De waarheid zal jullie bevrijden

B-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit

Feest van Christus-Koning Cyclus B 2012 Dan 7, 2a.13b

Joh 18, 33b-37

De waarheid zal jullie bevrijden

Beste vrienden,

Bij de firma „God en zoon, afdeling bodempersoneel“, gaat het, naar huidige begrippen, doorgaans niet al te democratisch toe. Dat wordt ons niet alleen dagelijks via de media verkondigd, maar wij zijn daar zelf ook goed mee vertrouwd, want het is blijkbaar al altijd zo geweest. Daarom is het net of het begrip “Koningschap” in onze tijd beter op onze Kerk van toepassing is als op de meeste koninkrijken die er in de wereld nog zijn. Want de macht van die koningen werd intussen in de meeste gevallen herleid tot een louter representatieve functie. Onze katholieke kerk daarentegen wordt nog altijd geleid door een in het wit geklede absolute monarch, omringd door een hofhouding van in het rood geklede kardinalen. Zo zouden sommige journalisten de regeringsvorm van onze kerk toch liefst, en dan nog met de nodige bijtende spot, omschrijven.

Maar als dat zelfde monarchistische principe dan ook nog op de absolute directie-etage – de hemelse afdeling dus – zou moeten worden toegepast, dan kan dat toch wel tot irritaties leiden. En toch wordt ons door het feest dat we vandaag vieren, het feest van Christus Koning, die interpretatie bijna opgedrongen. Het is wel waar dat de media zich over onze Goddelijke koning niet zo kunnen vermaken als over de wereldlijk koningshuizen met hun grote en kleine familietwisten en echte of vermeende huwelijksproblemen. Maar ergens blijft voor mij dat begrip van die koninklijke heerschappij van Jezus Christus onbegrijpelijk. Want een koning boven zich hebben, beduidt toch altijd dat je beheerst wordt, dat je niet zelf kan beslissen. De heerschappij van een koning omvat voor mij ook altijd een „boven“ en een „onder“, een “beter” en een “slechter”. Maar juist dat past volgens mij niet bij ons begrip van Christendom en geloof als verlossende relatie tussen God en de mensen.

Daarom blijft het voor velen onder ons vreemd, dat Pius XI dit feest van Christus Koning, tijdens het heilige jaar 1925, heeft ingesteld. Dat gebeurde juist in een tijd dat vele Europese monarchieën ineenstortten en er voor het eerst op brede basis democratische staatsvormen werden ingesteld. En in dit verband heb ik het vermoeden dat dit feest van Christus Koning werd ingesteld als een reactie daarop en in een poging om die ontwikkeling te stoppen. Als we de tijd van toen van nabij bekijken was dat een werkelijk anachronistisch teruggrijpen naar het „ancien regime“.

Misschien was het toen ook zo bedoeld, daar kan ik niet over oordelen. Maar de liturgische hervorming van het tweede Vaticaanse concilie, die vandaag door vele aartsconservatieven liefst weer ongedaan zou worden gemaakt, heeft aan dit feest een duidelijk in de Bijbel gefundeerde zin gegeven. Want op Jezus’ kruis stond wel degelijk geschreven, ook al was het spottend bedoeld: “Jezus van Nazareth, de Koning der Joden”.

Die diepere betekenis van het Christus Koning feest kunnen we alleen herkennen met Jezus’ verkondiging op de achtergrond. Want daar vinden we de uitspraak „Bekeert U, gelooft aan het Evangelie, het Rijk Gods is nabij“, een uitspraak die als een rode draad door zijn ganse openbare leven loopt. Waarbij we toch ook opmerken dat er bij Jezus’ uitspraken over het rijk Gods steeds een spanning merkbaar is tussen “reeds” en “noch niet”. Zo zegt Hij dat het Rijk Gods nu reeds begint, dat het midden onder ons aanwezig is, maar dat het zijn voleinding pas in de werkelijkheid van God, dus in datgene wat we Hemel of Paradijs noemen, zal bereiken.

Het is juist die verkondiging van de koninklijke heerschappij van God die aan de Joodse overheid het voorwendsel levert om Jezus voor eens en voor altijd uit de weg te ruimen. En dan zijn we reeds midden in het gesprek tussen Jezus en Pilatus. Een gesprek dat we kennen uit het lijdensverhaal volgens Johannes. De Joden willen Jezus niet gewoon uit de weg ruimen; neen, ze willen absoluut dat Hij aan het Kruis sterft. Want alleen wie aan het kruishout hangt, die wordt volgens het 5e boek van Mozes (Deut. 21, 22-23) ook door God vervloekt. Elke vrome Jood was daar mee vertrouwd, en daarom kon een steniging of een sluipmoord zelfs niet worden overwogen. Want dan zou die vervloeking van Jezus door God niet duidelijk gewaarborgd zijn. Een veroordeling tot de dood aan het kruis kon echter alleen door de Romeinse bezetter worden uitgesproken. Daarom werd de gevangen Jezus door de Joden aan Pilatus overgedragen met als aanklacht: „Hij geeft zich uit als Koning van de Joden, Hij is een politieke Messias en een opruier die in het geheim een opstand tegen de Romeinse bezetting plant. Wie zichzelf tot Koning uitroept is geen vriend van de Keizer”.

