22e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Tweeëntwintigste Zondag door het jaar - B 1 september 2024

Evangelie: Mc 7, 1-8.14-15.21-23

Wat zegt Mgr. Romero ons op deze zondag?

Mgr. Romero geeft aan zijn preek voor de Tweeëntwintigste Zondag door het jaar-B de titel: ‘Jezus, leraar van de ware godsdienst’. Voor het samenstellen van onze Bouwstenen vertrekken we van een aantal citaten uit deze preek:

“Dit is waaruit een valse religie bestaat, zegt onze Heer: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij’ (Jes. 29, 13). Het gaat om een lege en inhoudsloze cultus: er is eerst en vooral de leegte van innerlijkheid*; ten tweede is er* de leegte van openbaring en waarheid van God; en ten derde is er ook nog de leegte van de werken*. Dit zijn de drie leegtes die ook vandaag de dag in een valse religie bestaan, en die door Jezus in het Evangelie ten stelligste worden veroordeeld. En we moeten voorzichtig zijn dat we niet dezelfde weg opgaan, zodat ook wij tekortschieten en de Heer niets dan een leeg hart aanbieden!”*

“Als iemand een rein hart heeft, zelfs wanneer hij midden in de modder zit, dan doet die modder hem niets, omdat hij die smet en onreinheid niet van binnen bij zich toelaat. En het hangt van iemands vrijheid af om de rottigheid van de wereld al of niet binnenin op te vangen. (…) Onze ‘reine’ innerlijkheid bestaat er dus in dat God niet over ons hoeft te klagen: ‘Hun hart is heel ver van Mij verwijderd…’ Moge je hart altijd dicht bij God zijn! Wat verlangt de Heer naar de nabijheid van Zijn kinderen! (…) Het gaat er over dat we geen hart zouden hebben dat leeg is van innerlijkheid, juist omdat het belangrijkste in de religie het innerlijk is, datgene waar God naar kijkt*. De Bijbel zegt: ‘De mensen kijken naar het uiterlijk, maar God kijkt naar het hart.’ (1 Sam. 16, 7). En ook nog: ‘Niet ieder die ‘Heer! Heer!’ tegen Mij zegt, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar alleen hij die de Heer met oprechte innerlijkheid aanbidt.’ (Mat. 7, 21)”*

Mochten wij er echt van overtuigd zijn dat God ons kent omdat Hij in ons hart kijkt, zouden we dan niet op een andere manier christen zijn? Het gaat in dat christen-zijn immers niet om het uiterlijk vertoon van allerlei religieus gedrag, maar om de ‘oprechte innerlijkheid’, het openstaan voor God zelf, de weg van Jezus gaan, en je laten leiden door Zijn Geest. Er is, zoals Mgr. Romero zegt, inderdaad heel veel ‘modder’ aanwezig in onze wereld, allerlei ‘rottigheid’ (onmenselijkheid en dus ‘on-goddelijkheid’) die na jaren verhardt in sociale, economische en politieke structuren. We worden er zo vlug aan gewoon, bijvoorbeeld aan het feit dat het investeren in de productie van wapens om andere mensen te doden de normaalste zaak van de wereld is; of dat het normaal is dat wij hier aan de rijke kant van de wereld onze overproductie van land- en tuinbouwproducten weggooien terwijl miljoenen mensen elders sterven van de honger; dat privévervoer belangrijker is dan openbaar vervoer, enz… Mgr. Romero zegt ons vandaag dat we voldoende vrij moeten zijn om het goede te doen en voor het leven te kiezen, en dat we zo en zo alleen weerstand kunnen bieden aan die ‘modder’. We moeten er voor zorgen dat ons hart altijd zal kloppen op het ritme van God. Het is ook de Aartsbisschop die ons ooit gezegd heeft: ‘De wil van God is dat de armen zouden leven, menswaardig leven!’.

