Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden - oecumene (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Vorige week zondag zat ik in de bus die ons vanuit Oostenrijk naar Nederland bracht. Twee nèt even tè humoristische chauffeurs, Hans en Jan geheten, zaten beurtelings achter het stuur. Rond zeven uur ’s morgens kwamen we aan in Heerlen, waar een deel van de passagiers uit moest stappen. “Wel thuis!” riep Jan hen toe, “jullie zijn nog mooi op tijd voor de kerk!” Deze woorden hadden een grote hilariteit tot gevolg. “Ja,” ging Jan verder, hikkend van het lachen, “Hans en ik gaan straks ook!” Heel even voelde ik mij als een dinosaurus die op het punt van uitsterven staat. En ik moest denken aan het thema van vandaag. “Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, daar word je vandaag de dag hartelijk uitgelachen…”
Mattheüs heeft het in zijn 18e hoofdstuk niet over kerkgang, maar wel over kerkzijn. Mattheüs heeft ons een zorgvuldig gecomponeerd evangelie nagelaten, waarin hij de woorden van Jezus heeft gebundeld in vijf lange toespraken. De eerste toespraak is later “Bergrede” gaan heten, de redevoering waarin Jezus ons de grondwet van het Koninkrijk Gods voorlegt. Daarna volgen er een “Uitzendingsrede” en een “Gelijkenissenrede”. De vierde toespraak, die vaak de “Gemeenterede” wordt genoemd, begint bij hoofdstuk 18, en vertelt wat kenmerkend zou moeten zijn voor de nieuwe messiaanse gemeenschap. “Grenzenloze vergevingsgezindheid”: dat is, zo vernamen we uit de lezing van daarnet, één van de karakteristieken van de kerk, de gemeente van Christus. “Zeventig maal zeven keer vergeven,” krijgt Petrus als opdracht mee.
Een vraag van de leerlingen zet de toon van dit hoofdstuk: “Wie is eigenlijk de grootste in het Koninkrijk van de hemel?” Mensen vallen altijd weer voor de grootste, de mooiste, de beste of de slimste. Het draait steeds om aanzien, prestatie en macht. Maar dan zet Jezus een kind in hun midden, met de woorden: “Als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het Koninkrijk (…) zeker niet binnengaan.” Uit het verband wordt duidelijk dat hiermee niet “geloven als een kind” of “denken als een kind” wordt bedoeld. Het gaat over het afzien van grootheid, status, machtsbehoefte of machtsvertoon. In de woestijn weerstond Jezus zelf de verleiding van de macht. Zijn volgelingen mogen Hem volgen op dat spoor van liefde en zelfverloochening; dáárin schuilt hun “grootheid”.
Het is verhelderend om het hoofdstuk door déze bril te lezen. Dat voorkomt misverstanden. Immers: de woorden die we te horen kregen zouden gedachten aan machtsmisbruik op kunnen roepen. Een zondigende broeder of zuster moet je ter verantwoording roepen, eerst onder vier ogen, dan met een of twee anderen erbij, en vervolgens met medeweten van de hele gemeente. Het lijkt op een stevig staaltje van sociale controle, waarbij de geringste afwijking van het rechte pad onder grote druk wordt gecorrigeerd. Benauwende beelden van een betuttelende kerk, die alle vormen van creativiteit of originaliteit de kop indrukt, komen bij je op. Maar als we zien dat het in dit hoofdstuk juist gaat over het afzien van macht en dwang, komen we tot een andere interpretatie. Dan zien we een gemeente die tot het uiterste gaat om een zichzelf buitensluitende broeder of zuster voor de gemeenschap te behouden. Als alle gesprekken en smeekbedes geen effect hebben gehad, “…behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.” Dat heeft niets te maken met excommunicatie of voor dood verklaren. Jezus zelf zocht heidenen en tollenaars telkens weer op. Er blijft altijd hoop op herstel van het verbond. Deze tekst propageert allerminst het definitieve doorsnijden van banden. Integendeel: het gaat eerder over het opzij zetten van gekrenkte trots, en het overwinnen van moedeloosheid, om je broeder of zuster binnen het verbond te houden. Niet toevallig gaan woorden over het verloren schaap aan deze zinnen vooraf, woorden die aantonen dat de Herder niet zal rusten voordat Hij het verdwaalde schaap weer gevonden heeft. De gemeente van Christus zal aan dàt herderschap vorm moeten geven. En dat is dus een ànder kenmerk van de gemeente: weten dat èlk mens in Gods oog waardevol is, juist ook de geringe en over het hoofd geziene mens, en daarom tot het uiterste gaan om de verbondenheid met die mens in stand te houden.
