Homilie op de 27e zondag door het jaar B: “Wat God heeft verbonden…” (Gen. 2, 18-24 en Mc. 10, 2-12)
Tielt, 7 oktober 2012
Ik moet vandaag, aansluitend bij de lezingen die we zopas beluisterd hebben, een homilie houden over het huwelijk. Dat is een delicate en hachelijke onderneming. Er gaat immers geen week voorbij of je hoort dat ergens een huwelijk op de klippen loopt; niet alleen bij mensen die slechts enkele jaren getrouwd zijn, maar evenzeer na 20 of 30 jaar huwelijksleven. Te veel! Dat is jammer. Want, wie dat heeft doorgemaakt en dan verder als gescheiden man of vrouw, of kind of vader en moeder van gescheiden mensen door het leven moet gaan, weet hoe zwaar dat valt, wat voor wonden er geslagen worden… Het is dan ook niet christelijk die gescheiden mensen, die veelal bedrogen of verlaten of minstens diep ontgoocheld zijn, nog eens te vernederen en te veroordelen. Misschien zijn het precies die gehuwden die mislukt zijn en gescheiden, die ervaren hebben hoe lang en hoe donker de tunnel van eenzaamheid en ontgoocheling bij een echtscheiding is, die zelf meegemaakt hebben wat een drama het meestal is voor hun kinderen, precies die mensen met een gebroken relatie beseffen het best dat Jezus’ ideaal van de onverbreekbaarheid van het huwelijk een blijde boodschap is, een bron van vreugde en geluk voor de mens.
Maar de huidige maatschappij maakt het gehuwden niet gemakkelijk.
Vele gehuwden hebben beide een full-timeberoep en moeten, als ze thuis zijn de drukte en de stress van hun werk combineren met de zorg voor het huishouden en de kinderen, die reeds van de vroege morgen in de peutertuin of op school afgeleverd werden. En onze maatschappij is vrij hard en veeleisend. De hele dag moet je hard zijn om te vechten voor je bestaan en dan moet je thuis plots weer zacht en lief worden. Dat is een moeilijke opgave: met dezelfde handen waar je de hele dag zenuwachtig mee werkt, moet je ’s avonds plots gaan strelen; ogen die de hele dag wantrouwig of hard staan, moeten thuis lief gaan kijken.
We leven ook in een wegwerpmaatschappij. Alles schijnt voorlopig te zijn, alles moet tijdig vervangen worden. Meubelen, huisraad, T.V.’s, auto’s. Overal staan containers; je moet zelf sorteren. Ook arbeiders, bedienden en directeurs moeten eruit als de omzetcijfers tegenvallen. Die mentaliteit beïnvloedt het wegwerpgedrag van vele gehuwden. Voor velen schijnt het huwelijk een contract, dat slechts geldt voor een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden: als jij dat doet, doe ik dit; als jij dat niet doet, dan hoeft het niet meer. Dat vele gehuwden scheiden, hoeft ons dan ook niet te verwonderen.
Die gescheidenen behelpen zich dan maar. Sommigen gaan dan als alleenstaande door het leven. De meeste kunnen dat niet, - ze hebben dat ook niet gekozen! – maar willen zich niet meer binden. Weer anderen proberen het een tweede keer: sommigen officieel in een 2e burgerlijk huwelijk; anderen buiten de wettelijkheid, - ik zou bijna durven zeggen “in het zwart” – omwille van het pensioen, het onderhoudsgeld of de financiële regeling met de kinderen. Wij noemen ze “onregelmatige gezinnen”, die soms regelmatiger zijn dan de “regelmatige”. Soms zijn ze gezegend, hoewel niet kerkelijk ingezegend. En sommige die “in het zwart” leven, hebben een betere relatie dan sommige die nochtans “in het wit” getrouwd zijn. We zijn dan ook blij dat ook de Kerk thans een religieuze viering bij een dergelijke 2e relatie toestaat en die mensen die mislukt zijn in hun huwelijk, religieus nabij is.
Niet vlug oordelen dus en zeker niet veroordelen. Maar is het niet juist dat wat Jezus doet in het evangelieverhaal? Zegt Hij niet: “Een man die zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt echtbreuk”, en “Wat God verbonden heeft, mag een mens niet scheiden.” Dat klinkt hard voor mensen die in hun eerste huwelijk mislukten en die eindelijk wat rust en geluk vonden bij een nieuwe partner.
