Het duitje van de weduwe

B-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen

32e zondag door het jaar Cyclus B 2012 1 Kon 17, 10-16

Mc 12, 41-44

Het duitje van de weduwe

Beste vrienden,

We kennen ze toch allemaal, die grote feest- en benefietvoorstellingen voor een goed doel. Ze gaan doorgaans door in een grote zaal waar we op de eerste rijen duidelijk de bordjes kunnen zien: gereserveerd! En dan schrijden ze naar binnen, de notabelen, die niet alleen met hun volle naam, maar ook met al hun titels moeten worden begroet. Meestal krijgen we bij deze “VIP of BV” gebeurtenissen ook wel één of ander prachtig uniform of zo menige zwarte soutane met paars of rood ingekleurde knoopsgaten en met grote borstkruisen te zien. Als BV wil men tenslotte toch laten zien wie men is. En hoe dikwijls gebeurt het niet dat de ene of andere hoge gast zich op zijn tenen getrapt voelt omdat zijn titels niet, of slechts onvolledig, werden vernoemd. De verdiensten van mensen moeten niet onder het tapijt worden gekeerd, zeker niet. Maar moeten ze dan echt altijd met zoveel profileringsdrang worden vermeld?

In de lezingen van vandaag gaat het ook om profilering – of laten we zeggen om de spanning tussen protserigheid en schijnheiligheid aan de ene kant en authenticiteit en oorspronkelijkheid aan de andere kant. De scène daarvoor is de Tempel in Jeruzalem. Het perfecte podium voor al diegenen die aanzien genoten en vooral ook voor al diegenen die gezien wilden worden. Een beetje te vergelijken met de rode loper op één of ander hedendaags internationaal filmfestival. Dertien grote offerblokken nodigden de mensen uit om hun bijdrage te leveren. Niet om er stil en teruggetrokken geld in te gooien, neen, de bedragen die daar in die offerblokken werden gegooid, die werden ook vernoemd. Wat zeg ik, vernoemd? Ze werden door de daarvoor verantwoordelijke priester luidkeels omgeroepen. Wie veel geeft trekt hierdoor natuurlijk ook veel aandacht. Dat bezoek aan de Tempel moet toch in de herinnering worden gegrift. Dat alles brengt natuurlijk mee dat de Tempel, die toch aan God was toegewijd, in Jezus’ tijd tot een marktplaats van ijdelheid was verworden.

Het evangelie vertelt ons hoe de mensen hun offergave brengen. Jezus, die zich ook in de tempel bevindt, en juist tegenover één van de offerblokken zit, ziet de mensen komen en gaan; Hij ziet en hoort hoe ze geven en wat ze geven. Daar heb je rijken die royaal geven. Het doet hun geen pijn, want ze bezitten genoeg. Maar het moet wel publiek worden omgeroepen, dat laat een goede indruk na. En dan komt daar een vrouw, een weduwe, die door het leven allesbehalve verwend is geworden. Alleen achtergebleven moet ze zien hoe ze de eindjes aan elkaar kan knopen. Ze bezit niet veel, maar wat ze bezit dat brengt ze mee. Het is haar volledige dagrantsoen! Ze heeft het uit haar mond gespaard en geeft het aan de priester om het in de offerblok te leggen. Ook die som wordt luidkeels omgeroepen en ge kunt u wel voorstellen hoe ze door de omstaanders wordt bekeken. Arme sloor – totaal onbenullig! Hoe durft ze zo weinig te geven! Haar tezamen met al die gulle gevers vernoemen , dat loont zich toch niet. En Jezus? Hij spreekt die zienswijze tegenover zijn leerlingen met klem tegen, want in zijn ogen legt deze vrouw, met haar twee armzalige muntjes zichzelf, haar ganse leven in de offerblok. Zij geeft haar leven aan God!