Al in de “Bergrede” wordt duidelijk dat de woorden van Jezus ons ter verantwoording roepen, en ons oproepen tot verandering. De boom wordt beoordeeld naar zijn vruchten. “Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt zal het Koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader” (Matt. 7: 21). De naam des Heren aanroepen is een buitengewoon riskante onderneming, omdat je dan bereid zult moeten zijn je leven om te vormen in de richting van de levenshouding waar deze naam voor stáát. Scherper gezegd: de naam van God in de mond nemen zonder die naam te willen dienen, dat is vloeken! Zó zal ook ons thema van vandaag in de allereerste plaats verstaan moeten worden: als een oproep, als een woord dat ons dringend ter verantwoording roept. “Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.” God is alleen dáár te vinden, waar mensen wèrkelijk zijn naam hoog willen houden…
Het is dan ook niet zómaar wat, die naam van God. De naam onthult de identiteit. Als Mozes bij de braamstruik vraagt naar Gods naam, krijgt hij te horen: “Ik ben. Ik ben de God die bij je zal zijn, bij jou en bij jouw geknechte volk. Ik trok al mee met je voorouders, met Abraham, Isaäk en Jacob, en Ik zal meegaan met de nog komende generaties. Ik ben er…” We hoorden in de verzen uit Exodus hoe God deze naam wáármaakte, tijdens de reis door de woestijn, naar het beloofde land. Het Nieuwe Testament getuigt ervan hoe God zijn naam weer doet oplichten in Jezus (“God biedt redding” betekent die naam), die de bijnaam “Immanuël” krijgt: God met ons. Jezus is de man die Gods liefde zichtbaar en voelbaar maakt onder de mensen, en daarbij elke vorm van macht van de hand wijst; liever laat Hij zich, in volstrekte machteloosheid, aan een kruis spijkeren. In déze naam komt de gemeente samen, en dat kàn niet vrijblijvend zijn. Vandaar dat Mattheüs in zijn “Gemeenterede” een paar duidelijke kenmerken van gemeentezijn op een rij zet: worden als een kind, afzien van machtsvertoon en machtsbehoefte, weten dat ieder mens meetelt, en daarom de verbondenheid in ere houden, vergevingsgezind zijn (wat je ook kunt opvatten als: afzien van de macht die je over elkaar probeert te houden door elkaar schuldig te blijven verklaren!).
Natuurlijk is het óók een tróóstend woord: “Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.” Het is een woord dat ons de naam van God (“Ik ben er!”) weer in herinnering roept, een woord dat verwijst naar Gods bevrijdende aanwezigheid in ons midden. Maar allereerst is het een woord dat ons onder kritiek stelt, dat ons oproept tot eenvoud, verbinding en vergeving. Beseffen wij wel waar deze naam voor stáát? We hebben te maken met een verrassende God, over Wie een dichter eens zei:
Hij alleen zou met een grote sigaar in de mond
op straat mogen lopen, met de duimen in zijn vest,
want Hij is God.
Maar Hij doet het niet,
want Hij is God.
Is het niet allemaal aan dovemansoren gezegd? Feit is dat macht en dwang de kerk tot een tweede natuur geworden zijn. Het verhaal van bijvoorbeeld vrouwen, homoseksuelen of afvalligen binnen de kerk is een verhaal van eeuwenlange onderdrukking en vernedering. Veel te vaak stond de kerk aan de kant van de machthebbers, en niet aan de zijde van armen en geringen. In onze dagen worden kerken geconfronteerd met teruglopende ledentallen, financiële tekorten, en de dreigende sluiting van gebouwen. Men vergadert zich suf over vragen als: “Hoe houden we onze jongeren vast, en hoe worden we als kerk weer aantrekkelijk?” Eerlijk gezegd verdenk ik de kerken ervan dat het in al deze commotie ten diepste niet gaat om zorg voor deze jongeren of weglopende mensen, maar om angst voor verlies van invloed, om heimwee naar de volle kerken en de vanzelfsprekende macht van vroeger. Telkens opnieuw dromen kerken (en mensen trouwens ook) van macht en aanzien, van het zich groot maken en zich verheffen. Dan raakt de menselijke maat buiten beeld, en worden opnieuw de regels boven de mensen gesteld, zoals we ook vandaag weer ervaren, nu de intercommunie in deze viering ons van hogerhand verboden is.
Soms denk ik wel eens: dat getob over leeglopende kerken en mensen, dat verdwijnen van de kerk uit onze cultuur, dat hoongelach van Hans en Jan, - het heeft allemaal een bedoeling!
Wij moeten weer leren dat het volgen van Jezus niets te maken heeft met het je verwerven van een náám onder de mensen, maar enkel en alleen in het dienen van de naam van God, een naam als een belofte: Ik zal er zijn…

Zoeken in Preken Online