23e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Drieëntwintigste Zondag door het jaar - B 8 september 2024

Evangelie: Mc 7, 31-37

Wat zegt Mgr. Romero ons op deze zondag?

Jezus leeft niet en handelt niet zoals de priester en de leviet dat doen in de parabel van de barmhartige Samaritaan, maar Hij gaat te werk net zoals de Samaritaan in die parabel, die zich de situatie aantrekt en het opneemt voor die gekwetste en beroofde man aan de kant van de weg. Zo horen we ook vandaag dat Jezus niet wegloopt van die doofstomme mens die op hem een beroep doet, maar Hij gaat er naar toe, Hij staat stil bij hem.

Jezus ‘spreekt’ tot deze mens in een taal die hij verstaat*. De man kan zonder twijfel de gesproken woorden niet verstaan vanwege zijn handicap, maar hij begrijpt wel de tekens die aan hem worden gesteld: Jezus raakt hem aan, zijn oren en zijn tong, de zwakke plaatsen van zijn lichaam. En: Jezus kijkt naar de hemel terwijl Hij diep ademt. Pas daarna klinken ook de bevrijdende woorden: ‘Effeta’ – ‘Ga open’.*

Dat alles gebeurt buiten de kring van de menigte, weg van de nieuwsgierige ogen en oren van de buitenstaanders, buiten de reikwijdte van het rumoer en het lawaai van de massa. Het Rijk Gods gebeurt in de stilte, in de eenzaamheid, in het hart van de mens. Zoals wel eens gezegd wordt: ‘Het goede maakt geen lawaai en het lawaai doet geen goed’…

Via de drie aandachtspunten die Mgr. Romero uit het wonderverhaal van deze zondag naar voor haalt, nodigt hij ons uit om deze evangelietekst op een indringende en actuele manier te verstaan. We zullen onze commentaar bij elk van die aangehaalde aandachtspunten telkens beginnen met enkele vragen.

1. Naar wie gaan wij? Bij wie staan wij stil? Door wie laten wij ons ophouden te midden van ons eigen dagdagelijkse doen en laten? Het antwoord op deze vragen is altijd het resultaat van een persoonlijke keuze. In de Lucasparabel over de barmhartige Samaritaan vertelt Jezus dat de bedienaars van de eredienst de gewonde man niet wilden zien en zich haastten om eerst en vooral hun religieuze plicht te vervullen en de voorschriften van hun eigen vak-domein op te volgen. Ook in deze tekst van Marcus gaat het om een gekwetste mens die om hulp vraagt. Zulke mensen zijn er ook op vandaag heel veel - niet alleen lichamelijk gekwetste mensen, maar ook sociaal uitgestotenen, ook bedreigde mensen, ook innerlijk gekwetste mensen. En in al die situaties klinken al evenzeer deze vragen: Naar wie gaan wij? Bij wie staan wij stil? Door wie laten wij ons ophouden te midden van ons eigen dagdagelijkse doen en laten?

Het is duidelijk dat Jezus hier een eigenzinnige weg gaat, en daarmee aanduidt hoe levensbelangrijk het is om stil te staan bij die ‘anderen’, en niet direct en uitsluitend alleen maar bij de ‘onzen’, bij onze eigen familie (hoe belangrijk dat ook moge zijn), bij onze vrienden van vroeger en van vandaag, of bij de bekenden uit onze eigen kleine of grotere sociale bubbel. Het Evangelie nodigt ons uit om vooral oog en oor te hebben voor die vele ‘anderen’, dichtbij en veraf. En dan gaat het in de eerste plaats om de ‘gekwetste anderen’, bekenden of onbekenden van ver of uit onze dichtste kring. Jezus is de Weg en Hij wijst ons de weg. En wij mogen/moeten kiezen of en op welke manier wij zelf ook die weg willen gaan.

