30° Zondag B (2012)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Moet u zich voorstellen: twee arme boerenmensen van vroeger. Ze zijn kinderloos, helaas. En op de avond van de dag waarop ze vijftig jaar getrouwd zijn geweest, staan ze in hun slaapkamer aan de voet van het ledikant tegenover de grote ouderwetse linnenkast die daar staat, een kast met zo’n grote pas-spiegel in het midden. Met z’n tweetjes staan ze dáár vóór, hij en zij, in hun armoedig nachtgoed, allebei met een gerimpelde huid. Ze zien zichzelf staan. En in de spiegel kijken ze elkaar áán. “En toch zou ik je voor nog geen miljoen willen missen” zegt hij. “Ik jou ook niet,” zegt zij: “Ik zou jou óók voor geen miljoen willen missen.” “Nou,” zegt hij, “je zou toch niet zeggen dat daar voor twee miljoen staat…”

Ik heb u dit verhaal eerder verteld, misschien al wel een paar keer in de achttien jaar dat “ik hier sta”. Dat verhaal komt van Kees Stet uit Ierswoud, de ooit heel bekende Westfriese conférencier (1900-1979). Mijn vader is Westfries en wij hadden vroeger thuis van die Kees Stet “een plaat”. Dat is wat we nu een CD zouden noemen, maar dan groot en zwart, die je afspeelde op een zogenaamde “pick-up”, met “een naald”. Als kind heb ik vaak naar die plaat van Kees Stet geluisterd en er vaak om gelachen. Dat verhaal over die twee oude mensen in hun nachtgoed, dat vond ik het mooist: “Ik zou je nog voor geen miljoen willen missen.” “Nou, je zou toch niet zeggen dat daar voor twee miljoen staat.” \

Ik dacht: ik vertel ’t vandaag nog een keer vanwege Bob en Wil van Leerdam die vandaag vijftig jaar getrouwd zijn. Die zullen zich in dat verhaal op een bepaalde manier best herkennen, ook al zijn zij niet arm en ook al hebben zíj kinderen en kleinkinderen.

“Je zou toch niet zeggen dat daar voor twee miljoen staat.” Ja mensen, wat zijn wij waard? Er zijn van die mensen, die zou je soms een cent geven… mensen met allerlei gebreken. \

In de eerste lezing van deze zondag, uit het boek van de profeet Jeremia gaat het over “Jakob”. “Jubel van vreugde om Jakob.” Met “Jakob” wordt het volk Israël bedoeld. En dat volk wordt “de heerser van de volken” genoemd. Maar wat is dat voor een volk? In zijn dagen stelt het niet veel meer voor. Het is nog maar een schijntje van wat het geweest is dat volk. En denk daarbij dan gerust ook maar aan ons als kerk in deze tijd, anno 2012: Wat stellen wij nog voor? Jeremia ziet alleen nog maar een armzalige rest. Het zijn allemaal mensen met een gebrek. Het is een volk dat bestaat uit blinden en lammen. Zo’n blinde zoals er in het evangelie van deze zondag aan de kant van de weg zit. En die blinde, dierbare gasten en parochianen, die blinde dat zijn wij. Die blinde dat is de mensheid. Die blinde dat is de armzalige rest van die kerk van ons. Die blinde bent u. Die blinde ben ik: een mens, een kerk, een wereld, een mensheid in nood. In die blinde zien we voor ons wie en wat we werkelijk zijn, in wezen niet veel meer, of nee: precies hetzelfde als die twee oudjes aan de voet van hun ledikant op de dag van de vijftigste verjaardag van hun kinderloos huwelijk.

Wie zijn wij eigenlijk? En wat hebben we eigenlijk gepresteerd en voortgebracht? Mensen kunnen denken dat ze héél wát zijn. Denk even aan Jos van Rey, de afgetreden wethouder in Roermond, aan Riccardo Offermans, de burgemeester van Meerssen die het zou worden van Roermond, maar dat gaat niet door, denk ook aan Ton Hooijmaijers, de oud-gedeputeerde van Noord-Holland. Toevallig allemaal van de VVD en alledrie van hun voetstuk gevallen net als Bram Moszkowicz, de top-advocaat. “Wie zich verheven waanden, heeft hij uiteengeslagen. Machthebbers heeft hij van hun troon gehaald” zingt Maria in het Magnificat (Lucas 1, 52). Zie ze voor u in huize Hooijmaijers en Moszkowicz, in huize Van Rey en Offermans, zie ze zitten of staan aan de rand van het bed tegenover de kleerkast. Man in nood, mens in nood. Het is te hopen dat de heren het kunnen zien, het is te hopen dat ze het kunnen toegeven, het is te hopen dat hun de ogen opengaan voor wie ook zij in wezen en werkelijk zijn: een schamel, een armzalig, een eenvoudig en nederig mens, een mens in nood die andere mensen nodig heeft en die ten diepste God nodig heeft. \

Alleen als je weet dat je blind bent kun je van die blindheid genezen worden. Je moet dat inzien en je moet er om vragen. In het evangelie gebeurt precies dát: “Wat wilt u dat ik voor u doe?” vraagt Jezus aan de blinde bedelaar Bartimeüs. En de blinde zei hem: “Rabboeni, dat ik weer kan zien.” “Ga,” zei Jezus, “uw vertrouwen is uw redding.” Meteen kon hij weer zien, en hij volgde Hem (Jezus) op zijn weg." Alleen wie al z’n pretenties en eigendunk opgeeft, alleen voor die mens is er toekomst. “Eenvoudigen brengt hij tot aanzien, behoeftigen schenkt hij overvloed” zingt, opnieuw, Maria (Lucas 1, 53). Zo geldt het voor mensen afzonderlijk en zo geldt het voor elke gemeenschap van mensen en met name voor ons als kerkgemeenschap. Wij zijn: zoals “wat overbleef van Israël”. Wij zijn gebrekkigen. Wij zijn, om met Jesaja te spreken; wij zijn “blinden en lammen”. En alleen als zodanig kan Israël en kan op haar beurt De Kerk “heerser van de volken” zijn: door voorop te gaan in het niet vertrouwen op eigen macht en kracht, maar in het zichzelf toevertrouwen aan God. Voor elk van ons, veelgeliefden, is dát de weg. Jeremia: “De Heer heeft redding gebracht over zijn volk, over wat overbleef van Israël. (…) Van het einde van de aarde breng ik ze bijeen. (…) In dichte drommen keren zij terug. Bedroefd gingen zij heen, getroost leid ik hen terug.” Zo wordt ook van de van zijn blindheid genezen bedelaar Bartimeüs gezegd: “hij volgde Hem (Jezus) op zijn weg”. En wij weten welke weg die van Jezus is. Het is de weg die uitkomt bij het kruis. Ook wijzelf komen in ons leven dat kruis steeds weer tegen. Maar met Jezus kunnen wij het dragen en door elke dood in het leven en aan het eind van het leven heenkomen.

Met hoeveel mensen zijn wij hier op dit moment samen? Het wordt altijd geteld! (Het antwoord komt van boven, van het koor: 172 mensen). Nou, je zou toch niet zeggen dat hier voor 172 miljoen bij elkaar zit. 172 mensen die hopelijk allemaal weten dat ze blind zijn, dat ze in nood zijn en van wie de ogen ervoor zijn opengegaan, of dat is nog bezig te gebeuren, dat ze God en andere mensen, ja dat ze ook God ín andere mensen nodig hebben om te leven. Jezus was en is zo’n mens. Laten wij Hem volgen op Zijn weg. Mogen wij allen mensen zijn in wie God leeft. Amen.

Zoeken in Preken Online