Preek – 3e zdj – B - Jona 3,1-5.10
ZONDAG in de BIDWEEK voor de EENHEID der CHRISTELIJKE KERKEN
Laten we even bezinnen over de eenheid tussen de verschillende christelijke kerken naar aanleiding van de internationale oecumenische bidweek.
Geven wij er ons weer eens rekenschap van dat de eenheid een belangrijke zaak is waarvoor wij niet onverschillig kunnen zijn.
Het boek Jona bewijst ten overvloede dat God ernstig bezorgd is om alle mensen, wat ze ook zijn. De hoofdfiguur Jona is een fanatieke Jood. En als God hem vraagt naar Nineve te gaan om boete te prediken, wil dat er bij hem niet in. Wat wil God zich nu deze heidenen aantrekken, denkt Jona. En hij gaat er niet heen. Maar jullie kennen het verhaal: zijn ontsnappingspoging heeft niet veel succes. En God vraagt hem nog eens naar Nineve te gaan. En het koppige, enge Joodse fanatisme van Jona moet buigen voor de ruime goede wil van God die naar alle mensen uitgaat.
Zo moeten wij net als Jona ons hoofd buigen en erkennen: God is er niet alleen voor ons, niet alleen voor mijn stand, voor mijn partij, voor mijn land of voor mijn Kerk. Gods liefde is groot genoeg voor allemaal.
In verband hiermee citeer ik een artikel dat als titel draagt: “Is God nog steeds aan het werk?” De schrijver maakt een vergelijking tussen wat zich voordeed in de jonge Kerk en nu. De jonge Kerk stond voor een onoverzichtelijk probleem: niet-Joden, onbesnedenen opnemen in de Kerk. Onze Kerk nu staat voor de vraag van de hereniging. Ik citeer nu letterlijk dit artikel : “Wij staan al een hele tijd voor een even moeilijke beslissing als die van de jonge Kerk in verband met de verkondiging aan de heidenen.
Vandaag de dag hebben wij te beslissen over de vraag of de verdeeldheid binnen de Kerk nog langer te verantwoorden is en of ze nog aanvaardbaar is. Niemand kan immers de diepingrijpende beweging loochenen die reeds tientallen jaren de christenheid beroert: namelijk het verlangen om weer met elkaar te bidden, om gemeenschappelijk te handelen, om de liturgie van de Heer met elkaar te vieren en om elkaar wederzijds als Kerk te erkennen, in eerbied voor de traditie van de anderen, maar evenzeer met alle gevolgtrekkingen van de wederzijdse erkenning.”
En wat verder stelt de schrijver nog een vraag die bijzonder interessant is, en die aan de theologie van het boek Job doet denken. Ik citeer :
“Dat wij tegenwoordig op oecumenisch vlak, ondanks veel goede wil zo weinig vooruitgang maken, ligt klaarblijkelijk aan een vreselijke onbeweeglijkheid die ons verlamt. Het valt ons zeer zwaar om onbegane paden te kiezen en grenzen te overschrijden. En nu is de vraag: hangt deze onbeweeglijkheid niet samen met een eenzijdig Godsbeeld? Houden wij niet te weinig rekening met het feit dat God voortdurend grenzen overschrijdt, dat God nog steeds scheppend aan het werk is, dat Hij ook nu nog lang niet aan het einde van zijn werk is, dat Hij ook in onze dagen met zijn Kerk nieuwe richtingen kan inslaan? … Zouden wij theologisch gezien in staat zijn te spreken van de hedendaagse historische daden van God en een beweging die nu door het christendom gaat, als werk van God te bestempelen?”
Dit waren een paar gedachten die de oecumenische beweging in haar diepste wezenheid raken.
In de tweede plaats willen we eens kijken naar de 4 terreinen waarop de oecumenische beweging zich afspeelt.
a/ Het 1e terrein is het theologisch of leerstellig gebied. Het zijn de vragen rond openbaring, traditie, rond Bijbeluitleg, rond geloof, rond genade. Hier zijn belangrijke resultaten geboekt. In ieder geval is men ermee opgehouden elkaar als vijanden te beschouwen. Men stuurt elkaar geen verwijten meer toe. Bovendien heeft men over veel punten overeenstemming bereikt. Het moeilijkste punt om overeenstemming over te bereiken is nu wel het ambt en het gezag van de Kerk. Rooms-katholieken, orthodoxen, anglicanen en protestanten kunnen zich daaromtrent moeilijk verenigen.
b/ Her 2e terrein is dat van de instellingen. Dat veronderstelt structurele contacten en officiële onderhandelingen. Zo is erin 1970 een verklaring van de Belgische Bisschoppen verschenen over het huwelijk tussen katholieken en gedoopte niet-katholieken. In 1971 is er een verklaring verschenen van de katholieke en protestantse kerken in België waarbij zij wederzijds de doop als geldig erkennen. Dat waren misschien de gemakkelijkste punten. In 1999 echter werd door de lutheraanse en katholieke theologen een verklaring ondertekend waarbij zij erkennen dezelfde inhoud te geven aan de leer van de rechtvaardiging.
c/ Het 3e terrein waarop de oecumenische beweging werkt, is dat van de gemeenschappelijke dienst aan de wereld. De Kerken zijn gezamenlijk bekommerd voor de noden van de wereld. Over alle verschillen heen zijn de christenen gezamenlijk bezig met de grote vragen van de wereld, zoals bijvoorbeeld de rechtvaardigheid, de honger, de vrijheid, de mensenrechten. De jongeren zijn voor deze vorm van toenadering wel het meest toegankelijk.
c/ Tenslotte is het 4e terrein van de oecumenische beweging het GEESTELIJKE terrein. Dit is uiteindelijk de ziel van alles. De eenheid is eigenlijk een gave Gods. Mensen kunnen de voorwaarden scheppen, maar God schenkt de eenheid. De eenheid kan maar groeien als alle Kerken Jezus’ woorden ter harte nemen: bekeert u. Als de christenen in alle kerken voortdurend streven naar een innerlijke ommekeer, als zij afstand nemen van schuld en zonde en streven naar een meer evangelisch leven, als christenen blijven bidden, persoonlijk en gemeenschappelijk voor de eenheid.
Abdijen en kloostergemeenschappen kunnen op dit vlak van de oecumenische beweging een rol spelen door hun gastvrijheid voor christenen van andere kerken en hun gemeenschappelijke gebedsdiensten met hen .
Dit 4e terrein van de oecumenische beweging werd ooit mooi omschreven door de vroegere primaat van de anglicaanse Kerk, aartsbisschop Ramsey, en daar wil ik mee eindigen.
“Wat er verkeerd is met het christendom is niet alleen dat wij verdeeld zijn, maar dat het ons mankeert aan heiligheid en dat wij de waarheid niet ernstig opnemen. En aangezien het zo met ons gesteld is, lijkt het mij volslagen onvoldoende dat wij denken en spreken over her-eniging, tenzij wij in één adem ook denken en spreken over her-heiliging en over her-ontdekking van de waarheid in haar volheid.”