30

B-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Hoe kunnen we onze opstand, vijftig jaar terug dezer dagen; hoe kunnen we die opstand beter herdenken, dán door opnieuw in opstand te komen? - bewust of onbewust moet dat wel bijna de gedachtengang zijn geweest van vele hongaren. Destijds was het de moordende greep van de communistische dictators in het Kremlin en van het Warshau-pact waaraan men zich wilde ontworstelen. Dezer dagen is het de frustratie over incompetente en leugenachtige leiders van eigen bodem die geuit wordt, die naar buiten komt in heftige onlusten.

Ook in de dagen van de profeet Jesaja bevindt het volk zich in een benarde positie. Oppermachtig was in die dagen het Assyrische Rijk. Het betrof daar een régime dat qua wreedheid zonder meer te vergelijken was met dat van Moskou vijftig jaar terug. De assyriërs gingen door roeien en ruiten. Zo men zich niet goedschiks aan hen onderwierp, dan zorgde men daar zelf kwaadschiks wel voor. Nu waren er in de buurt een paar koninkjes, die van Aram en die van Efraïm, die dachten als twee kwajongens : Wij kunnen het wel opnemen tegen die assyriërs. En we moeten er voor zorgen dat we Juda ook aan onze kant krijgen … Dus in Juda zat men tussen twee vuren: het grote van Assyrië. En de twee kleine van Aram en Efraïm - waardoor Juda betrokken kon raken in een heilloze en bij voorbaat verloren strijd tegen de assyriërs. En wát moet de profeet Jesaja nu namens God gaan zeggen tegen Achaz, de koning van Juda. We hebben ’t gehoord: “Houd het hoofd koel, laat U geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout.” Duidelijk taal van God. De ondergang van beide rijken, dat van Aram en van Efraïm, wordt voorspeld. Ze zullen ten onder gaan. En dan wordt er gezegd: “Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand” - en dan klinkt vervolgens de Immanuël-profetie. Er wordt gesproken over een zwangere vrouw die een zoon zal baren … en de Heer zal een tijd laten aanbreken zoals men sinds lang niet meer heeft gekend …

Veelgeliefden, hádden de hongaren iets aan dit soort taal, vijftig jaar terug? Hebben ze er dezer dagen iets aan? Hebben wíj er iets aan? “Houd het hoofd koel, laat U geen schrik aanjagen …”. En: “Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.” Je kunt je afvragen, op grond van deze woorden, of “in opstand komen” wel zoveel zin heeft in zulke omstandigheden. Want opstand is: hitte, heethoofden. Of niet? - Kun je soms ook temidden van een opstand het hoofd koelhouden en verstandig een voorzichtig blijven opereren zodat er niet onnódig bloed vloeit? Ook in het evangelie van deze zondag is er sprake van opstand! De blinde bedelaar Bartimeüs zit bij de stadspoort - of misschien wel: bij het puin van wat eens de stadspoort was, want zoals U weet (hoop ik): die muren van Jericho waren ingestort. God zelf had ze dóen instorten toen zijn volk vanuit de vele eeuwen van slavernij in Egypte en het rondzwerven door de woestijn, veertig jaar lang, weer bezit opnieuw bezit ging nemen van het Beloofde Land. Dus daar zit Bartimeüs, blind en bedelend, bij de stadspoort … Jericho ligt in een diepe slenk, een “inzinking”, zeg maar, in de aardbodem. Het is misschien wel de diepstliggende stad ter wereld. Lager kun je niet komen, dieper kun je niet zinken. Het is een hopeloze toestand waarin die Bartimeüs zich bevindt, waar de hongaren zich vijftig jaar terug in bevonden en waar ze zich nu in bevinden. En misschien geldt voor U op dit moment wel hetzelfde: “Ik zie het niet meer zitten” zeggen we dan, de situatie is “uitzichtloos”. Alsof je blind bent. Alsof je zelf Bartimeüs bent. Afhankelijk van armzalige aalmoezen van aandacht die anderen je toewerpen. En U weet: dat is het laatste wat mensen willen, afhankelijk zijn. We willen ónafhankelijk zijn en gerespecteerd worden. Dat willen we als volk (de hongaren precies zoals wij) èn als individu. “Het verpleeghuis” bijvoorbeeld is voor veel ouderen hét grote schrikbeeld. “De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden” zo staat er in de evangelietekst, maar je kunt hetzelfde zinnetje ook met de regelmaat van de klok in het verpleeghuis horen: “Nee meneer van Dalen, nu even niet, ik ben nu bezig met mevrouw Jansen. Ik kom zo bij U.” Maar Bartimeüs roept niet de juf of de ziekenbroeder, hij roept Jezus. “Hij begon te schreeuwen” zo staat er. Opstand! Wat een kracht zit er in die blinde bedelaar. En als ze hem de mond willen snoeren, als ze willen dat ie dimt, dan gaat ie alleen maar harder schreeuwen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij.”