2. Welke taal spreken we? En kunnen de mensen van vandaag onze kerkelijke taal (nog) verstaan? Jezus geeft ons in dit korte verhaal een duidelijke les in catechese: Hij kiest er uitdrukkelijk voor om de taal te spreken die de andere tegenover Hem kan begrijpen. Een doofstomme heeft niets aan woorden noch aan een perfect geformuleerde doctrine over het goddelijk heilsplan en zo meer. Jezus spreekt de doofstomme nadrukkelijk en welbewust toe in tekens van nabijheid en mede-lijden. De man weet en voelt direct waarover Jezus het heeft, en hij ervaart meteen dat hij helemaal niet uitgesloten is van Gods liefde. Het opkijken naar de hemel (een zegswijze die te verstaan is in de kosmologie van die tijd) en het diepe ademhalen (wat verwijst naar Gods Geest en Zijn werking) – het zijn niet mis te verstane tekens die laten blijken dat voor deze gekwetste mens straks het leven op-nieuw zal opengaan. Het woord ‘Effeta’ dat Jezus daarbij gebruikt is alleen de bevestiging-met-woorden van wat de tekens al hadden uitgedrukt.

In onze Kerken, in de officiële liturgieboeken, in de officiële geloofsbelijdenissen, in de meeste officiële gebedenboeken… wordt een taal gesproken die hedendaagse mensen helemaal niet (meer) verstaan. En dat hoeft ons niet te verbazen, want die manieren van spreken dateren uit lang vervlogen tijden en ze zijn beïnvloed door oude filosofieën en theologieën, en daarbovenop zijn ze ook nog gesitueerd in achterhaalde wereldbeelden. Jezus echter spreekt een taal die de concrete mens verstaat, een taal ook die direct aansluit bij het gekwetste leven van die doofstomme man, bij de wonden en littekens van zijn leven. Is dat voor ons als kerkmensen niet een meer dan duidelijke oproep om heel ons religieus taalgebruik radicaal te herzien, en te zoeken hoe we écht aansluiting kunnen vinden bij het reële leven van de ‘anderen’? Jezus maakt ons hier tegelijk ook heel duidelijk dat je over God maar goed en betekenisvol kunt spreken als je eerst de wonden van je medemens aanraakt. De Geest kan maar ‘openbreken’ in mensen en Zijn leven gevend werk doen, daar waar wij zelf barrières weghalen, daar waar wij een nieuwe levensechte en -nabije taal spreken die direct aansluit bij de bestaanservaring van die ‘anderen’.

3. Waar vinden we op vandaag ruimte van stilte en van innerlijkheid, waar en wanneer maken we tijd om stil te staan bij het fundamentele van ons leven? Tegenover het springen en dansen bij luide muziek op de jaarlijks terugkerende festivals, bedoeld om ‘vrij te kunnen zijn’ en dagen- en nachtenlang te kunnen feesten en zich uit te leven; tegenover de duizenden die in Oekraïne, Rusland, Gaza, Oost Congo, Soedan,… lijden onder oorlogsgeweld; tegenover de ontelbaar velen die dagelijks verhongeren op zoveel plaatsen in de wereld,… staat hier de houding van Jezus die ‘ons’ een moment wil afzonderen van dat alles en ons even terzijde neemt, weg van de massa en het luidruchtige, oorverdovende gedoe. Ga binnen in je binnenste, zegt Hij ons, en luister daar naar de schreeuw van ‘anderen’, speciaal naar de schreeuw van gekwetste mensen veraf en dichtbij. Vanuit onze tijdelijke afzondering zullen we in vrijheid beschikbaar kunnen zijn om te luisteren naar hun schreeuw om genezing, en bevrijdend kunnen bijdragen aan Gods verlossend aanwezig zijn in de geschiedenis van de mensen.

