Niemand van ons kan zeggen dat hij alles ziet. Wat wij zien correspondeert met datgene wat ons interesseert. Wie tijdens de uitverkoop op koopjes uit is kijkt vooral naar de afgeprijsde artikelen. Iemand die geïnteresseerd is in de sport zal in de vroege morgen het eerst de sportpagina van de krant open slaan. Zo is het ook met het religieuze. Tijdens de vormselavond was in het parochiezaaltje de paaskaars neergezet, het doopboek, het vaatje met chrisma en een doopkaars. Er waren enkele ouders die na afloop van de bijeenkomst nauwkeuriger de paaskaars bekeken. Toen ze daarnaar keken kon je ook wat vertellen over de betekenis van de wierookkorrels, het jaartal en de alfa en de omega. Datzelfde gold ook voor het bekijken van het doopboek waar ze geïnteresseerd in de naam van hun kind. Omdat ze dat wilden zien kon je wat dingen er bij vertellen. Niet iedere mens ziet hetzelfde. Je hebt allereerst oog voor datgene wat je interesse heeft. Zo zit ons leven zit vol met duidingen naar Jezus en God en de verbeelding daarvan. Maar mensen zien dat slechts, wanneer daar ook hun aandacht naar uit gaat. Bij de doop is dit wel aan mensen meegegeven. Je gaat op een andere manier tegen je leven aankijken. Dit is vaak meer een kans dan een werkelijkheid.
Bij de blindgeborene zijn reeds vele mensen voorbij gegaan. Maar in Jezus ‘ziet’ hij degene die hem genezen kan. Ook al ziet hij Jezus niet, toch wordt hij Hem gewaar met de ogen van het geloof. “Heer, maak dat ik zien kan”, roept hij uit wanneer Jezus voorbij gaat. Degene die Jezus niet als genezer ziet, maant deze blindgeborene tot stilzwijgen. Waarom weten wij niet. Waarschijnlijk omdat hij Jezus zag als de nieuwe koning met macht en majesteit. De blindgeborene zag vanuit zijn geloof een andere Jezus, iemand die zieke mensen beter kon maken. Zonder het te willen hielden zij zieken van het geloof in Jezus af. Toen Jezus aandacht gaf aan de blinde langs de weg, gingen ook zij het gebeuren anders bekijken. Zij werden opeens een stuk vriendelijker: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u”. Nu kon de blinde zeggen waar het om ging: meester, maak dat ik zien kan. Nadat hij zijn gezichtsvermogen terug gekregen had prees Jezus de blindgeborene vanwege zijn geloof. Een thema dat regelmatig terugkeert. Wanneer je geloof in de ander hebt, dan draagt dat bij tot je genezing. Iemand die geen vertrouwen heeft in de ander, kan moeilijk aannemen dat de ander hem beter kan maken. Gelukkig de mens die het vermogen heeft om te geloven. Want het laat ons een heel andere manier van leven zien.
Vaker wordt dat geloven op de proef gesteld in de wijze waarop mensen met elkaar te maken hebben. Te veel ervaringen hebben bepaalde mensen geleerd dat je niet zo maar op het woord van de ander kunt vertrouwen. Mondelinge afspraken geven geen zekerheid als zij niet op papier zijn vastgelegd. Je beroepen op datgene wat schriftelijk is vastgelegd biedt dat meer. Niet voor niets worden daarom veel zaken contractueel vastgelegd. De wereld wordt niet altijd gezien als een veilige ruimte om te leven. Waar je de ander niet helemaal kunt vertrouwen, ga je zakelijk met elkaar om en ben je voortdurend op je hoede. Toch merken wij ook dat wij daardoor vaak minder onbevangen kunnen beleven, terwijl dit juist geluk geeft aan de mens. Geluk kun je niet vastleggen in een contract. Het heeft te maken met de manier waarop mensen zich toevertrouwen aan elkaar en aan God. Vaak is men teleurgesteld in God omdat mensen voor elkaar het geloof in God verduisteren. “Heer, maak dat ik zien kan”, is een verlangen dat leeft in iedere God-zoeker. Aan ieder van ons is het de keuze om vanuit ons geloof te handelen. Wie gelooft zal wonderlijke wegen ontdekken van genezing en levensvreugde. Dat zien helpt ons ook om daar naar op zoek te gaan. Ondanks het feit dat de blindgeborene niet kon zien, zag hij toch de weg die hij diende te gaan. Daardoor vond hij genezing en toekomst.