Vandaag vieren we het feest van Kristus Koning.Velen onder u zullen zich nog herinneren dat met Christus Koning de plaatselijke chirobeweging de viering opluisterde met tromgeroffel, muziek en zang, dat ergens in die viering het lied gezongen werd: “Wij hebben U, O Jezus, plechtig beloofd, U altijd te erkennen als opperhoofd. Geef dat w’u minnen zouden, steeds meer en meer. Help ons belofte te houden, Jezus, onze Heer.
In weinige parochies mogen we dat nog mee maken, al zijn er der nog wel.
En toch is dat feest niet zo oud. Paus Pius XI heeft het ingevoerd in 1925. En hij heeft dat niet zomaar gedaan. Hij had daar goede redenen voor. In zijn tijd was er een algemeen politieke, sociale, economische context die bijna tot dat feest noopte.
Het was niet zo lang na de eerste wereldoorlog, waarin miljoenen soldaten gedood werden, een oorlog waarin mensen gebruikt werden als kanonnenvlees. Een oorlog om macht, want waarvoor zijn er anders oorlogen? Een machtsstrijd vooral tussen Frankrijk en Duitsland. En enkele jaren na het einde van die oorlog, was de frustratie van de Duitsers om hun nederlaag al goed voelbaar. Ze wilden revanche nemen.
En ook in Rusland had een burgeroorlog gewoed om macht: de Russische revolutie van 1917, met zijn nasleep. De Bolsjevieken had de macht over genomen, voerden een schrikbewind en legden de niet-bolsjevieken hun wil op. En het was toen al merkbaar dat de goede bedoelingen van Marx, Engels en Lenin niet met hun leer en hun idealen overeen kwamen.
Spanningen omwille van macht! Spanningen omwillle van macht waaruit ontegensprekelijk nieuwe macht-treffens zouden voortvloeien.
Macht, daar gaat het om in de wereld: blijkbaar op grote schaal, wereldschaal,
maar eveneens op kleine, locale schaal - op het niveau van het dorp, het werk, de beweging, de parochie, misschien wel het gezin.
Macht dwingt, onderdrukt, lost niets op. Macht kan in de loop van de tijd verschuiven: van de ene partij naar de andere: maar het lost dan ook weer niets op: macht blijft macht, die dwingt, onderdrukt.
Er is maar één KRACHT die alle macht overbodig maakt en deze teniet kan doen en dat is DIENSTBAARHEID om nog niet het woord ’liefde’ te moeten gebruiken.
Jezus is dé figuur bij uitstek die zo geleefd heeft en het ons getoond heeft. Daarom kunnen we zeggen dat Hij de heerser is (eigenlijk een slecht woord hier, maar ik ken er geen andere) - dat Hij de heerser is van alle heersers, juist omdat hij niet heerste maar diende, dienaar was; van God én de mensen. Daarom is Hij de Koning der koningen, of zoals PaulusVI dat feest van Christus Koning liet noemen: het feest van de Koning van het Heelal: niemand in het heelal staat TEN GOEDE boven Hem, omdat Hij geen heerser is, maar dienaar. In terminologie van de jeugd van vandaag wellicht ‘de loser’, maar toch de enige weg tot vrede en geluk voor allen.
Jammer dat we vandaag geen ander woord hebben voor Christus als ‘Koning’. In de Bijbel wordt ook regelmatig gesproken over het Rijk Gods. “Koning” en “Rijk Gods” zijn begrippen die ’te werelds’ zijn, ze roepen te zeer betekenissen op als ‘mijn natie’, “mijn land”, “mijn volk”, “waar ik de wet uitmaak”. Die passen niet bij Christus en niet bij God. Vandaar ook dat Jezus wellicht tegen Pilatus zegt: mijn Koninkrijk is niet van déze wereld.
Heeft het geluk in Zijn Koninkrijk dan niets met déze wereld te maken? Jawel, misschien zelfs in de eerste plaats in déze wereld, maar niet zoals het er in deze wereld aan toe gaat. God wil geen macht, mensen niet dwingen, geen geografisch stuk ‘beloofde land’, maar mensen vrij laten, hen uitnodigend oproepen om samen mét Hem van deze wereld een wereld te maken waar geluk is voor àlle mensen over de ganse wereld.
Dat is het Rijk Gods waarvan Christus graag de dienende ‘Koning’ wil zijn.