Daarom antwoordt Jezus ook op de vraag van Pilatus: „Zijt Gij de koning der Joden?“ met een tegenvraag: „Zegt gij dat uit uzelf of omdat anderen u dat over mij gezegd hebben?” Zo maakt Jezus onmiskenbaar duidelijk dat zijn koningschap niets met politieke ambities en ook niets met een joodse volksopstand tegen de Romeinse bezettingsmacht te maken heeft: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”. Daarom heeft Hij ook geen politieke of militaire machtsmiddelen. Een koning zonder soldaten en zonder dienaren kan politiek gezien toch niet ernstig worden genomen. De achterbaksheid van de aanklacht wordt Pilatus duidelijk en de aanklacht stort dan ook als een kaartenhuis ineen. Jezus geeft aan zijn koninkrijk heel bewust een a-politiek karakter dat niets van doen heeft met macht en heerschappij. Hij vertelt Pilatus ook heel duidelijk hoe het er om staat: „Ik ben in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid!”

Beste vrienden, dit is een beslissend moment, want hier krijgt ons engagement voor Christus, onze Koning, zijn uiteindelijke explosieve kracht. Want wie van ons heeft nooit naar de waarheid gezocht waarop hij zijn leven zou kunnen opbouwen? Wie van ons heeft geen betrouwbaar vast baken nodig waarop hij zijn leven kan oriënteren? En wie van ons zou er niet, net zo hulpeloos als Pilatus, de vraag moeten stellen: „Wat is waarheid?“ In de Heilige Schrift vinden we hierover geen filosofische speculaties. BV dat, indien er maar veel mensen hetzelfde inzicht hebben, de waarheid in de basisdemocratie zou kunnen worden gevonden. Een dergelijke waarheid zou altijd van menselijke toestemming afhankelijk zijn – dus zou ze ook altijd veranderlijk en onbestendig zijn. Het evangelie heeft een eigen begrip van waarheid, en wel een monarchistisch. Het begrip monarchie beduidt pas in de tweede plaats “Heerschappij van één man of één vrouw”. De eerste betekenis van monarchie is: “De ene oorsprong”. Of, moderner geformuleerd: “Monarchie omschrijft de dragende grond van een werkelijkheid, die niet nog eens van een andere werkelijkheid afhankelijk is”. En die dragende grond is niemand anders als God zelf. Die dragende grond, die waarheid, is tot ons gekomen in Jezus van Nazareth. Hij is het eeuwige woord van de Vader dat onder ons heeft gewoond. Daarom moeten wij niet meer, zoals Pilatus, vragen: “Wat is waarheid?”, maar kunnen wij gerust vragen: “Wie is waarheid?”

Daarom heeft het openbaringsgeloof dat ons in de persoon van Jezus Christus werd geschonken er helemaal niets mee te maken dat we bepaalde formuleringen voor waar moeten houden, alleen maar omdat ze ons vanuit de machtspositie van een kerkelijke overheid, misschien zelfs nog als dogma, werden opgelegd, maar waarbij we ons niet mogen afvragen waar ze op steunen en wat hun waarheidsgehalte is. Neen, het in en door Jezus verkondigde openbaringsgeloof betekent toch veeleer dat we Hem, in wie Gods waarheid zichtbaar is geworden, volledig kunnen vertrouwen. Een koning te hebben die niet heerst noch beheerst, maar die de waarheid zelf is, dat doet ons gewoon goed, dat geeft ons oriëntatie en houvast. Wie waar en waarachtig wil zijn, mag zich op Hem, de Koning aan het Kruis, oriënteren; de Koning die voor al onze onwaarheden, halve waarheden en levensleugens gestorven is; die de rommel en het puin van ons leven, waardoor we het zicht op de waarheid, het zicht op God zelf, hadden verloren, heeft weggeruimd. Wie die Koning van de waarheid tot de zijne maakt, die kan ook voor de waarheid en de waarachtigheid in onze Kerk instaan. Want we kunnen de zin uit het evangelie van Johannes niet dikwijls genoeg herhalen: “De waarheid zal jullie bevrijden.”

Laten we samen dat feest van Christus Koning vieren, niet groots en triomfantelijk zoals het 87 jaar geleden werd ingesteld, maar eerder nadenkend. In gedenken aan die Koning, die zich, tot spot van de omstaanders, met een doornenkroon liet kronen en die bij Pilatus zweeg. Nadenkend ook over de eigen onvolkomenheden, en toch ook met de gelovige zekerheid, dat het koninkrijk van de waarheid, omdat het liefde voorleeft en van liefde getuigt, altijd sterker is dan het koninkrijk van de macht. Amen.

Zoeken in Preken Online