Kortgeleden kreeg ik voor het eerst het dagboek in handen, dat mijn vader tijdens de oorlog in Amsterdam schreef, in de maanden oktober-december 1944, de hongerwinter dus. Daarin lees ik op 15 oktober: ‘Vandaag is ook voor ons het electrisch licht uitgevallen. Nu zitten we bij een kaarsje. Ook in de taptemelk is nu verschil: zuivere taptemelk en die van poeder gemaakt is. De laatste schijnt nog sneller aan te branden. 25 oktober De S.D. man Ohlschlager werd vermoord. De Duitschers nemen ongeveer 20 willekeurige menschen, die wegens ‘sabotage’ waren opgepikt; zij werden op de Apollolaan in het openbaar met de mitrailleur neergemaaid! Twee in die buurt staande villa&s (joodsch bezit natuurlijk) werden met handgranaten in brand geworpen, terwijl de brandweer niet mocht blusschen.’ En zo gaat het dagboek vele bladzijden verder, tot en met het verhaal van mijn geboorte: &De baby voelde zich niet erg behaaglijk op zijn koude kamer. Maar hij moet er toch aan wennen.&
Wennen aan een oorlog. Wie zou het ooit kunnen? Ik ben wel in een oorlog geboren, maar heb nooit een oorlog bewust meegemaakt. Die ervaring, althans van de tweede wereldoorlog, ken ik slechts uit de tweede hand. Maar andere oorlogen zie ik dagelijks, in de krant, op de televisie. Maar zie ik het echt? Vaak hoor ik verhalen van mensen die omgekomen zijn of levensgevaarlijk gewond raakten, zoals de broer van een vrouw, van wie ik vorig jaar het huwelijk heb ingezegend; hij werd het slachtoffer van de recente aanslag in Jakarta. Vorige week sprak ik een schoolgenoot, die als kind in een Jappenkamp in Indië heeft gezeten. Zo heb ik mijn verhalen en herinneringen, en zo hebben de meesten van u uw herinneringen, aan oorlog en verwoesting.
In de vredesweek, die gisteren begonnen is, worden we zoals elk jaar opgeroepen om onze ogen niet te sluiten voor de haat en de machtswellust, de oorlog en het sadisme, die de wereld teisteren. We worden uitgedaagd om op een andere manier in het leven te staan. Dat is wat Jezus zijn volgelingen telkens opnieuw voorhoudt. Maar het probleem van zijn woorden is: we hebben die al zo vaak gehoord of gelezen, dat ons niet meer opvalt hoe revolutionair die zijn. In het evangelie zit een ongelooflijke hoeveelheid dynamiet, waarmee al onze muren van eigen gelijk en blindheid kunnen worden opgeblazen. De persoon en de boodschap van de gekruisigde Christus, dat had de apostel Paulus al ontdekt (1 Kor. 1,23), is immers voor de joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid. Voor ons - mensen van de eenentwintigste eeuw, jood, heiden, christen, moslim - is en blijft het evangelie ergernis én dwaasheid. We zijn als de leerlingen van Jezus die op weg naar huis onderweg ruzie maken over wie de grootste is. Ruzie maken over wie de grootste is staat volledig haaks op het wezen van het evangelie. Wie een dergelijke carrière voor zichzelf ambieert, heeft niets van Jezus begrepen. De kern van het evangelie is, zoals Ignatius van Loyola, het eens uitdrukte: en todo amar y servir, in alles liefhebben en dienen.
Kun je je voorstellen dat je uit bent op een nog hogere bonus, als je vriend net heeft laten horen dat anderen het op zijn leven gemunt hebben? Hij zegt: &Ze zullen me doden&. Maar zijn vertrouwelingen zeggen onderling: &Wie van ons is de grootste?& Verbijsterend. Maar het gebeurt telkens, voor onze ogen, in onze eigen kring, tot in het evangelie toe. Dat is de tragiek van Jezus tot op de dag van vandaag. Hij wil de wereld omgekeerd, maar zijn volgelingen willen het niet, durven het niet. Alles moet blijven zoals het is. Liever de vleespotten van Egypte dan het beloofde land met melk en honing.
Wat je wel vaker in het evangelie ziet is, dat als woorden niet helpen, Jezus zijn toevlucht zoekt tot parabels, tot voorbeelden, tot verbeelding. Soms, heel soms, schiet de vonk dan over, komen mensen tot inzicht, durven ze bekering in zich toe te laten. Dat doet hij ook vandaag, door een kind in ons midden te zetten en voor onze ogen te omhelzen. En pas dán brengt hij zijn boodschap ook onder woorden: &Wie zo&n kind, al was het er maar één, aanneemt in mijn naam, neemt mij aan.& Hij dwingt ons te kijken naar een kind, dat zonder de aandacht en genegenheid van volwassenen geen kans heeft om uit te groeien tot een goede mens. Al die kleine en grote oorlogsheren in de wereld, al die baasjes en bazinnetjes, zouden net zo lang moeten worden opgesloten in een kamer met een onbedreigend kind, totdat ze daar ontdekt hebben wat een kind nodig heeft, hoe het speelt, waarvoor het bang is, hoe het zich veilig voelt. En wijzelf zouden ook zoiets moeten doen: kijken naar en mediteren bij een baby in de wieg, of bij een slapende kleuter, of bij een spelend kind in een weiland. En dan ontdekken dat God zo bij ons heeft willen komen in de persoon van Jezus, een mensenkind. Kijken houdt je wakker.
Om ons alvast te oefenen in het kind-zijn,
bid ik ten slotte psalm 131:
God ik ben niet hooghartig
ik kijk niet op anderen neer
beeld mij niet in dat ik groot ben
droom geen geweldige dromen
ik heb mijn verlangens getemd
mijn ziel is tot rust gekomen
als een kind dat gedronken heeft
en rust aan de borst van zijn moeder
een kind dat gedronken heeft
zo is mijn ziel in mij
alles verwachten van Hem
nu en in eeuwigheid