23e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Homilie op de 23e zondag door het jaar B: “Ga open!” (Mc. 7, 31-37)

Tielt, 9 september 2012

Lange tijd heb ik gedacht dat er niets zo tragisch is als het lot van een blinde.

Stel je voor : je eigen vrouw of man, je eigen ouders of kinderen, je vrienden, niet meer kunnen zien, dat moet verschrikkelijk zijn. Geen T.V. meer kunnen kijken, de pracht van de natuur of een mooi kunstwerk niet meer kunnen bewonderen, dat is een erge handicap, een zware rem op zoveel vreugde en geneugten in het leven. Maar het schijnt dat ik ongelijk heb. Doofstom zijn is veel erger dan blind zijn. Want een blinde kan verder met mensen communiceren : naar hen luisteren en zijn gedachten of gevoelens met hen delen. Wie doofstom is, is letterlijk van de wereld afgegrendeld, compleet geïsoleerd. Hij ziet de mensen lachen en weet niet waarom. Hij ziet ze huilen en stelt zich vragen. Hij ziet hun lippen bewegen als ze spreken en verstaat niet wat ze zeggen. Vandaar de argwaan bij doofstommen, de bestendige vrees dat ze over hem of haar bezig zijn. Voeg daarbij de verlammende onmacht om te verwoorden wat je denkt of voelt.

Dan begrijpen we de vreugde bij de mensen in het evangelieverhaal omdat Jezus de doofstomme geneest, omdat die mens weer horen en spreken kan en zo weer contact krijgt met de anderen.

Maar bij velen is er meer dan de fysieke handicap van het doofstom zijn. Velen hebben, zoals de psalmist het zegt, “oren maar ze horen of luisteren niet.”

Ik vrees dat er meer mensen zijn die kunnen spreken dan mensen die kunnen luisteren.

Niet luisterbereid zijn, spiritueel doof zijn, dat is een heel zware handicap. En toch worden mensen die niet kunnen luisteren, niet bij de gehandicapten geklasseerd. Dat is jammer. Want het gebrek aan luisterbereidheid is een zware

rem op elke vorm van communicatie onder mensen. Bijzonder vervelend ook voor de anderen.

Het is het drama in vele gezinnen. Een man probeerde een kwartier lang zijn vrouw van iets te overtuigen. Maar ze was meer bezig met haar eigen gedacht dan met wat haar man haar zeggen wou. Totdat ze moe werd. Dan kwam het genademoment. Pas dan luisterde ze en zei : “Ja, als je het al zegt!” Wel, dat zei die man al een kwartier lang. Indien ouders wat meer onbevangen zouden luisteren naar hun kinderen, indien kinderen onbevooroordeeld naar hun ouders zouden luisteren, dan zouden er minder spanningen zijn tussen ouders en kinderen, minder generatieconflicten.

Iedereen klaagt thans over de vele vergaderingen. Zou er met wat minder of althans kortere bijeenkomsten niet meer opgelost worden als iedereen er naartoe zou komen niet zozeer om dit of dat te zeggen maar om te luisteren naar wat de andere deelnemers denken? Ik meen van wel.

Het wordt zo gemakkelijk vergeten. De eerste dienst die mensen in de gemeenschap aan elkaar moeten bewijzen, bestaat erin naar elkaar te luisteren. Anders raken ze klem in dovemansgesprekken.

Er zijn ook veel mensen die niet stom zijn, die wel kunnen spreken, maar die monddood gemaakt zijn door liefdeloos onbegrip, door vernietigende kritiek, door dodende spot. Monddood omdat niemand naar hen luistert of belangrijk vindt wat ze zeggen willen.

Die doofstomme wil Jezus genezen. Het verhaal lijkt zonderling. Wie is die doofstomme: een kind, een man of een vrouw ? Dat wordt niet gezegd. Wie bracht er hem bij Jezus: zijn vader, zijn moeder of zijn broers of zussen ? Er wordt enkel verteld dat het over “men” gaat. “Men” bracht hem bij Jezus. Als zo’n verhaal in het evangelie over naamloze mensen schijnt te gaan, gaat het altijd over ons.

Die doofstomme in het evangelie, dat ben jij soms, dat ben ik, dat is je vrouw of man, je zoon of dochter, je broer of zus, je collega of vriend. Wij moeten eenvoudig genoeg zijn om te bekennen dat wij soms doofstom zijn. We moeten

de doofstommen in ons midden herkennen. En we moeten de moed en de edelmoedigheid opbrengen om te doen wat Jezus deed. Hij stak de vingers in de oren van de doofstomme, raakte diens tong met speeksel aan en zei : “Ga open!” Jezus trad binnen in de persoon van de doofstomme.

Jezus vraagt ons vandaag niet zo’n hocus-pocusvertoning. Wel dat we zouden binnentreden in de leefwereld van de mensen om ons heen. Dat vergt tijd en onthechting. Ieder mens is een eiland. Je moet de nodige inspanning doen en er enkele keren rondvaren om te weten waar de beste landingsplaats is, waar het eiland zich opent. Is het ook niet tragisch dat in sommige gezinnen mensen naast elkaar leven, in elkaar niet meer binnentreden omdat ze gehecht zijn aan hun T.V. en hun computer? Fysiek samen in hetzelfde huis, maar spiritueel ontzettend ver van elkaar verwijderd.

En mag ik als slot aan elkeen nog een paar vragen stellen als doordenkertjes.

Laat je de Heer nog binnen in je hart ? Maak je nog tijd om naar Hem te luisteren ? En kun je nog luisteren naar de stem van je geweten ? Ik vraag het maar even.

Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online