We worden dag na dag overstelpt door de luide schreeuw die opstijgt vanuit verschrikkelijke oorlogsbeelden in Oekraïne, Rusland, Gaza,… En ook dichter bij ons horen we constant diezelfde kreet om hulp, bijvoorbeeld wanneer vluchtelingen geen asiel krijgen, zelfs niet wanneer ze onmogelijk naar hun land terug kunnen. Er lopen in de wereld vlakbij en veraf zo ontelbaar veel mensen rond met een dringende vraag om gehoord te worden. Er is zoveel lijden bij mensen die slachtoffer zijn van kanker, van COVID-19, malaria en zovele andere ziekten, en zeker ook bij psychisch lijden. Er is zoveel eenzaamheid, rouw en verdriet bij mensen in onze omgeving. Er is zoveel honger in de wereld. We weten het natuurlijk wel. Maar is wat Jezus in het evangelie van vandaag doet, voor ons ook niet een uitnodiging om het telkens weer stil te maken in onszelf, zodat we aandachtig en mede-lijdend aanwezig kunnen zijn, kunnen luisteren en juist, ‘recht-vaardig’ kunnen handelen? Is het niet in die stilte, buiten alle rumoer om, dat we de fundamentele beslissingen nemen in ons leven? Durven we het aan om in echte vrijheid de weg van Jezus te kiezen?

Suggestie van vragen voor bezinning en actie, persoonlijk en in onze gemeenschappen:

Welke initiatieven neem ik zelf om naar ‘gekwetste’ mensen (buiten mijn eigen familie of nabije vriendenkring) toe te gaan en bij hen halt te houden? Hoe voel ik me daarbij? Waarom doe ik dat eigenlijk?

Hoe pak ik het aan om de taal van die ‘gekwetste’ mensen te spreken? Welke lichaamsuitdrukkingen zijn daarbij belangrijk? Welke tekens en gebaren? Waar situeren zich mijn moeilijkheden en remmingen om écht hun taal te spreken en te zorgen dat wij elkaar kunnen ‘verstaan’?

Wat vind ik (in mijn eigen leven) van het gezegde dat Mgr. Romero hier aanhaalt: ‘Het goede maakt geen lawaai en het lawaai doet geen goed’? Hoe voel ik me bij de zovele vormen van ‘lawaai’ van vandaag die mij bestormen en overvallen? Hoe komt het en wat betekent het dat jongeren van vandaag zich zo goed voelen tussen duizenden anderen, op bijvoorbeeld extreem luid klinkende concerten en festivals? Waar vind ik zelf de nodige stilte om écht te luisteren naar mezelf en naar ‘anderen’? Heeft stilte een meerwaarde in mijn leven of niet? En wat betekent die meerwaarde dan concreet?

Ludo Van de Velde

Deze Bouwstenen werden oorspronkelijk geschreven als homilie voor zondag 5 september 2021 – de tekst werd nu herzien en wat geactualiseerd voor de Drieëntwintigste Zondag door het jaar-B, 8 september 2024.

Ludo Van de Velde (1949), afkomstig uit Oelegem, leefde en werkte sinds 1977 in Centraal Amerika.  Hij was gedurende 9 jaren fidei donumpriester in Guatemala, El Salvador en Nicaragua.  Hij is gehuwd en vader van twee dochters.  Wonend in El Salvador was hij gedurende 25 jaren eerst ngo coöperant en nadien regiocoördinator van Volens. Dank zij de diepe inspiratie van Mgr. Romero en de roep van arme mensen in kerkelijke basisgemeenschappen aan de rand van San Salvador, kon hij, samen met zijn vrouw Tere, de laatste 10 jaren met hen weer verder optrekken  Zo werd hij opnieuw wie hij altijd geweest was: priester in dienst van de armen en in dienst van het Evangelie. Sinds eind februari 2021 wonen ze in Brugge, dicht bij hun (klein-) kinderen, op zoek naar nieuwe uitdagingen.


Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 25. Drieëntwintigste Zondag door het jaar-B – 8 september 2024.

De opbouw van kerkelijke basisgemeenschappen.

