Er zijn woorden die leeg zijn als je ze leest als een theoretische waarheid, als een formule uit één of ander geloofsboek. En diezelfde woorden klinken vol en heilig, plechtig als een eed, geladen als een hymne als je ze anders leest. En eigenlijk is dat nog te schamel gezegd. Je moet ze namelijk niet lezen want dan zijn het maar woorden. Je moet ze inplanten in je wezen als een tweede natuur, als eretitels geboren uit een grote herinnering. Je kan ze pas over je lippen laten komen als ze eerst in je hart zijn gekerfd. En ze zijn pas in je hart gekerfd als je veel hebt meegemaakt. Dan pas zijn deze woorden waar. Zoiets lezen we vandaag in Deuteronomium.
Het zijn woorden waar elke gelovige Jood stil bij wordt en ernstig. Door deze woorden te horen wordt hij Jood. Daardoor herinnert hij zich wat voor een God hij dienen mag, wat voor leven hij leiden mag, onder welke zegen zijn leven verloopt. Zijn God is uniek voor hem, de énige, de énige echte! Dat woord schrijft hij op zijn meest intieme paspoort, op de tinne van zijn hart, op de voorposten van zijn deur, op de voering van zijn geest. Dat woord maakt hem. Zonder dat woord is hij niemand, onbestaande, niets. Zo radicaal is dat woord. Letterlijk het zegt iets over zijn wortels. Daarmee affirmeert hij de absolute zin van deze woorden: hij is nu geliefd, gezegend, beschermd, geroepen en uitverkoren. Hij mag staan voor het aanschijn van deze unieke Jahweh God. Hij is door dit woord getekend en gemerkt, gemerktekend. Zijn hele wezen staat op God gericht: heel zijn ziel, heel zijn hart en al zijn krachten.
Hij is een mens van totus tuus of tout à toi.
En in dezelfde beweging, even radicaal, even diep geworteld: de naaste als jezelf!
Deze twee woorden zijn het waarmerk van de echte, vrome Jood. Aan andere imperatieven wijdt hij niet zijn hart verkoopt hij niet zijn ziel en levert hij zich niet uit met al zijn krachten. Aan twee woorden heeft een mens genoeg om erbij te horen. Aan déze twee woorden! En geen andere!
Nu lees ik dat vandaag en ik heb er twee spontane bedenkingen bij.
Een eerste bedenking geldt het volgende. Wij, christenen, kunnen deze woorden ook tot de onze maken. Maar zonder die Joodse traditie en zonder die Joodse ervaring van een unieke bevrijdende God, zullen het zeer spirituele woorden worden. Dan zullen wij ons afvragen of God wel zoveel rechten kan doen gelden, of Hij wel zoveel druk mag uitoefenen op ons vrij geweten? Mogen wij ons dan niet meer totaal inzetten voor ons werk, ons gezin, onze zieken, onze vereniging, onze school en ons volk? Is God dan geen jaloerse God die het gemunt heeft op ons mens-zijn? Is Hij dan niet tegendraads? Zijn alleen mystiek heel begaafde mensen dan de enigen die dit hoog imperatief aankunnen? Gewone stervelingen, zoals wij allemaal, halen deze steile hoogte niet.
Wij leven immers met een verdeeld hart, en zonder dit absolute woord uit het Boek zouden we dat nog zonder scrupules verder doen ook! Zonder een voorgeschiedenis van bevrijding dreigt dit woord gevaarlijk abstract te worden, gevaarlijk en abstract.
Een tweede bedenking betreft de verborgen pretentie van deze woorden. Want Israël staat hier nu duidelijk voor ons: het is een volk dat kiest voor God en de naaste en voor niets anders. Hoe denk je dan over de mensen en de volkeren die van deze God niets afweten en die niet je naaste zijn maar je vijanden???
Deze drie vraagtekens zullen voorgoed de geschiedenis tekenen. Zowel de geschiedenis van Israël de eeuwen door als de geschiedenis van de wereld de eeuwen door. Door deze woorden zal verwerping-uitverkiezing over en weer, het schema zijn van vele politieke oorlogen. Wie zegt, dat hij uitverkoren is verwerpt de andere en wie zich verworpen voelt, verwerpt de uitverkiezing van de uitverkorene.
We lezen dus geen brave woorden. En onze zogezegd spirituele lezing zou wel eens ver van de waarheid kunnen zijn?
Sorry, dat ik zo kritisch ben ten aanzien van deze heilige woorden uit het boek Deuteronomium. Oecumene is moeilijk als je met deze woorden naar de andere broeders en zusters toegaat. Als zij andere woorden opgetekend hebben in hun geest, in hun hart en in hun ziel.