Wat er vervolgens gebeurt is een prachtig staaltje pastoraat, van herderschap. Jezus haalt niet één of ander toverkunstje uit, maar “het gebeurt” in de manier waarop hij omgaat met deze blinde en in die uitzichtloze situatie hópeloze man. Jezus blijft staan zo staat er. Het roepen van Bartimeüs heeft gemaakt dat Jezus niet zijn weg vervolgt, maar blijft staan. Dus mensen: Roepen, schreeuwen desnoods als je Hem nodig hebt! Hoe luider je kenbaar maakt dat je er bent, des te beter is het. Jezus zei: “Roep hem.” Wonderlijk. Jezus heeft Bartimeüs toch zelf duidelijk gehoord. Kan Hij niet zelf rechtstreeks terugroepen? Nee, dat doet hij niet. Nee, hij schakelt de andere mensen die het allemaal meemaken ín, de mensen door wie Bartimeüs zoëven nog werd toegesnauwd. Maar nu hebben ze Jezus’ stem gehoord die tegen hén heeft gezegd dat ze Bartimeüs moeten roepen. Zo werkt dat veelgeliefden. God roept ons ín en door mensen. Hij schakelt ze daarbij in. Wij mogen elkaar in Zijn Naam roepen en toespreken. Zijn stem klinkt in de onze. Dat kán. “Houd moed, sta op, Hij roept U.” De mensen door wie Bartimeüs zojuist nog toe werd gesnauwd tappen nu uit een geheel ander vaatje. Opeens zijn ze vriendelijk, ondersteunend en liefdevol geworden. Zo kan ’t óók - in het verpleeghuis en tegen de buren. Een wereld van verschil is er opeens. En het heeft ook meteen effekt: Bartimeüs gooide zijn mantel af, sprong op nota bene en ging naar Jezus. Een zelfbewuste, energieke beweging. Jezus gaat niet zelf naar hem toe, nee, Hij is blijven staan om Bartimeüs zélf de kans te geven om naar Hém toe te komen - terwijl hij dus nota bene blind is … Belangrijk voor ons mensen! Voor ons die ook zo de neiging kunnen hebben om in de touwen te gaan hangen als lusteloze zoutzakken. Als wij laten horen dat we er zijn en dat we Hem, Jezus, nodig hebben, dan hoort Hij ons en dan maakt Hij een pas op de plaats. Maar dan moeten we vervolgens, aangemoedigd door de stemmen van lieve mensen in wie wij Zijn, Jezus’, stem al kunnen horen; we moeten dan vervolgens wel zélf nog in beweging komen. Je krijgt ’t niet kado dus. Zó gemakkelijk is ’t geloof niet. Je moet er echt wat voor doen. En als Bartimeüs dan bij Jezus ís, als hij oog in oog met Hem staat, dan vraagt Jezus: “Wat wilt U dat ik voor U doe?” Veelgeliefden, is dat geen vragen naar de bekende weg? Kan Jezus dat zelf niet bedenken? Nee, mensen. Het is belangrijk dat we het zelf onder woorden brengen, onze nood en wat wij nodig hebben. Het valt mij vaak op, bij de formulering van gebeden, als ik mensen gebeden uit hoor spreken, dat mensen zeggen: “Ik hoop dat ik beter word”. Of: “Ik hoop dat ’t beter mag gaan met m’n zus”. Dat vind ik altijd jammer, want “hopen” is te weinig voor een gebed mensen. Als je zegt “hopen” dan lijk je er al van uit te gaan dat dat gebed “toch wel niet verhoord zal worden” of “toch wel niet zal uitkomen.” Daar zit al een grote dosis ongeloof eigenlijk in, in zo’n gebed. En dan bouw je dus de mislukking en teleurstelling zelf al bij voorbaat ín als het ware. Ik denk: Er is meer nodig! Kijk maar naar Bartimeüs. Ongegeneerd zegt hij tegen Jezus: “Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.” Het is bijna een bevel aan Jezus! “Zorg dat …” En Jezus zegt: “Ga heen, uw geloof heeft U gered”. Veelgeliefden, ik wens de hongaren en U en mij zo’n groot en sterk geloof tóe, een geloof waar God gewoon niet omhéén kan, een geloof dat Hij niet onbeantwoord kán laten. Moge ons geloof, veelgeliefden, alle mist en uitzichtloosheid doen verdampen. Mag het ons weer helder doen zien. Amen.

Zoeken in Preken Online