“Er was deze week een bijeenkomst van de clerus, waarbij de priesters van het hele bisdom uitvoerig aandacht hebben besteed aan de manier waarop kerkelijke basisgemeenschappen kunnen gevormd worden. Beste broeders en zusters, beste leken, wil onze dierbare priesters daar toch ten volle bij ondersteunen, door u aan te sluiten bij deze kleine bezinningsgroepen. Er is niets mis met wat we doen. Wat ons daartoe heeft aangezet, is de reflectie over het Woord van God en over datgene wat dit Woord van de mens vereist in zijn historisch engagement, ook hier op aarde.”

Zopas, in augustus 2024 herdachten de Kerkelijke Basisgemeenschappen (KBG) in El Salvador Padre Pedro/Piet Declercq naar aanleiding van de negende verjaardag van zijn overlijden (23 augustus 2015). Piet was tot op het einde van zijn leven missionaris in El Salvador, en hij was één van de pioniers en een grote animator van de kerkelijke basisgemeenschappen (KBG) in dat land. Jammer genoeg staan we vandaag ver verwijderd van die kerkelijke originaliteit die destijds in Medellín en Puebla onder de kracht van de Geest geboren werd. Andere modellen van ‘kleine gemeenschappen’ van allerlei aard, vooral dan deze met een meer louter religieuze, devotionele, traditionele, charismatische, emotionele,… benadering werden ondertussen geïntroduceerd en sterk gepromoot. Het wordt echter hoogtijd dat vanuit de basis van de Katholieke Kerk de vruchten van de Geest die vanuit Medellín en Puebla gegroeid zijn, hernomen worden. Dat niet doen betekent: het beste (het meest evangelische, het meest eigene van de Jezus-ervaring) van de Latijns-Amerikaanse Kerk verraden.

Vandaag luisteren we naar Monseigneur Romero die enkele fundamentele aspecten van dit kerkmodel, de kerkelijke basisgemeenschappen, met ons deelt.

(1) Het zijn kleine groepen van mannen en vrouwen, volwassenen, jongeren en ouderen. Want alleen in kleine groep is het mogelijk om leven en geloof écht met elkaar te delen. In grotere groepen neemt niet iedereen altijd actief deel; het zijn er meestal slechts enkelen, namelijk zij die gemakkelijker kunnen spreken en hun gedachten en persoonlijke mening beter kunnen verwoorden. In de KBG willen we iedereen waarderen, want het leven, de ervaring en de mening van elk lid zijn fundamenteel om ons als groep en als Kerk vooruit te helpen op de wegen van het Evangelie.

2) Het zijn groepen waar de leden persoonlijk en zelfstandig nadenken. Met beide voeten in de historische realiteit lezen en overdenken zij het Woord van God, het Evangelie, de Bijbel en de fundamentele documenten van de Kerk. Het is niet zo dat één iemand (een wijze man of vrouw…) uitleg komt geven zodat de anderen op het einde niets anders meer dan ‘Amen’ kunnen zeggen of ‘God zij dank’, of enthousiast ‘Alleluja’ kunnen roepen. Nee, in de KBG luisteren we allemaal naar het Woord van God en we bidden om de Geest die ons zal verlichten om de boodschap van dat Woord te begrijpen voor hier en vandaag.

(3) Deze bezinning is altijd gericht naar het ontdekken van de concrete inzet bij wat “dit Woord van de mens vereist in zijn historisch engagement, ook hier op aarde”. Het komt er na de bijeenkomsten op aan werk te maken van het verkondigen van het Evangelie, het bezoeken en uitnodigen van anderen, het enthousiast bemoedigen van mensen en gezinnen die nog niet tot onze vertrouwde kring behoorden, om samen gemeenschap te vormen. Vanuit de basisgemeenschappen groeit ook altijd een sterke dynamiek van dienstverlening aan gezinnen in nood- en crisissituaties. Het gaat in zijn geheel om de actieve deelname aan de georganiseerde volksbeweging in haar strijd voor sociale rechtvaardigheid, voor de verdediging van het recht op water, voor rechtvaardige lonen en pensioenen,…

