26e zondag door het jaar Cyclus B 2012-08-24 Num 11. 25-29
Mc 9. 38-43.45.47-48\
Gelooft gij in God? – dan hebt gij het toch goed!
Beste vrienden,
**Lang geleden was er eens een man die van een stad had gehoord, waar alle mensen werkelijk volgens het evangelie leefden. Daarom ging hij op reis om die stad te bezoeken. Als hij haar na lang zoeken eindelijk had gevonden, stond hij verbouwereerd te kijken. Iedereen die hij daar ontmoette was gehandicapt. Bij de ene ontbrak een oog, bij de andere een hand of een voet of soms zelfs beide. Er was echt niemand die helemaal ongedeerd was. „Wat is hier in Gods naam gebeurd”, zei de man, “Welke wrede tiran heeft jullie dat aangedaan?.
“Dat hebben we zelf gedaan!” werd hem geantwoord en hij zag dat de mensen er zelfs fier over waren. Wij hebben dat gedaan omdat er in het evangelie staat:”Als uw oog, uw hand of uw voet u tot kwaad verleiden, ruk ze dan uit of hak ze af”.
En dat zou nu de goede boodschap moeten zijn?
Beste vrienden, misschien hebben jullie, bij het lezen van het evangelie van vandaag ook zo iets gedacht. Als er gesproken wordt van “verdrinken met een molensteen om de hals”, van “handen en voeten afhakken, van „ogen uitrukken“ en van „Hel“, kunt ge dan nog ernstig van een goede boodschap spreken? Als we dat zo zouden moeten begrijpen, dan zouden we in de kerk niet meer met de schaal moeten rondgaan maar met een beenderzaag.
Ik geef graag toe dat ik wel even heb moeten nadenken hoe ik deze tekst in overeenstemming zou kunnen brengen met wat wij van Jezus normaal gewoon zijn. Ik weet wel, het gaat hier om het feit dat de leerlingen jaloers reageerden omdat iemand anders, die niet tot hun kring behoorde, ook wonderen deed, en dat in Jezus’ naam. Maar was het dan echt nodig om daarom zo drastisch te reageren? Was het dan niet voldoende geweest als Jezus had gezegd: “Laat die man toch doen. Als hij in de naam van God het goede doet, dan kan hij zeker niet slecht van Mij spreken”. Dat alleen kon het dus niet geweest zijn, er moest meer achter zitten.
Maar ik kwam pas verder toen me een gebeurtenis te binnen schoot die een Duitse collega diaken overkomen is en die hem lang heeft beziggehouden.
Het gebeurde op een perron. Mijn collega, gekleed in clergy en dus duidelijk als geestelijke herkenbaar, wachtte op de trein toen plots een zwaar beschonken man, gewapend met een fles bier op hem toe kwam. Hij tikte mijn collega op de schouder en vroeg: “geloofde gij in God?”. Op die vraag was mijn collega helemaal niet voorbereid.
Ietwat verlegen antwoordde hij: „Ja, natuurlijk…“ en hij wilde ook uitleggen waarom. Maar de man zei alleen maar: “dan hebt gij het toch goed, jong!!”
“Dan hebt gij het toch goed!” – wel een verrassend antwoord. En de man, dronken als hij was, bedoelde dat niet als grap, hij meende het ook. Hij besefte in zijn beschonken toestand wat hem ontbrak, waar hij naar zocht: naar vaste bodem onder de voeten, naar een basis die hem draagt en die voor hem het leven terug zinvol en draagbaar maakt. “Gij hebt het goed, omdat gij in God gelooft.“ Die uitspraak van die blijkbaar vertwijfelde mens maakt me bewust van het feit dat Geloven een onzegbaar hoog goed is. En geloven is zeker niet vanzelfsprekend. Geloven, zoals deze man het bedoelt, heeft niets te maken met geloofspunten en dogma’s. Het heeft niets te maken met de vraag welke kerk nu de enig zaligmakende is en ook niets met hiërarchische structuren en vastgeroeste tradities. Geloof, zoals deze man het zoekt, is een dragende grond, een kracht die ons helpt om het leven aan te kunnen.