“En dan is er nog een enorme leegte die Christus vandaag aan de kaak stelt in verband met de religie: de leegte van openbaring en waarheid van God. En hier kan het evangelie van vandaag ons toch wel heel nauw raken. De farizeeën besteden veel zorg aan het wassen van hun handen en het niet aanraken van de doden, en dat zijn menselijke tradities! Maar vanwege deze menselijke tradities hebben ze de ware openbaring van God verwaarloosd. Wie weet, broeders en zusters, of het niet zo zou zijn dat veel van de kritiek die ook op vandaag op de veranderingen in de Kerk wordt gegeven, uit die geest voortkomt? Ze hebben er een religie van gemaakt die op de duur uit niets anders bestaat dan uit menselijke tradities*. Menselijke tradities - dat zijn bepaalde ritussen, bepaalde manieren van zich te kleden, bepaalde manieren van bidden. Het bidden bijvoorbeeld met je rug naar het volk of met je gelaat naar de mensen, het spreken in het Latijn of in het Spaans – dat zijn tradities die door mensen zijn ingesteld.* Laten we zoeken naar wat God het meeste behaagt, en wat het meeste zegt over een religie onder de mensen*. (…) Dat zich beperken tot het uiterlijke en er zich dan zo strikt aan houden,* het zou ook bij ons kunnen gebeuren, als we religie alleen maar laten bestaan ​​uit het nauwkeurig navolgen van en het ons krampachtig vastklampen aan traditionele dingen, en niet uit een poging om de meerderheid van de mensen te begrijpen en hun verlangens aan te voelen en te verstaan. (…) Laat ons toch altijd en in de eerste plaats de echo zijn van hun angst en hun hoop.”

Hoeveel tijd en energie wordt er in onze Kerk nog altijd niet gestoken in het (angstig) verdedigen van het behoud van oude tradities in allerlei rituelen, het investeren van onze tijd en energie in pastorale activiteiten die dateren van vroeger, in oude symbolen, de discussie over het zingen van al of niet gregoriaanse gezangen, de gepaste kledij van priesters en religieuzen, … we kunnen aanvullen met: het al of niet verplichte celibaat voor priesters, de uitsluiting van vrouwen, de verticale hiërarchische structuur in de Kerk,… Mgr. Romero zegt ons dat het daarbij altijd gaat over ‘menselijke tradities’ die op een bepaald moment in de geschiedenis van de Kerken vorm hebben gekregen. Het zijn altijd menselijke creaties die evolueren en moeten blijven evolueren, juist omdat ze ‘des mensen’ zijn. Alle culturen bezitten een enorme rijkdom die hun eigen is, maar de Kerken houden toch nog altijd voor alle continenten vast aan uniforme riten, gebruiken en gewoonten die eeuwen geleden in West-Europa ontstaan zijn. Mgr. Romero roept ons op om terug te keren naar de kern van ons geloven. Waar is God nu vandaag aanwezig? Waar spreekt de Verrezen Gekruisigde ons aan? Hoe kunnen we Zijn stem horen bij het luisteren naar de pijn, de angst, de verlangens en de hoop van de mensen van vandaag, speciaal diegenen die het meest kwetsbaar zijn? In het spreken en handelen van de Kerk en van de christenen moet altijd de echo meeklinken van het ‘lijden’, van de hoop, van de strijd van de uitgesloten mensen, van mensen voor wie velen in de wereld de deuren sluiten.

“En tenslotte is er in de religie vaak een leegte aan werken*. Zorgt er voor dat uw religie niet uit theoretische zaken bestaat. Als hun religie geen werken bevat, zullen zij die altijd maar ‘Heer! Heer!’ roepen het koninkrijk der hemelen niet binnengaan.* (…) De armen geven ons de mogelijkheid om een ​​religie te beleven die niet zonder werken is. En dit zijn de werken die God wil zien, om ons te kunnen redden: Ik had honger en jij gaf mij te eten, Ik had dorst en jij gaf mij te drinken, Ik zat in de gevangenis en jij ging mij bezoeken, Ik was ziek en jij kwam mij troosten. Kortom, het gaat hier om alle menselijke situaties van armoede, lijden en marginalisering. Dit alles, geliefde broeders en zusters, is de goudmijn waar de rijkdom ligt te wachten om geen religie te belijden zonder de werken. Hoe dichtbij is toch die goudmijn, hoe voor de hand liggend - en hoe wordt die toch door velen veracht of over het hoofd gezien!”

