Onze ogen worden verwend, of moet ik zeggen overbelast?
Wat mogen zij niet allemaal verwerken? Langs de kleine en grote schermen van televisie of internet of bioscoop kijken wij zoveel verder dan onze eigen mogelijkheden.
De technologische ontwikkeling laat ons kijken tot in de diepzee, tot in het dichte regenwoud, tot in de kraters van de planeten, tot binnen in het menselijk lichaam tot in de geheimen van het atoom.
We kijken, we fotograferen, we scannen. En hoe meer we in ons opnemen hoe sterker de indruk dat we maar een heel klein fragmentje van de werkelijkheid onder ogen krijgen. Ons leven schijnt veel te kort om alles te zien.
Omdat er zoveel te zien is, en omdat onze tijd zo beperkt is, gaan we minder en minder de tijd nemen om te kijken naar de samenhang van de dingen, hoe het één met het ander te maken heeft, we stellen ons minder de vraag naar de betekenis van de dingen, naar het waarom van licht en schaduw, van geluk en lijden, naar het waarom en de laatste zin van ons bestaan.
De oude vragen blijven nochtans aan de orde. Op dat vlak zijn we even onderontwikkeld, even primitief als in de tijd dat ze zelfs nog geen spiegel hadden om hun eigen gezicht te zien.
Op het vlak van zingeving staan we even hulpeloos als de man uit het evangelie die het uitschreeuwt: “Heer, maak dat ik zien kan.”
We moeten weer in de leer gaan, de leerschool van het kijken.
Die leerschool loopt over de verwondering. Kijken voor een mens is meer dan een prikkeling van het netvlies, het hart mag meespelen, er komt vreugde en verrassing aan te pas, als van een kind dat verwonderd is.
Verwondering kan bewondering worden als we liefde vermoeden achter het wonder. Dan worden we dankbaar, dan wordt kijken een innerlijk schouwen: contemplatie is een vorm van wijsheid, een manier van liefhebben, een vorm van bidden.
Het innerlijk schouwen verandert een mens. Daar begint reeds de verrijzenis van ons lichaam.