“Wie gelooft is niet alleen”, hij weet dat hij op anderen kan steunen en vertrouwen.
Daarom wordt het geloof in de schrift ook dikwijls omschreven als een vriendschap tussen God en de mensen. Wie God als bondgenoot aan zijn kant weet, die kan het leven met al zijn tegenslagen en moeilijkheden beter aan. Hij kan de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Geloven in God is werkelijk ook een hulp in het leven.
Als ik het vanuit dat standpunt bekijk begrijp ik ook die harde woorden van Jezus beter: “ wie één van deze kleinen het geloof ontneemt, voor die zou het beter zijn dat hem een molensteen om de hals zou worden gelegd en hij in de zee zou worden geworpen”. Jezus reageert zo bitter en onverbiddelijk omdat diegene die aan een ander het geloof ontneemt hem als het ware de grond onder de voeten wegtrekt en hem van zijn levenskracht berooft. Daarom gebruikt Jezus die drastische woorden.
Hij wil iedereen waarschuwen opdat hij het geloof van de andere en ook zijn eigen geloven ernstig zou opnemen.
We kunnen dan ook niet meer zeggen: “geloven is mijn privé aangelegenheid, dat gaat niemand iets aan”. Als geloven levensnoodzakelijk is dan mag het mij niet om het even zijn of iemand zijn geloof verliest of niet. Als ik de mogelijkheid heb om iemand in zijn geloven te helpen of te steunen, dan ben ik daar ook voor verantwoordelijk. Grote woorden zijn daarbij niet nodig.
De beste methode is nog altijd: “spreek alleen als het je wordt gevraagd, maar leef wel zo dat mensen het aan jou ook kunnen vragen. Wij getuigen van ons geloof door onze manier van leven, en op die getuigenis komt het aan; Het is die geloofwaardigheid die Jezus van ons eist. Daarbij heeft het geen zin om bij anderen te gaan kijken of om ons te beroepen op het falen of op de onvolkomenheden van anderen die in de kerk misschien veel meer gezag hebben dan U of ik.
Neen: Een persoonlijke getuigenis van ons geloof mag en kan niet van anderen afhankelijk zijn. Daarom slaat het woord “deze kleinen” uit het evangelie ook op ons allemaal. Het geloof van iedere mens kan worden gekwetst, misbruikt en in gevaar gebracht. Er zijn zo veel gebeurtenissen in ons leven waardoor we de grond onder onze voeten kunnen verliezen en die ook ons de vraag doen stellen: „waarom juist ik?“ En juist in dergelijke situaties heeft ons geloof steun en houvast nodig omdat het anders aan het wankelen kan gaan.
Wie een zieke, een eenzame of een vragende mens opzoekt, sterkt diens geloof. Wie tijd neemt voor een ander en hem zijn oor leent, sterkt diens geloof.
Maar wie anderen in dergelijke situaties alleen laat; wie de anderen aan hun lot overlaat, die brengt hun geloof in gevaar en maakt zich , in de betekenis die Jezus eraan geeft, schuldig aan het leven en aan het geloof van die mens.
Beste vrienden! De drastische woorden van het evangelie van vandaag willen ons wakker schudden; Ze willen ons duidelijk maken wat wij kunnen verliezen als we met ons geloven te zorgeloos omgaan. Maar ze tonen ook aan dat we ons niet van de verantwoordelijkheid voor het geloof van onze medemensen kunnen ontdoen met woorden zoals: Dat is toch niet mijn schuld?
De vraag die we onszelf daarbij moeten stellen is niet „ik kan daar toch niets aan doen “, maar wel: „wat kan ik doen om mijn medemens te helpen“. Met die vraag in ons hart kunnen we straks naar huis gaan: “wat kan ik voor mijn naaste doen om zijn leven een streepje zonniger te maken waardoor hij zijn geloof in het leven misschien kan behouden.
Amen