Wie die concrete ‘hongerigen’ en ‘dorstigen’ zijn – dat zal op verschillende momenten en plaatsen in de geschiedenis anders beleefd worden. De Kerk zal altijd opnieuw moeten ontdekken waar en wanneer ze prioritair kan en moet aanwezig zijn. Met een tekst van Geert Dedecker over de uitdaging voor de Kerk hier vandaag, zeggen we: ‘De plaatsen waar de Kerk van de toekomst eerst en vooral aan ‘pastoraal’ moet doen, dat zijn alle ‘vind-plaatsen’ waar gekwetste, door het verleden en de onkansen getekende mensen leven: op palliatieve zorgen, bij (ex)gedetineerden, bij aids-patiënten, bij asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren, bij oorlogsslachtoffers, bij nabestaanden van zelfdoding, bij echtgescheidenen, uitgeslotenen, gemarginaliseerden, armen… Het volstaat daar iets van mededogen zichtbaar en tastbaar proberen te maken, en meteen zullen wij als Kerk weer geloofwaardig worden…’

Suggestie van vragen voor bezinning en actie, persoonlijk en in onze gemeenschappen:

Wat betekent het voor ons de Heer te dienen vanuit een oprechte innerlijkheid, vanuit een oprecht hart? Hoe beleven we dat concreet?

Op welke manier botsen we op die ‘menselijke tradities’ in de Kerk, die historisch gegroeide normen, wetten en criteria voor liturgie, pastoraal, het kerkelijk ambt, de plaats van de vrouw,…? Welke stappen kunnen we zetten – individueel en als gemeenschap – om onder het Licht van het Evangelie te zoeken naar nieuwe en hedendaagse normen, wetten en criteria?

Hoe zijn wij concreet betrokken bij het lijden van mensen in armoede, uitsluiting, oorlog, honger,…? Wat zijn onze zo noodzakelijke ‘werken’ die ons geloof ‘geloof-waardig’ zullen maken?

Ludo Van de Velde

Ludo Van de Velde (1949), afkomstig uit Oelegem, leefde en werkte sinds 1977 in Centraal- Amerika. Hij was gedurende 9 jaren fidei donumpriester in Guatemala, El Salvador en Nicaragua. Hij is gehuwd en vader van twee dochters. Wonend in El Salvador was hij gedurende 25 jaren eerst ngo-coöperant en nadien regiocoördinator van Volens. Dank zij de diepe inspiratie van Mgr. Romero en de roep van arme mensen in kerkelijke basisgemeenschappen aan de rand van San Salvador, kon hij, samen met zijn vrouw Tere, de laatste 10 jaren met hen weer verder optrekken. Zo werd hij opnieuw wie hij altijd geweest was: priester in dienst van de armen en in dienst van het Evangelie. Sinds eind februari 2021 wonen ze in Brugge, dicht bij hun (klein-) kinderen, op zoek naar nieuwe uitdagingen.


Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 24. Tweeëntwintigste Zondag door het jaar-B – 1 september 2024.

Er zijn goede mensen.

“Ik wil van op deze plaats mijn felicitaties overmaken aan u allen omwille van de vele goede werken die ik in het hele aartsbisdom zie gebeuren. Het lijdt geen enkele twijfel: er zijn echt wel goede mensen. Er zijn mensen die zich aan de hemelpoort zullen aanbieden met handen vol goede werken. De Heer zal het anderen kwalijk nemen dat hun godsdienst een religie was zonder goede werken. Geloof alleen is niet genoeg, want het zijn de goede werken die het geloof bewijzen. … Maar godzijdank zijn er in El Salvador goede mensen aanwezig, met een hart vol bronnen van zuiver water om zoveel smet en onzuiverheid die in het land aanwezig zijn, weg te spoelen.”

