Jaren geleden was op de tv. een film waarin een ploeg astronauten op Mars was geland; er liep natuurlijk van alles tegen maar een gegeven ogenblik ontbloeide op die droge grond van Mars een bloemetje dat iemand van de expeditie daar had gezaaid. Dat beeld van dat bloemetje in die dorre vlakte is me altijd bij gebleven. Kennelijk is het een soort van menselijk oer-beeld: in de ellende een teken van hoop.
Daarover gaat ook de tekst van Jesaja: de leiders van het land hebben het volk uitgebuit, het land werd machteloos, zij zelf zijn omgekomen en de grond is een woestenij waar wilde dieren verblijven en ongedierte woont, voor altijd. Dat heeft de Heer gewild. En op het moment dat je denkt “Een leuke God is dat!” komt de profetie: “Laat de woestijn en het dorre land zich verheugen … Spreek tot allen die de moed verloren hebben: uw God komt om de wraak te voltrekken”.
Uw God komt om de zaak, uw zaak recht te zetten, recht te doen. En als God dat doet, dan, … ja dan zal er van alles gebeuren wat onmogelijk was. Dan, door Hem, en vaak pas dan. Zelfs dan, als alles verloren is, als het oude helemaal weg is, dan blijkt er geen machteloosheid van blind zijn, stom zijn en lam zijn meer te bestaan. Die God is dan wel een heel erg radicale; HijZ zoekt nieuwheid, puurheid als van een pas geboren kind. Daarnaar graaft HijZ, dat wil HijZ opdiepen, in jou wil HijZ iets van Zichzelf laten zien .
En wat blijkt dan? Dan blijkt dorstig land een waterbron. Droog blijkt dan water te hebben, water om te leven en te laten leven, zelf te leven, nieuw te leven, en nieuw leven door te geven, voort te brengen. Dat is geen himmelhoch-jauchsen; dat is stille zekerheid die in je groeit. Moge dit een troost, bemoediging zijn voor ons als we aan de grond zitten, leeg zijn, niets meer voelen. Dan komt iets nieuws. Degenen die zo iets hebben meegemaakt zingen/bidden dan graag ‘Een loflied voor de Heer heel mijn leven/ De Heer zal ik loven mijn leven lang’.
Het evangelie tekent ook zo’n situatie. Jezus heeft Palestina verlaten, misschien was hij in een crisis wat betreft zijn verkondiging, we weten het niet, maar hij gaat terug vanuit Tyrus via Sidon terug naar Galilea. Men brengt een doofstomme bij hem. ‘Men’, men was kennelijk machteloos.
(- Machteloos. We hebben nog wel eens de neiging om te bidden dat God bepaalde dingen moet recht zetten, politieke gevangenen moet bevrijden, eenzamen gezelschap moet geven, enz. maar we vergeten dat wij het moeten doen. Pas als we redelijkerwijs machteloos zijn, heeft het zin om te bidden dat HijZ het doet, laat doen. -)
‘Men’ was machteloos tegen doofheid en stomheid en ‘men’ dringt er bij Jezus op aan dat hij de man geneest. ‘Men’ zal bezorgd geweest zijn om die man. Als het sensatiegevoel betrof, zouden ze misschien Jezus met bepaalde woorden tot een wonder uitdagen - als dat daar al gebruikelijk was. Wat doet Jezus? Hij haalt hem buiten de kring van de mensen en doet iets speciaals met hem. Hij raakt de tong van die man met zijn eigen speeksel aan en steekt zijn eigen vingers in diens oren, m.a.w. hij geeft de man vermogens van zichzelf. Hij deelt zijn leven mee. Persoonlijk, apart, in stilte.
Iemand die het niet meer ziet zitten, eenzaam is, ten einde raad, ont-recht en noem maar op, die niets meer van buiten, van anderen verwacht, kan verwachten - voor zo iemand moge dit een troost zijn, een bemoediging: het persoonlijk contact met Jezus Christus. In gebed, verlangen naar hem, meekrijgen dat hij bij je is. Vraag niet hoe - maar die Aanwezigheid telt. Ook al word je moedeloos, wacht af, laat je open, hij komt, nieuw … Hoe? op jouw manier!
‘Zij’ riepen uit. Zij die weten wat geboeid zijn is, wat verdrukt betekent, hoe gekromd voelt, wat blind is. Zij die dat weten roepen uit: “Hij heeft alles welgedaan”. Die profetie van toen, van het O.T., die we hebben gelezen, is in Jezus toentertijd in vervulling gegaan. Als je nú datzelfde ook beleeft, dan wordt de vertaling van psalm 146 belangrijk: “Een loflied voor de Heer, heel mijn leven”. Het kan betekenen: een loflied zing ik heel mijn leven lang, maar ook: heel mijn leven is een loflied voor de Heer. Dan is dat dorstige land zelf bron geworden, bron van míjn loflied.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je denkt er niet zo gauw aan maar er liggen genoeg jongeren in het ziekenhuis en noem maar op. Er zijn ook jongeren die geen uitzicht op leven hebben, geen uitzicht meer hebben op verder gaan, die levensmoe zijn, hoe dan ook. En dan helpt het niet altijd, meestal niet, van ‘kop op; je komt er wel’. Ik hoop dat er dan een Jezus-persoon is, een persoonlijke Jezus Christus, die je apart neemt. Die komt niet plotseling, die moet je een beetje kennen, hebben leren kennen. Hoe? op jouw manier, uit de bijbel, uit mensen om je heen. Hij weet van droogte en drinken.
De belofte van toen is toen door Jezus vervuld. Laten we het hem nu ook doen in ons: heel mijn leven een loflied voor de Heer, van dorstig land tot bron. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarover na te denken?