24e zondag B-jaar Jes 50,5-9a Jac. 2, 14-18 Mk 8, 27-35
Als wij onze zonnebril waardoor we de wereld wat rooskleuriger zien wel eens afzetten, dan kan het best gebeuren dat we zeggen: in wat voor een wereld leven wij. Er is de financieel-economische crisis veroorzaakt door de banken zelf en waarvoor de gewone mens en de belastingbetaler moet opdraaien en toch worden er aan managers en politici in deze tijd enorme sommen als uitstapvergoeding betaald. We hoorden deze week dat inbraak en diefstal bij gewone mensen verder toeneemt. Kinderen en het personeel in kinderkribben zijn niet meer veilig. In Mechelen zijn woensdag 61 scholen streng bewaakt geweest wegens terreurdreiging. En dan wordt er wel eens gezegd: wanneer staat er eens een groot iemand op – misschien een groot politicus- die het tij kan doen keren? Een soort REDDER.
Deze gedachte is niet nieuw. We komen ze de ganse mensengeschiedenis door weer tegen.
En ook in Jezus’ tijd was die gedachte en dat verlangen naar een redder heel sterk. Het grote verschil was wel dat zij, als gelovig volk, een redder verwachtten die door God gestuurd zou worden , een door God gezondene, wat zij noemden een Messias of de Gezalfde Gods. Want ook in Jezus’ tijd -en al daarvoor- was er ellende door corruptie, eigenbelang boven het belang van de gemeenschap, machtsmisbruik, afdwalen van Gods geboden … én de overheersing door de Romeinen. Daarom dachten ze vooral terug aan de periode van koning David. Koning David had veel van de vijanden die hen bedreigden militair verslagen en zijn rijk was een groot en sterk rijk dat een vrij grote welstand kende. Daarom dachten velen onder hen dat de REDDER van het Joodse volk een soort koning David zou zijn, een soort Davidische koning-redder. En dat WIST Jezus. Wellicht dat Hij daarom vandaag in het evangelie vraagt: wie zeggen de mensen dat en ben …en vooral aan Zijn leerlingen: wie zeggen jullie dat ik ben?
En wanneer Petrus antwoordt: Gij zijt de Christus, d.w.z. de Gezalfde Gods, de Messias, dan verwachten we dat Jezus heel blij zou zijn. Maar Jezus zegt tegen Simon: Ga weg van mij, SATAN, ACHTER mij! Want ook Petrus, kunnen we uit het evangelie afleiden, verwacht een Davidische koning, een sterke MACHTS-HEBBER. Maar dat is niet wat Jezus wil, dat is niet wat de Messias is. In plaats van heersen, zegt Jezus, zal Ik juist moeten lijden. Wat Jezus wil, is geen machtsgebruik maar de houding van mensen veranderen. Wat Jezus wil is geen geweld, maar juist liefde. De Messias, de Christus is niet door God, Zijn en onze Vader, gezonden om te heersen, maar om Gods liefde te verkondigen, die te tonen en in praktijk te brengen. Wat God wil, is geen oppervlakkige verandering, maar een wezenlijke verandering bij mensen: zij moeten inzien wat liefde is, want alleen de liefde is de ware weg, alleen de liefde overwint uiteindelijk alle kwaad. En omdat Jezus dat doet, zal hij gehoond worden, geminacht worden, vijanden krijgen. En omdat Hij blijft volhouden dat God liefde is en alleen de liefde onder de mensen de wereld kan redden en leven tenvolle biedt voor iedereen, zal hij door de machtshebbers van zijn tijd gedood worden.
De weg van de liefde voor God en voor de mensen is de énige weg, maar zeker niet een gemakkelijke weg, ook niet voor Jezus. Hij lijdt omdat Hij ervaart hoe liefdeloosheid mensen kapot maakt, Hij lijdt omdat hij ervaart dat zoveel mensen die weg afwijzen, en hij lijdt fysiek en wordt gedood omdat Hij volhoudt dat liefde de enige weg is. Daarom zegt Hij vandaag in het evangelie tegen zijn volgelingen –en dus ook tegen ons als christenen- : wie mij wil volgen, zal moeten lijden en zijn kruis op zich nemen. Want wie mij volgt zal ook lijden onder wat hij aan liefdeloosheid in de wereld meemaakt, zal ook lijden omdat zijn goedheid en liefde dikwijls niet aanvaard of misbruikt wordt, zal lijden omdat het eigen egoïsme proberen af te bouwen ten voordele van anderen pijn zal doen. Dat horen we ook van Jesaja in de eerste lezing: omdat ik kies voor de liefde hebben ze mij bespuwd en zelfs geslagen.
Kiezen voor Jezus, Hem volgen is meer dan zeggen: ik geloof. Het is die liefde ook DOEN. Dat benadrukt de apostel Jacobus nog eens in zijn brief in de tweede lezing: ‘Wat baat het te zeggen dat ge gelooft, als ge geen daden kunt laten zien.” ”Stel,” zegt Jacobus, “dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten en iemand van u zou zeggen ‘Geluk, hou u warm en eet maar goed’ en hij zou niets voor hem doen, wat voor zin heeft dat. Zo is ook het geloof zonder de daden dood.”
Beste medegelovigen, we moeten af en toe eens onze zonnebril afzetten
om te kunnen zien waar nood is, waar mensen op ons beroep doen,
om te kunnen zien waar onze liefde nodig is.