“ Als je groot wil zijn, moet je dienaar worden.”
Het is een zinnetje met een scherp randje.
Het roept heel veel in je wakker
en voor je het weet heb je het verkeerd begrepen.
Dienaar zijn roept iets op van een hiërarchie.
Je staat onder iemand anders, onder een vraag of een bevel.
Je haalt jezelf naar beneden zodat de ander groter kan worden.
Het kan je iets zeggen over vernederd worden of jezelf vernederen.
Dan hoor je hoe kleiner je wordt, hoe minder ruimte je inneemt, hoe beter.
Hoe meer je je opoffert, hoe beter de wereld er van wordt.
Maar is dat dienaar worden?
Bewijs je iemand een dienst door jezelf
naar beneden te halen en uit te vlakken ?
De kans is bijzonder groot dat je dan stilletjes
blijft hunkeren naar erkenning,
of minstens op een beloning die uiteindelijk zal wachten.
Maar wie of wat heb je dan gediend? Je eigen uitgesteld levensgeluk?
En God die mensen op de wereld zet
om zichzelf te doen vergeten?
Is het dat wat je echt wil geloven.
Dienaar zijn is op de eerste plaats
ten dienst staan van jezelf.
En dat betekent helemaal niet dat je blind wordt voor anderen.
Het wil zeggen dat je dienstbaar wordt
aan alle mogelijkheden en kansen die je met je meedraagt.
Je wordt een tedere zorgdrager voor je eigen pijn en verdriet.
Zo zal je groeien en groter worden als mens.
Op die manier zal je anderen ongedwongen helpen en uitdagen
om hetzelfde te doen. Gewoon door wie jij bent. Je zal hen dienen
zonder hun beste dienaar te willen zijn.
- 29e zdj – B - * federatie St.-Andries-St.-Michiels-Brugge * bij Mc. 10,35-45 * door Vincent Duyck