Maar, om Jezus te begrijpen, moeten we teruggaan naar zijn tijd. Toen, zoals nu nog in bepaalde culturen, werd de vrouw als een bezit behandeld. Het blijkt letterlijk uit de tekst: een Joodse man mocht zijn vrouw wegsturen met een scheidingsbrief, die hij zelf mocht schrijven. Hij moest zelfs niet naar een rechter of een priester. Het was zeker niet de bedoeling van Jezus hertrouwde mensen aan te vallen. Wel wil Hij de vrouw verdedigen en haar uit haar minderwaardige positie halen. De harde toon van Jezus was gericht tegen de mannenmaatschappij van zijn tijd.
Bij dat alles zouden we bijna vergeten dat in vorige generaties misschien ook één op vier gehuwden een triestige relatie had. Maar ze bleven toen samen. De man kon zijn vrouw moeilijk missen. Wie zou er anders voor hem koken, wassen, strijken, het huis op orde houden, voor hem zorgen als hij ziek was, op de kinderen passen en voorzien in zijn seksuele behoeften? En wat zou er van die gescheiden vrouw geworden? Geen inkomen meer en door niemand aanvaard, zelfs afgeschreven in haar eigen familie.
Laten we bij die statistieken ook niet vergeten dat nog altijd vele echtparen het samen goed stellen. Ook dat moet meer vermeld worden. De vreugde bij heel wat gezinnen, ook jonge gezinnen, omdat zij zich één voelen en bijzonder gelukkig. Je ziet ze, die gelukkige gezinnen, waar de Bijbel waarheid wordt, waar de één de rib is van de ander, de trouwe steun en bron van tedere geborgenheid. Eenheid en trouw die duidelijk aan het licht komen als één van de twee sterft. Dan zie je hoe sterk verbonden mensen kunnen zijn. Aan het verdriet van nu ken je de vreugde van vroeger, van het verloren paradijs.
Dat is, ook op onze dagen, niet uitzonderlijk en ontroerend mooi.
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
(Geïnspireerd op Dries Morel, Gods droom in onze handen
Homilie naar aanleiding van het Feest van Broeder Isidoor 2012: “Is het maar dat!” ( MT. 11, 1-6)
Zusters Passionistinnen, Tielt, 7 oktober 2012
Gisteren vierden we het feest van de Zalige Broeder Isidoor, die op 30 september 1984, in aanwezigheid van familieleden, van talrijke bedevaarders uit Vlaanderen en van confraters Passionisten uit alle werelddelen door paus Johannes-Paulus II zalig verklaard werd op het Sint-Pietersplein te Rome. Hij werd geboren op 18 april 1881. Bij zijn geboorte moest zijn moeder 3 dagen en 3 nachten vechten tegen de dood op, voor haar eigen leven en dat van haar kind. Bij zijn dood kon hij bijna niet rap genoeg van de wereld af zijn. Hij stierf ten gevolge van kanker in de nacht van 5 op 6 oktober 1916. Hij was nog geen 36 jaar oud: in de volle kracht van zijn leven dus. De volgende dag begon de ontbinding van zijn lijk zo plots dat zelfs de wetsdokter de sterfkamer niet durfde betreden. Van aan de deur van de cel verbood hij met het lijk nog door de kerk te passeren. In allerijl werd een kist gemaakt en werd zijn lijk overgebracht naar het zomerhuisje in de tuin van het klooster. Dezelfde avond nog vond de begrafenis plaats. Niemand van de kloosterlingen mocht zijn lijk vergezellen omdat ze geen toestemming kregen. Het was immers oorlog en ze mochten niet over de prikkeldraad waarmee de stad Kortrijk omgeven was. In een onvoorstelbare eenzaamheid werd hij dus begraven.
Maar reeds kort na zijn dood begonnen enkele mensen, die Broeder Isidoor goed gekend hadden, tot hem te bidden om door zijn voorspraak in hun noden geholpen te worden. Geleidelijk aan, en ook nu nog, kwamen meer en meer mensen om te bidden bij het graf van Broeder Isidoor in de passionistenkerk te Kortrijk om hun vreugden, maar vooral hun noden aan hem toe te vertrouwen. Hoe komt dat toch?
Als je zijn al te korte leven aandachtig leest, stel je vast dat hij geen originele theorieën verkondigd heeft en geen grote acties op touw gezet heeft. Hij heeft niets spectaculairs gedaan. Integendeel! En dan zeg je: “Was het maar dat!”
Het doet me denken aan de evangelietekst die we zopas beluisterd hebben. Daarin laat Johannes de Doper, die in de gevangenis zit, door zijn leerlingen aan Jezus de vraag stellen: “Ben Jij de echte man die we zo lang verwachten? Is het maar dat!”
