring: “Waarmee houdt Gij u bezig ?” Tegelijk belijdt hij Jezus als ‘de heilige Gods’. Zulk afwerend reflex met de bekendmaking van wat anderen nog niet weten zal pure psychoanalyse niet uitleggen. Er is iets meer aan de hand. De confrontatie van Jezus met de macht van het kwaad is hier reeds duidelijk. Jezus beveelt. De satan laat de mens los en bezwijkt. De aanwezigen zijn getroffen. Dit teken gaat Jezus’ gezag in Galilea versterken. Het is nog maar een begin. Het exorcisme is de aanvang van zijn missionaire activiteit, voorspel van het komend verlossingsverhaal, de condensatie, de samenballing, de verdichting van Jezus’ levenswerk: “Als Ik door de Geest Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen” (Mt 12,28). Johannes vertelt geen enkele duivelbezwering, maar bij hem noemt Jezus zijn rivalen ‘als uit de duivel geboren’ (Joh 8,44). De duivel verdeelt en desintegreert in plaats van één te maken, en te verzoenen. Liefde kent hij niet. Johannes schildert in een contrast van licht en duisternis de fundamentele achtergrond, waarin hij de ‘prins van deze wereld’ zijn bijzondere plaats toewijst (J.A. Sayés, “Le Diable, mythe ou réalité ?”; R. Laurentin, “Le Démon, mythe ou réalité ?”).

* Dit thema ontbreekt in onze catechese. “De fraaiste list van de duivel is ons ervan de overtuigen dat hij niet bestaat” (Ch. Baudelaire). Jezus was zo overtuigd van de realiteit van de kwade, dat Hij hiermee het ‘onze vader’ afsloot: “Verlos ons van de kwade” (Mt 6,13 - Gr.: ‘apo tou ponèrou’; ‘ho ponèros’ elders steeds als mannelijk en persoonlijk gebruikt). Hij gaf ook zijn leerlingen opdracht demonen uit te drijven, wat ze niet zouden kunnen zonder geloof, vasten en gebed (Mt 17,20-21). Het is een ritus aan de Kerk toevertrouwd. Het exorcisme leeft vandaag verder ook onder de vorm van het gebed van bevrijding. Dit is belangrijk in een tijd, waarin de grens tussen goed en kwaad verdwijnt, waarin het kwaad onder vleiende compromissen en de schijn van het goede zijn ingang vindt. Wij zijn vaak zeer sociaal bewogen maar zonder diepte. Ik hoorde onlangs een jonge pastoor: “Ik heb medewerkers, die graag organiseren, taarten bakken, tafels zetten en opruimen. Maar spreek hen niet over gebed en levensverdieping”. Het Rijk Gods is meer dan uiterlijk vertoon en concurrentie. Het ontwaakt in de ommekeer van ons hart, in onze radicale keuze voor God.

Zoeken in Preken Online