Het is opvallend dat Monseigneur Romero in bovenstaand citaat uit zijn homilie vermeldt **dat “**er niets mis is met wat we doen”. Ook in die tijd waren er immers al kerkelijke figuren die het kerkmodel van de KBG verdacht maakten en demoniseerden. Zij begrepen niet wat er aan de hand was en vroegen zich vertwijfeld af waar het naartoe ging, wanneer leken vrijuit het woord namen, hun mening gaven, het Evangelie interpreteerden, en zich engageerden in sociale en politieke organisaties. We hebben dit zelf dikwijls genoeg meegemaakt. Nogal wat priesters voelden zich zeer ongemakkelijk (en werden soms zelfs agressief) wanneer KBG-animatoren op het geografische terrein, het territorium van ‘hun parochie’ kwamen (waarvan ze gewend waren het als hun eigendom te beschouwen) om er KBG te vormen. Die vorm van kerk-zijn werd onmiddellijk gezien als een bedreiging. Er circuleerden op de duur een overvloed aan verzonnen beschuldigingen. Zelfs Monseigneur Arturo Rivera y Damas - de opvolger van Mgr. Romero – schreef op een bepaald moment in een brief aan Padre Pedro Declercq en aan mij (ik verbleef toen in Nicaragua) dat hij ons niet langer in het aartsbisdom San Salvador wilde, ‘… omdat ons pastorale werk van vorming en begeleiding van de KBG veel spanningen en verdeeldheid in de Kerk veroorzaakte’. **Het is bij dat alles dus heel goed om te onthouden wat Monseigneur Romero eerder had gezegd: “**Er is niets mis met wat we doen”.

Wij willen daar nog aan toevoegen dat mensen in de KBG ook anders leren bidden, en anders leren luisteren naar wat God, Moeder en Vader, tot ons zegt in gebed en bezinning. Wij leren daar van elkaar en met elkaar dat gemeenschappelijk gebed niet een kwestie is van het lezen van teksten uit een of ander boek, maar dat het er om gaat als gemeenschap eerlijk voor God te staan, met elkaar te luisteren naar Zijn Woord en er ons over te bezinnen. Wij geloven daarbij: ‘De Geest komt ons te hulp in onze zwakheid, omdat wij niet eens weten hoe wij moeten bidden…’ (Rom. 8, 26). De Geest van Jezus bidt in ons. De KBG hebben mettertijd ook nieuwe manieren ontwikkeld om de viering van de Eucharistie te beleven, met intense deelname van de gemeenschap, met symbolen van engagement die bij de offergaven samen met het brood en de wijn worden aangebracht, met nieuwe liederen die uitdrukken hoe wij proberen te leven vanuit het geloof, in hoop en met concrete, daad-werkelijke liefde. Samen leren we zo Jezus te volgen in de realiteit van hier en nu, vandaag. En zo is het goed. We hoeven niet bang te zijn.

Tere en Ludo Van de Velde

Voor wie Spaans begrijpt: we delen graag ook nog enkele andere reflecties op basis van citaten uit dezelfde homilie van Mgr. Romero, uitgesproken op de Drieëntwintigste Zondag door het jaar-B, 9 september 1979, met een overdenking erbij van mijn eigen hand (2015), later opgenomen op de St. Matthew’s Radio van de Anglicaanse Kerk in de VS:

242 El obispo siempre tiene mucho que aprender de su pueblo:

241 Educación individualista:

240 La opción preferencial por los pobres:

Deze reflectie was oorspronkelijk geschreven voor zondag 5 september 2021, en werd nu herzien voor de Drieëntwintigste Zondag door het jaar-B, 8 september 2024. Voor deze overdenking hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering op de Drieëntwintigste Zondag door het jaar-B, 9 september 1979. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo V, Ciclo B, UCA editores, San Salvador, p. 302.

Zoeken in Preken Online