Toen ik net in België was aangekomen, ontdekte ik het boek van een Nederlandse historicus, Rutger Bregman: ‘De meeste mensen deugen’. Hij herleest in dat boek de hele menselijke geschiedenis en ontdekt daarin een heel nieuw licht, zelfs naar de toekomst toe. Eeuwenlang is de hogere klasse in de maatschappij van mening geweest dat degenen die lager gesitueerd waren dan zij, niet in staat zijn tot enige waardevolle inbreng in de geschiedenis, en niets van betekenis kunnen bijdragen aan de mensheid. Er bestaat daaromtrent in het spraakgebruik een overvloed aan uitdrukkingen (vooral gehanteerd in de mond van de veroveraars) zoals: ‘Dat soort mensen – ze leven als dieren’. Religies prediken al eeuwenlang dat mensen fundamenteel slecht zijn. In de christelijke traditie werd steevast gesproken over de val van Adam en Eva, en over de erfzonde die daar het gevolg van was. En natuurlijk zijn de nieuwsuitzendingen over de hele wereld tot op vandaag vooral gevuld met nieuws over het kwaad dat mannen en vrouwen bedrijven. De auteur die ik heb genoemd benadrukt echter in zijn lezing van de menselijke geschiedenis dat in crisissituaties zich altijd weer het beste van de mensheid heeft gemanifesteerd. De goedheid van de meerderheid der mensen valt vaak niet op, maar die goedheid duwt de geschiedenis alsmaar weer in de richting van meer menselijkheid, en van een meer authentieke humaniteit.

Toen ik bovenstaand citaat las uit de preek van Mgr. Romeo voor deze zondag, dacht ik meteen aan dat boek van Bregman, dat ik zeker nog een keer zal herlezen. De Aartsbisschop zegt en herhaalt: “… Er zijn zoveel goede werken.” “… Er zijn zoveel goede mensen.” “… Er zijn zoveel mensen… met hun handen vol goede werken.” Het is belangrijk om dit te blijven benadrukken en te herhalen. De meerderheid van de Salvadoranen is niet slecht, zij zijn niet corrupt, zij zijn geen moordenaars, zij zijn geen dieven. Maar er zijn wel enorme hoeveelheden aan goede werken aanwezig onder het volk, er zijn daden van solidariteit en initiatieven tot samenwerking; er is leven en strijd voor het leven, er is heel veel dienstverlening zodat we met zijn allen beter kunnen leven en samenleven. Degenen die de communicatiemedia beheren, zijn echter niet geïnteresseerd in het ter sprake brengen en in het openbaar etaleren van deze werken van goedheid. De overgrote meerderheid van de Salvadoranen bevindt zich niet op de hoge niveaus van bedrijven, ministeries, overheden, organisaties (sociaal, politiek, in de vakbonden); je treft ze niet aan op belangrijke posten van de Kerken of de andere religies, in het leger en de politie. Degenen die je wel aan de top van al die organisaties en instituten aantreft, bevinden zich echter in ‘het openbare forum’. Afhankelijk van de ideologie worden ze daar bekritiseerd of geprezen, terwijl de daadwerkelijke waarheid en waarachtigheid van hun werken vaak in het ongewisse blijft. Maar er zijn (buiten hen) zoveel goede mensen – daar herinnert Aartsbisschop Romero ons vandaag uitdrukkelijk aan. En deze vaststelling, ja deze zekerheid betekent een heel belangrijk gezichtspunt om van daaruit naar ons aller toekomst te kijken.

