Homilie op de 25e zondag door het jaar B: ‘Ware grootheid is niet uit zijn op voorrang maar voorrang geven!’ (Wijsheid 2, 12.17-20; Jac. 3, 16-4,3 en Mc. 9, 30-37)
Tielt, 23 september 2012
In de evangelielezing die we zopas beluisterd hebben, stelt Jezus aan zijn leerlingen een zeer indringende vraag, namelijk: ‘Waar hebben jullie onderweg over getwist?’
Op die vraag willen de apostelen niet antwoorden, want na zoveel maanden van intens contact met hun Meester waren ze echt beschaamd te moeten toegeven dat hun woordenwisseling ging over de vraag wie onder hen de grootste was.
Ook aan ons stelt Jezus vandaag die belangrijke vraag: ‘Waarover praat je met elkaar? Welke vragen houden je bezig? Wat vind je belangrijk in je leven?’ Het zijn misschien ook vragen als: ‘Hoe kun je er komen? Met wie moet je goeie relaties hebben om het
ver te brengen in het leven?’ Dat lijkt belangrijk. Nochtans, wat die ‘er’, dat ‘het’ en dat ‘ver’ is in het leven, lijkt vrij onduidelijk.
En niet alleen onduidelijk! Het is bovendien een gesuikerde leugen, omdat je jezelf dan beschouwt als een super doe-het-zelver. We weten nochtans heel goed dat wat we zijn en wat we hebben ons grotendeels gratis gegeven is of het resultaat van toevallige omstandigheden, veel meer dan van eigen kunnen of eigen inzet.
Daarom zouden ook wij, net als te apostelen, liefst niet antwoorden op Jezus’ vraag ‘Waarmee ben je bezig?’ We zouden liefst niet toegeven dat we desnoods over lijken zouden gaan om aanzien, macht en bezit te verwerven en dat onze relaties daarop berekend zijn. Want leven vanuit die ambitie betekent het failliet van de mens en de maatschappij.
Wat 20 eeuwen geleden realiteit was, is het ook op vandaag. Jaloersheid, hebzucht en grootdoenerij beheersen ook nu nog het leven van heel veel mensen en bepalen, meer dan wij vermoeden, de verhoudingen tussen de staten. Hoe rijker het gebied is, hoe meer olie er in de grond zit of hoe meer de gewassen kunnen opbrengen, des te groter is de steun van de grote mogendheden.
Wat Jacobus 20 eeuwen geleden schreef in de tweede lezing die we hoorden, blijft nog altijd waar: ‘Waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken.’
Is het dan niet de hoogste tijd om weer ontvankelijk te worden voor Jezus’ veelzeggend gebaar in het evangelie van vandaag! Hij riep zijn apostelen bij zich, nam een kind, zette het in hun midden en omhelsde het.
Dat kind was zeker niet zo een mooi gewassen, net gekleed en opgetut kind, dat bloemen mag geven aan de prinses of de koningin en met wie de machtigen van deze wereld graag op de foto staan om daarmee hun menselijkheid te demonstreren. Denk liever aan zo een gehandicapt kind of een uit een vluchtelingenkamp in Afrika, Latijns-Amerika of Azië, heel uitgemergeld en met vliegen op zijn uitpuilende ogen, zoals we er bijna dagelijks zien op T.V.
Zo een hulpeloos kind staat symbool voor elke zwakke, kwetsbare of gekwetste mens.
Die kleine hulpbehoevende mens plaatst Jezus ook vandaag in ons midden en ook aan ons zegt Hij: ‘Onderweg moet je over die misdeelden in onze samenleving praten. Met die moet je contact zoeken.’
Zoek ze niet te ver. Je vindt ze in je onmiddellijke omgeving, dichtbij. Misschien is het je man, die zich ongelukkig voelt op zijn werk; of je vrouw die zich onbegrepen voelt of te weinig aandacht krijgt. Misschien is het je zoon of dochter die, na hard studeren een hele vakantie lang, nu in de 2e zittijd weer gebuisd is. Misschien is het je getrouwde zus die zopas door haar man in de steek gelaten werd en diep ontgoocheld is. Het kan ook de bedelaar aan je deur zijn, die met vernuftige leugens je wat geld poogt af te troggelen maar het toch ook niet kan verhelpen dat hij niet gemaakt is om te leven in onze maatschappij en zich nooit zal thuis voelen in onze harde wereld. Of je bejaarde buurman, die in zijn eenzaamheid verkommert als een vergeten plant. Of de verbitterde vrouw met wie de mensen liever geen contact hebben, want in haar gezelschap is het niet leuk.
Dat is het kind voor wie Jezus onze aandacht vraagt. Dat is het kind dat we moeten omarmen. Die moeten we opzoeken. De misdeelden in onze samenleving zijn de vindplaatsen van God.
Hoe we die kleinen en zwakken onder ons kunnen omhelzen, hoe we echt dienstbaar kunnen zijn aan de misdeelden in ons midden, dat is de grote vraag voor elke christen onderweg. Pas dan word je groot in Gods ogen.
Daarvoor moet je je ‘bekleden met de nieuwe mens’, zoals we het soms zingen in het lied: ‘Wij zijn elkanders hart en hand
op weg naar het beloofde land;
verdraagt en steunt de zwakken maar,
vergeeft elkaar.’
Daarvoor ook moet je het aandurven om als de zanger van een protestlied door het leven te gaan, een zanger zonder succes!
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt