Homilie op de 21e zondag door het jaar B: “Het is de geest die levend maakt; het vlees is van geen nut!” (Jo. 6, 60-69)
Tielt, 26 augustus 2012
In de evangelietekst die we zopas beluisterd hebben, hoorden we een merkwaardig zinnetje: “Het is de geest die levend maakt; het vlees is van geen nut.”
Die tekst is vaak door christenen gebruikt om duidelijk te maken dat het geestelijke ver boven het lichamelijke verheven is, ja zelfs dat het lichaam, “het vlees”, gevaarlijk is, een bron van allerlei zonden.
Omtrent die opvatting zijn heel wat anekdoten uit het verleden te melden.
Zo kennen we het verhaal van die vrome en bezorgde pastoor in Vlaanderen, 50 jaar geleden, die de negertjes op de missieprentjes bijkleurde en te veel bloot naar zijn zin netjes in de kleren stak. De ouderen kennen het verhaal van de donderpredikanten die van op de preekstoel reageerden tegen gemengd toneel, tegen gemengd zwemmen, tegen de gevaren van het dansen, tegen de meisjes en dames met te korte mouwen, een te open halskraag of vleeskleurige kousen. En seksualiteit was een zonde, die, spijtig genoeg, in het huwelijk verplicht was om het mensdom en de christengelovigen voort te planten.
Dat alles kwam voort uit een angstige houding tegenover het lichaam, die koppige “broeder ezel”, die je moest beteugelen met een harde aanpak, duidelijke regels, vasten en versterving. Het was de tijd van de in onze ogen lachwekkende preutsheid, van de zwartekousenkerk, waarnaar niemand thans heimwee moet hebben.
Ik meen zelfs dat we voor die manier van doen de Bijbel of het evangelie niet aan onze kant vinden. De teksten uit het Oude Testament getuigen hoegenaamd niet van preutsheid. Integendeel! De levensstijl van Jezus geeft geen aanleiding om te denken dat Hij aan de lichamelijke geneugten geen belang hechtte. Hij werd er juist van beschuldigd niet te vasten en dat Hij het op prijs stelde uitgenodigd te worden op feesten. Hij veranderde op de bruiloft in Kana 6 kruiken water in wijn, 6 kruiken elk met een inhoud van 100 liter, dat is samen 800 flessen wijn: dat alles als de gasten al goed gedronken hadden. Best dat er toen geen bobcontrole bestond.
Tot voor enkele eeuwen was er in de Kerk geen angst voor het lichaam: noch in de oudheid, noch in de middeleeuwen en zeker niet in de renaissance of de barok. Die angst voor het lichamelijke, die vrij recent is in de kerkelijke traditie, is wel een bron geweest van veel gewetensproblemen bij veel goed menende gelovigen. We mogen daarvoor niemand veroordelen, maar die opvatting moeten we wel betreuren.
Als Jezus ons vandaag in het evangelie zegt dat het lichaam van geen nut is, bedoelt Hij iets anders. Zeker niet het ideaal van de geesten zonder lichaam, maar wel een reactie tegen de lichamen zonder geest.
Het eenzijdig beklemtonen van het lichamelijke zonder aandacht voor de geest is een kwaal van onze tijd: een ware rage. Fitnesscentra zijn er bij de vleet. Peperdure schoonheidsproducten worden gemakkelijk verkocht. Als het hier slecht weer is, zijn mensen bereid meer dan 1000 Km. ver te rijden en lang in de file te staan om 2 weken te gaan bruinen in het Zuiden: één week voor de voorkant en één week voor de achterkant. Want bruin is mode.
De evolutie van de positieve wetenschappen opent ongehoorde toekomstperspectieven. De utopische toekomstroman “Brave New World”, 60 jaar geleden geschreven door Aldous Huxley, lijkt thans werkelijkheid te worden: pilletjes om het seksueel genot op te drijven, genmanipulatie , de maakbare en gekloonde mens. Dat alles is thans mogelijk. De vraag is: Mag alles wat kan? Ik meen van niet.
Voeg daarbij dat je alles volgens productienormen moet berekenen en dat je enkel de vraag moet stellen: Wat brengt het op?
Dat is de kanker in onze tijd waartegen Jezus in het evangelie reageert. Terecht! Wie een beetje levenservaring heeft, weet dat puur lichamelijke schoonheid zo kortstondig en vergankelijk is, dat het louter materiële een mens nooit bevredigt en dat onze gelukkigste momenten juist onproductief zijn. Gelukkig ben je als iemand van je houdt en als je zelf iemand kunt beminnen, als je fijn en open met iemand kunt praten, als je kunt genieten van een stukje muziek, een mooi beeld of schilderij of prachtige verzen. Wie geen tijd meer heeft om te fietsen zonder dat je ergens moet zijn, om gewoon een feestje te bouwen rond een familiaal gebeuren, vernietigt zichzelf, is levend dood. Dan krijgt onbaatzuchtig vrijwilligerswerk een lage prioriteit, dan wordt een zieke of eenzame bezoeken of bidden of naar de kerk gaan puur tijdverspilling, een zinloze karwei.
Jezus zegt ons vandaag niet: het lichamelijke en het materiële zijn waardeloos. Integendeel! Wees blij met je mooi en gezond lichaam. Hou het mooi en gezond. Dat is een plicht. Wees blij omdat je materieel niets te kort hebt. Zo kun je kommerloos en gelukkig leven. Maar Jezus voegt eraan toe: Vergeet de geest niet! Geen lichaamloze geesten, maar ook geen geestloze lichamen!
Die boodschap is op onze dagen bijzonder actueel!
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 22e zondag door het jaar B: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, bezoedelt de mens (Mc. 7, 15).
Tielt, 2 september 2012
In de evangelielezing die we zopas beluisterd hebben, waarschuwt Jezus de Farizeeën van alle tijden en ook ons voor het gevaar van schijnheiligheid en een formalistische, puur uitwendige naleving van de wet. Daarover zou heel wat te zeggen zijn.
Er is immers in onze maatschappij zoveel schijnheiligheid: ware gevoelens worden verborgen achter een gemaskerde blik, een artificiële vriendelijkheid, de geforceerde tandpastaglimlach van de meisjes op de reclameborden of de beroepsglimlach van de hostesses op het vliegtuig of de presentatrices in de T.V.. De wereld lijkt soms op een gemaskerd bal, waaronder een vuurspuwende berg sluimert.
Ook godsdienst, in de handen van mensen, is een blijvend gevaar: je verzeilt zo gemakkelijk in uiterlijke riten, geboden en verboden, die stipt, maar zonder ziel, nageleefd worden. Je zou erover een lang sermoen kunnen houden.
En toch zou ik vandaag uit de evangelietekst enkel 2 zonderlinge zinnetjes willen lichten, namelijk: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in de mens komt. Maar wat uit de mens komt, bezoedelt de mens.”
Lang heb ik die zinnen nooit begrepen. Het is ook zo tegengesteld aan wat gebeurt in het menselijk lichaam, waar een infectie ontstaat door wat in de mens en in de ingewanden terechtkomt. Ik heb ooit eens op een reis in Afrika en zware paratyfus opgedaan door het drinken van bezoedeld water en het eten van verontreinigd voedsel. Dat is geen prettige ervaring.
We worden ook gemakkelijk verontrust en beroerd door de verwijten die we van mensen moeten slikken en door het kwaad dat anderen ons aandoen. Mensen moeten soms heel veel incasseren, veelal onverdiend. Als getrouwde man of vrouw krijg je soms verwijten van je partner te horen en moet je misschien veel verdragen. In je binnenste wordt iets gebroken, kapot gemaakt. Dat doet pijn, maar het bezoedelt je niet. Je bent daarom geen slechte man of vrouw.. Ouders moeten soms veel verdragen van hun opgroeiende of getrouwde kinderen, die soms zo hard kunnen zijn in wat ze zeggen tegen hun ouders, in de manier waarop ze hen behandelen, zelfs in hun oude dag. In Brugge vertelde me een vrouw van 85 jaar, die in een godshuisje woonde, dat sinds jaren haar 3 getrouwde dochters haar nooit meer kwamen bezoeken. En ze voegde er wenend aan toe: “Dit jaar hebben ze zelfs met nieuwjaar geen kaartje geschreven. Sommige ouders lijden heel sterk onder de ondankbaarheid van hun kinderen, maar ze worden er niet door bezoedeld: het zijn daarom geen slechte ouders! Ook directies, leerkrachten, priesters, religieuzen, sociale werkers en werksters, politici, enz… moeten thans veel incasseren en krijgen veel kritiek. Soms terecht, maar meestal onverdiend. Die beschuldigingen en verdachtmakingen doen pijn. Maar het zijn daarom geen slechte of onbenullige mensen. Het zegt veelal meer over de aanklager dan over de beschuldigde. Van Talleyrand, de minister van Napoleon, wordt verteld dat hij op zekere dag van Napoleon een hele reeks verwijten naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Talleyrand, die een koele sfinx was, reageerde daarop niet. Toen hij buitenkwam, wou hij enkel dit kwijt: “Het is jammer dat een zo groot man zo slecht opgevoed is.” Hij had de evangelietekst goed begrepen: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens.” Dat evangelisch gezegde is een bemoedigend woord voor alle mensen die veel moeten incasseren.
Het tweede zinnetje is een zware veroordeling: “Wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens.” Kwaadsprekerij b.v. bezoedelt degene die kwaadspreekt, want dat komt uit het binnenste van de mens, veelal uit zijn jaloersheid. Er is er nogal wat in onze maatschappij: jaloersheid op de buren, een collega of zus omdat ze een mooier huis hebben of een mooiere wagen, omdat ze mooier zijn of althans een mooiere vrouw hebben; of omdat ze een hogere functie bekleden of vrienden of relaties hebben in betere kringen, enz… Dat is de grote kwaal van het zich vergelijken met anderen, waardoor je altijd ongelukkig bent. Hun jaloersheid uit zich in banale roddel of kwaadsprekerij die ze handig verpakken in formules als: “Het schijnt dat…; ze zeggen dat… of zou het waar zijn dat…?” Ze vergeten dat ze daarmee een eigen laaghartige gevoelens blootgeven en vooral zichzelf bezoedelen. Soms is het een uiting van zelfgenoegzaamheid: een zich beter wanen dan de anderen. Soms is het uit trots: ze zijn fier iets te weten dat anderen misschien niet weten. Dat weinig mensen een geheim kunnen bewaren heeft La Fontaine al gemerkt toen hij schreef: “Niets weegt zo zwaar als een secreet en vrouwen hebben er last mee het lang voor zich te houden. En in dat opzicht ken ik zelfs veel mannen die echte vrouwen zijn” (Et je sais même sur ce fait bon nombre d’hommes qui sont femmes).
“Niemand wordt onrein door wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, maakt hem onrein.” Het is een troost voor de mensen die veel moeten incasseren en verdragen; een harde waarschuwing opdat we zouden beseffen dat we niet de anderen maar onszelf bezoedelen door het kwaad dat we over de mensen vertellen of bij hen aanrichten.
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt