Aan de kant (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Als we het verhaal uit het evangelie zouden overplaatsen naar onze tijd, in de Brusselse metro bijvoorbeeld, dan zou Marcus er waarschijnlijk bij vermelden dat er uit de luidsprekers de boodschap weerklonk: “Wij herinneren u eraan dat bedelen in de metro verboden is”.
Dat is ongeveer hetzelfde als wat degenen die Jezus vergezellen de blinde toeroepen: “Kop toe, vent”. En ik maak die vergelijking niet om hier een nummertje “zie eens hoeveel ik om de verworpenen geef” op te voeren.
Want als ik op de Groenplaats langs ons lokale gilde bedelaars en verslaafden loop, voel ik dat ik helemaal niet op Sint-Franciscus lijk, die een melaatse bedelaar omhelsde en dat ik niet goed weet of ik er goed aan doe iets te geven, of hen te negeren.
Jezus weet goed wat hij moet doen. Hij negeert die afwijzing van zijn volgelingen, en roept die man, hij vraagt hem wat hij voor hem kan doen.

Om het gedrag van Jezus goed te begrijpen, moeten we weten wat er vlak daarvoor gebeurde. In de vorige verzen werd beschreven hoe de leerlingen ruzie hadden gemaakt over wie nu de beste leerling van de klas was, en hoe Jezus daarop gezegd heeft dat zijn échte volgelingen niet vooraan zullen zitten, maar dat ze ten dienste moeten staan van de zwaksten, en dat ze daarvoor hun leven moeten geven.

Marcus wil met dit verhaal dat nog duidelijker maken. Jezus keert zich naar deze man, die aan de kant geschoven is, in de marge van de samenleving: hij bekommert zich om deze marginaal. Om bij die mens te staan is hij gekomen.
De volgelingen reageren als een kudde windhanen. Eerst duwen ze Bartimeüs dieper in zijn put van miserie, maar als blijkt dat Jezus daar anders over denkt, beginnen ze te applaudisseren en staan zo plots allemaal aan de kant van die marginaal. Het is nogal duidelijk dat Marcus zijn bedenkingen heeft bij de betrouwbaarheid van zulke volgelingen.
En dan wordt het nog interessanter, als we weten dat het volgende hoofdstuk van zijn evangelie, de intocht in Jeruzalem verhaalt. Toen stond de massa te juichen, dezelfde massa die enkele dagen later Jezus aan het kruis zou roepen. Het gedrag van deze volgelingen hier is van hetzelfde onbetrouwbare kaliber.

Het verhaal is niet op de eerste plaats het verhaal over een wonder. Als we de tekst goed lezen, wordt het duidelijk dat Jezus zelfs geen wonder doet. Hij zegt het zelf: “uw geloof heeft u gered”.
Marcus vertelt een verhaal over geloven. De echte gelovige, de leerling die Jezus herkent, op hem al zijn vertrouwen zet, dat is hier de blinde. De blinde ziet waar het op aan komt, de leerlingen hebben nog altijd niet door wie Jezus is. Zij hebben niet door dat hij gekomen is om zwak te zijn met de allerzwaksten. Zij hebben niet door dat hij gekomen is om zijn leven letterlijk te geven, en om schijnbaar te verdwijnen in de diepste verwerping, volledig aan de kant geschoven als een vuilzak. Of als een bedelaar waar niemand mee wil te maken hebben.
Bartimeüs is een échte gelovige. Openstaan voor Jezus’ boodschap heeft niets te maken met aanzien, met macht, met succes. Het zijn de verschoppelingen die tot geloof in staat zijn. Als Marcus zijn verhaal besluit met “hij sloot zich bij hem aan op zijn tocht”, heeft dat een ver-strekkende betekenis.
Jezus is op tocht naar Jeruzalem, naar zijn Calvarieberg. De ware gelovige volgt Jezus op die tocht, en is bereid mee het kruis te gaan dragen. De jolige menigte die nu nog met Jezus mee trekt, snapt niet waar het over gaat. Dat wordt duidelijk in hun afwijzing van Bartimeüs, en dat zal duidelijk worden wanneer ze op de vlucht slaan, enkele dagen later, wanneer Jezus aan zijn Calvarietocht begint.

Christen zijn. Het is Jezus volgen op zijn tocht. Het is naast de armsten gaan staan, vragen aan mensen in miserie “wat kan ik voor u doen?”. Het is een kruis dragen, als de dienstbaarheid daartoe leidt. En het is blijven hopen op redding, ook in de zwartste duisternis.
Ik vraag me soms af: wat zou nu de eigen, typische opdracht zijn voor christenen in deze tijd? Waarin zouden we “anders” moeten zijn?

Voor veel van de maatschappelijke discussies komt het erop aan eerlijk te zijn, en dan is het mogelijk dat we ook als christenen verschillende standpunten innemen. Voor of tegen de Bam-brug. Of voor of tegen BHV. Ik geloof niet dat er een christelijke tunnel moet komen. Maar waar we als gemeenschap én als individu een eigen standpunt moeten hebben, dat is in de aandacht voor al wie aan de kant staat.
Een christen mens en een christelijke beweging kan mensen aan de kant niet toesnauwen dat ze moeten zwijgen, en dus uit de aandacht verdwijnen.
Als we gelovigen zijn, dan geloven we niet dat mensen ooit opgegeven mogen worden, wat ook hun situatie, wat ook hun fouten mogen zijn. Op de weg van Jezus worden geen mensen aan de kant geschoven.

Zoeken in Preken Online