Waarop Jezus niet antwoordt met een lange leerstellige uiteenzetting. Geen catechismusantwoord, want de catechismus, net als de meeste theorieën, overtuigt enkel de overtuigden. Te lang en te veel, vooral in de contestatieperiode van de jaren 1968, voelden velen in de Kerk zich geroepen om, met grote theorieën in de mond en het evangelie en het rode boekje van Mao in de hand, te ijveren voor structuurveranderingen in Kerk en maatschappij.
Dat deed Broeder Isidoor niet. En dan kun je zeggen, net als de kritische Johannes de Doper over Jezus: “Is het maar dat! En wie wordt daar beter van?”
Jezus bewijst aan zijn neef Johannes de Doper zijn geloofwaardigheid niet door een spectaculair machtsvertoon. Dat deed Hij niet. Dat deed ook Broeder Isidoor niet. En dan kun je zeggen: “Is het maar dat! En wat verandert er door zo een leven?” Jezus bewijst aan Johannes de Doper zijn geloofwaardigheid met de simpele woorden: “Ga en vertel aan Johannes wat je hoort en ziet!”
Dat zegt ook Broeder Isidoor vandaag nog aan elk van ons: “Kom en zie!”
Zijn leven was getekend door eenvoud, door tevredenheid met wie en wat hij was en met de nederige taken die hem toebedeeld werden. Elke dag heeft hij simpelweg, maar met vreugde en toewijding, gedaan wat hij doen moest: zowel thuis op de boerderij als later als broeder in het klooster in de meest uiteenlopende taken die hem opgelegd werden: in het onderhoud van de kleine kloosterboerderij, als kok en nog later als portier en bedelbroeder. Al die taken vervulde hij in alle eenvoud maar met een bijzonder plichtsbesef en een nooit aflatende tevredenheid. Altijd content, zo was hij. Het geluk straalde altijd op zijn gezicht en was aanstekelijk. Het vervullen van zijn plicht was altijd gericht op het welzijn van zijn medemensen. “Broeder Goed” was de bijnaam die de mensen hem gaven. Mooier kan het niet.
Wat een les voor sommige mensen in onze welvaartsmaatschappij, die louter voor zichzelf leven.
Onophoudelijk ook spande Broeder Isidoor al zijn krachten in, niet alleen om tevreden te zijn met wie en wat hij was en doen moest, maar ook om vrede te stichten: de ware vrede naar hart en ziel, de vrede met elkaar, de vrede met God waren de meest geliefde thema’s in zijn brieven.
Wat een belangrijke boodschap voor de mensen, die geen vrede kennen met zichzelf, voor de vele families waar wrevel, jaloersheid en egoïsme heersen, voor de vele gezinnen waar man en vrouw, ouders en kinderen elkaar overvragen!
Dat deed Broeder Isidoor niet. Hij was tevreden met zichzelf en met de mensen met wie hij samenleefde en voor wie hij een instrument van vrede was. Zelfs in de zware beproevingen die hem in zijn korte leven niet bespaard werden, bleef hij zijn innerlijke vrede, geduld en blijmoedigheid bewaren. Klagen deed hij nooit. Wat een sterke boodschap voor de vele mensen bij ons die zo kunnen zagen en klagen, meestal over luxeproblemen!
Zijn kracht putte Broeder Isidoor uit zijn diepe en stichtende vroomheid. Zijn kenspreuk had kunnen zijn: “Met Gods hulp en ter ere Gods.”
Als Passionist bleef de kruiswegoefening één van zijn voornaamst devoties, samen met zijn vertrouwen in zijn hemelse Moeder Maria, de eeuwig glimlachende en onweerstaanbare Beatrice.
Ook daarom mogen veel mensen in onze tijd, waar God afwezig lijkt te zijn, opkijken naar die vrome broeder.
Dat heldhaftige maar eenvoudige leven van Broeder Isidoor kan ons sterk inspireren. Ofschoon hij het zelf niet zou geloven! Hij was immers heel nederig en had een afkeer van uiterlijk vertoon, van show, van drukte en luidruchtigheid. Ofschoon hij niet goed Frans kende, zouden we op hem het Franse gezegde kunnen toepassen: “Le bruit ne fait pas de bien et le bien ne fait pas de bruit”, wat in het Nederlands wil zeggen: “Het lawaai doet geen goed en het goede maakt geen lawaai.”
En zeg niet te gauw wat Johannes de Doper over Jezus zei: “Is het maar dat!”
Broeder Isidoor betekent bijzonder veel: hij is ons kompas, onze reisgids en onze voorspreker bij God..
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt