27e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Voor de derde keer spreekt Jezus over de kleinen. ‘Hij nam een kind en zette het in hun midden’. Hij waarschuwde tegen de ergernis aan de kleinen. Nu brengt men zelf ‘kinderen bij Hem met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken’. Hij omarmt ze, zegent ze en legt hun de handen op.

De kinderen kunnen wel lastig zijn, ze dringen zich op ook als we het niet willen: ‘Bars wezen de leerlingen ze af’, tot verontwaardiging van Jezus. Ook voor Hem zijn ze misschien een last. Toch zegt Hij: ‘Laat de kinderen bij Mij komen en houdt ze niet tegen’.

Eigenlijk zijn ze een ontspanning, zelfs een oplossing in het geschil van vandaag, een oplossing op de vraag over de echtscheiding, zoals ze een ontspanning en een oplossing waren op de vraag wie de grootste zou zijn in het Koninkrijk Gods. Vandaag herhaalt Jezus dat trouwens: ‘Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan Als ge naar macht streeft, worden de kinderen gemakkelijk uw vijanden. Als ge het huwelijk ‘om de hardheid van uw hart’ eigenlijk op macht en niet op liefde grondvest, worden zij vroeg of laat ook uw vijanden. Bars wijst ge ze af en houdt ge ze tegen zodat ze niet bij Jezus komen. Is het toevallig dat Jezus dat zegt terwijl Hij naar Jeruzalem opgaat? Is het te verwonderen dat die woorden vallen, dat Jezus er de kinderen bijhaalt op het ogenblik dat Hij zijn apostelen voorbereidt op wat in Jeruzalem zal gebeuren?

Het is helemaal niet toevallig noch verwonderlijk. Jezus gaat naar Jeruzalem om God en mens te verzoenen. Van de mens uit bekeken lijkt dit onmogelijk. Maar ‘bij God is alles mogelijk’. Als een kind het Koninkrijk binnengaan, bij God is het mogelijk. Zich voor de andere geven in huwelijksruzies, met God is het mogelijk. De mensen willen zich voor mekaar niet geven, laat staan dat ze zich âân mekaar zouden geven. Met God is het mogelijk. Jezus hééft zich aan zijn broeders gegeven. God hééft zich aan ons gegeven. Voor wie zich op Hem beroept is de liefde mogelijk, is het mogelijk de liefde boven de macht te verkiezen.

Bij het begin van elke liefde is er steeds iets van het begin van de schepping. De jongen vindt altijd in zijn meisje een hulp die bij hem past. Het meisje vindt in haar jongen altijd de man die haar heel haar leven zal helpen. Althans dat verlangt zij, dat hoopt hij, daarvan dromen zij in hun ‘diepe slaap’, en in hun wakkere jonge liefde. Zij zijn geschapen naar Gods ‘beeld en gelijkenis’. Ook in de liefde, vooral in de liefde, zijn zij ‘Gods beeld en gelijkenis God heeft de mens nodig en niet nodig. Hij geeft hem het bestaan om met hem gemeenschap te hebben, om met hem in gemeenschap te zijn, om zijn gemeenschap van Vader, Zoon en Geest met hem te delen, met hem te vieren. Is dat niet het feest van de liefde? Zijn man en vrouw niet het meest ‘Gods beeld en gelijkenis’ als ze één zijn in de sterfelijkheid van het vlees maar sterk in de onsterfelijke eenheid van hun geest? Het is precies dan dat zij hun liefde doorgeven, hun gemeenschap en eenheid voelen uitvloeien in het leven van de kinderen, verwekt ’naar hun beeld en gelijkenis’ en op hun beurt ‘beeld en gelijkenis van God’.

Het is niet toevallig of verwonderlijk dat Jezus er de kinderen bij haalt als Hij over de moeilijkste problemen spreekt. Zij herinneren ons aan het begin, ze zijn een nieuw begin, nieuw ‘beeld en gelijkenis van God’, nieuwe schepping. Mozes’ Wet en al onze andere wetten zijn een hulp en bescherming in een harde wereld, maar ze spijkeren ons ook vast op de hardheid van ons hart. Ze zijn een noodoplossing. De liefde maakt de wet overbodig. Niet in gehoorzaamheid aan een wet, maar uit liefde heeft God de mens geschapen. Niet zijn wet, maar zijn liefde heeft hem verlost. Het is, zoals ‘in het begin’, niet de wet, maar de liefde die in het huwelijk man en vrouw schept, verlost en herschept.

Zoeken in Preken Online