Ter verduidelijking: Toen in de zestiende eeuw de statenbijbel, de eerste Nederlandstalige Bijbel werd uitgebracht, dacht men aan het kleinste, bijna waardeloze muntje, de penning. Twee penningen kwamen overeen met een duit, een half oortje. Klein, onooglijk, bijna onzichtbaar. Men sprak van het “duitje van de arme weduwe”. Dat duitje wordt trouwens ook vandaag nog genoemd. We komen het tegen in uitdrukkingen zoals “Geen rode duit hebben” – “een duit in het zakje doen” enz…

Vandaag zouden we kunnen zeggen dat de weduwe twee stukjes van één cent heeft geofferd. Wat wij meestal echter niet beseffen is, dat die weduwe niet zomaar een kleinigheid gaf. Zij gaf alles wat ze had. Een dergelijke vorstelijke gift gaat alle begrippen en offerblokken te boven.

Die arme weduwe wordt, omwille van haar houding, door Jezus als voorbeeld aangehaald. Zij, de onooglijke grijze muis, wordt uit de schaduw gehaald en in het volle licht gezet. Ik kan me denken dat de leerlingen toen wel even beduusd waren. Want volgens de gewone menselijke rekenkunde is veel gewoon veel, weinig is weinig en niets blijft nu eenmaal niets. Maar Jezus rekent anders. Hij is geen econoom en Hij denkt volgens andere criteria dan alleen maar zwarte en rode getallen. Voor Hem is niet alleen belangrijk wat uitwendig zichtbaar is, maar wel datgene wat een mens binnenin motiveert.

Om die reden heeft de weduwe beduidend meer gegeven dan alle anderen. Het evangelie zegt: haar levensonderhoud voor die dag. Alle anderen gaven alleen een klein deel van hun overvloed. Het gaat om de beide begrippen “gift” en “offer”. En daarop wil Jezus met het voorbeeld van de vrouw wijzen. Zij geeft niet omdat ze op een of andere wijze met God wil onderhandelen. ook niet omdat ze misschien op een hemelse beloning hoopt. Neen, dat begrip: “ik geef hier opdat ik het dan later in de Hemel beter zou hebben“ is haar vreemd. Wat ze geeft is alleen de weergave van haar Liefde en haar geloof. Uitdrukking van haar verlangen naar geborgenheid in Gods liefde. In haar gift heeft de vrouw een andere houding, een heel andere instelling dan veel van haar tijdgenoten. Zij geeft zich helemaal met haar twee muntjes als uitdrukking van haar innerlijk vertrouwen en haar geloof aan God.

Ze weet dat ze alleen met Hem kan leven. Als sociaal gedeclasseerde vrouw, en volledig zonder middelen van bestaan, heeft ze dikwijls genoeg moeten ervaren dat ze op de hulp en de solidariteit van anderen is aangewezen en dat God voor haar hierbij een steun en een houvast is. Dat alleen geeft voor Jezus de doorslag. Voor Hem is die weduwe in haar houding en haar Godsbegrip meer dan geloofwaardig.

De schriftgeleerden en de rijken uit zijn tijd waren in Zijn ogen niet geloofwaardig omdat ze zich door hun geloof wilden verzekeren van Gods gunst. Er werden natuurlijk wel religieuze plichten vervuld en ook prestaties verricht, maar steeds met in het achterhoofd dat God hen daarvoor ook zou belonen.

Zo voelden ze zich zeker en konden ze zonder angst voor God verder leven. Juist die houding noemen we nu “Farizees”.

Het voorbeeld van de arme weduwe mogen we echter niet verstaan als een oproep om ons, door op een onverstandige manier onze materiële basis op het spel te zetten, ook behoeftig te maken, om bedelaar of leefloonontvanger te worden. Maar het is een ernstige oproep aan ons: „Ga goed na waaraan uw hart hangt en vooral: waarom?”, “Ga goed na wat uw motieven zijn om te geven. Geeft ge in de hoop dat daardoor uw rekening courant in de Hemel verbetert, als een soort verzekeringspremie voor de eeuwigheid? En waar kunt ge, ondanks alle financiële moeilijkheden, ook tekens van solidariteit zetten die niet financieel, en juist daardoor geloofwaardig zijn.

We moeten leren inzien dat voor God andere waarden van belang zijn dan diegene die in onze dagelijkse maatschappij gelden. Decoraties, onderscheidingen, toga’s en titels zien er misschien wel goed uit en staan ook goed op een visitekaartje, maar ze zijn in wezen helemaal niet belangrijk. In Gods ogen is alleen ons Godsvertrouwen en de liefde waarin wij dat pratikeren, van belang. Amen.

Zoeken in Preken Online