Mgr. Romero verduidelijkt ook dat het ‘… de goede werken zijn die het geloof bewijzen’, dat alleen de goede werken de authenticiteit aantonen van het geloof dat je met de lippen belijdt. Een religie van grote aanbidding (eenvoudig of plechtig) zonder de werken van die fundamentele goedheid is eerder een soort vergif, of wat Karl Marx als ‘opium voor het volk’ bestempelde. Maar gisteren, vandaag en morgen - ongeacht de religie en de cultuur waartoe zij behoren, zijn de meeste mensen goed en doen ze goede daden. Misschien zijn het ogenschijnlijk maar kleine daden, zo klein en onbeduidend als ‘het mosterdzaadje’ waar het Evangelie over spreekt. Het is duidelijk dat slechte mensen, aanbidders van de afgoden van macht en rijkdom, mettertijd structuren van het kwaad hebben uitgebouwd, structuren van de zonde. Maar onder deze structuren bevinden zich waterstromen die de hoop levend houden op een nieuwe en andere wereld. Wij die geloven in Jezus, wij moeten een voorbeeld en getuige zijn van deze stromen van goedheid; we moeten broederlijke solidariteit beleven en rechtvaardige organisaties opbouwen (of toch tenminste de aanzet geven voor de eerste structuren en contouren daarvan). Het heeft voor ons geen nut om over het Koninkrijk van God en zijn waarden te praten, het heeft voor ons geen betekenis om regelmatig het Heilig Avondmaal te vieren, als we niet tegelijk die diepe menselijke vriendelijkheid beleven en als we niet leven om te dienen in solidariteit.

Recent, in 2024, las ik een ander boek waarin de auteur zegt: ‘Rutger Bregman zegt: mensen zijn (in essentie) goed. Ik zeg daarop: dat klopt niet. Mensen zijn niet intrinsiek slecht, mensen zijn niet intrinsiek goed. Mensen zijn ook niet neutraal. Wel hebben mensen het potentieel om goedaardige of kwaadaardige gedragingen te stellen binnen een bepaalde context. Dat is voor mij de essentie: het omarmen van het potentieel tot deugdzaamheid, het omarmen van het potentieel tot destructie.’ Als het klopt dat iedereen een potentieel heeft om goed te doen (zelfs het beste dat men zich kan voorstellen) en al evenzeer een potentieel bezit om kwaad te doen (zelfs het ergste dat men zich kan voorstellen), dan zal het heel belangrijk zijn dat we er als Kerk op gericht zijn om dat potentieel om goed te doen te bevestigen en het verder te helpen ontwikkelen. Als Kerk hebben wij de verantwoordelijkheid om er toe bij te dragen dat er geen externe situaties ontstaan ​​(onder invloed van superieure instanties van gezag en macht,…) waarin mensen (beetje bij beetje) het potentieel voor (extreem) kwaad ontwikkelen. “… Maar godzijdank zijn er in El Salvador goede mensen aanwezig, met een hart vol bronnen van zuiver water om zoveel smet en onzuiverheid die in het land aanwezig zijn, weg te spoelen.” Laten we er voor zorgen dat we tot die meerderheid behoren en zodanig leven dat degenen die ons kennen datzelfde ook over ons kunnen getuigen, zoals van Jezus werd gezegd: ‘Hij ging rond al weldoende’. Maar laten we er alert voor zijn dat het altijd ook aanwezige potentieel om kwaad te doen zich niet zou ontwikkelen. We hoeven niet bang te zijn.

Tere en Ludo Van de Velde

Voor wie Spaans begrijpt: we delen graag ook nog een aantal andere reflecties op basis van citaten uit dezelfde homilie van Mgr. Romero, uitgesproken op de Tweeëntwintigste Zondag door het jaar-B, 2 september 1979, met een overdenking erbij van mijn eigen hand (2015), later opgenomen op de St. Matthew’s Radio van de Anglicaanse Kerk in de VS:

239 ¿Qué me puede hacer la muerte?:

238 Paternalismo:

237 Verdadera y falsa religión:

236 Hemos comercializados:

Deze reflectie was oorspronkelijk geschreven voor zondag 29 augustus 2021, en werd nu herzien voor de Tweeëntwintigste Zondag door het jaar-B, 1 september 2024. Voor deze overdenking hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering op de Tweeëntwintigste Zondag door het jaar-B, 2 september 1979. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo V, Ciclo B, UCA editores, San Salvador, p. 273 en 278.

Zoeken in Preken Online