Jezus’ rede over het nieuwe manna ‘stuit tegen de borst’. ‘Wie is nog in staat naar Hem te luisteren’? zeiden ‘velen van zijn leerlingen’. Jezus plaatst hen nog een laatste keer voor de keuze. Hij herhaalt nog eens dat het een kwestie is van morren of geloven en dat het de Vader is die het morren in geloven verandert: ‘Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen als het hem niet door de Vader gegeven is ‘Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap’. Jezus zelf trekt zich niet terug. Hij vraagt ook aan ‘de twaalf’, de meest intieme leerlingen: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’
Vijf zondagen naeen hebt ge over het teken nagedacht. Het is diep in u doorgedrongen Voor wie gelooft is Jezus’ leer een onuitputtelijke bron. Zijn woorden zijn voor hem ‘geest en leven Hij is dankbaar dat God hem het geloof schenkt. Hij weet dat zijn geloof zijn grootste schat is. Hij heeft over Jezus’ woorden nagedacht, maar hij weet dat het geloof Gods gave is, die niemand hem nog zal ontnemen. Hij weet dat zijn nadenken van hem geweest is. Maar hij weet evenzeer dat in hem iets gebeurd is dat hem ver boven zijn eigen krachten opgetild heeft. Hij weet dat zijn beslissing wel van hem is, maar dat het de Vader is die hem heeft aangetrokken, dat het de Vader is die hem met Petrus doet antwoorden: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt’. Hij verstaat het woord dat Jezus tot Petrus richt: - hij weet dat het ook tot hem gericht is - ‘Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is’. Zijn dankbaarheid wordt een lofzang, een lied en een gejuich, omwille van het grote wonder dat God in zijn hart verrichtte.
Sedert het begin van het jaar hebben we Jezus’ openbaring gevolgd in zijn wondere werken en woorden. Hij heeft steeds meer zichzelf geopenbaard, Hij heeft zijn Vader, God geopenbaard, Hij heeft ons aan onszelf geopenbaard, ons doen verstaan dat we staan of vallen door al dan niet in Hem te geloven.
Groot is deze zondag van de beslissing. Sereen nemen we Gods natuurlijke gaven aan. ‘Vlees en bloed’ zijn we. We bouwen en trouwen. We werken en spelen. Maar ‘vlees en bloed’ openbaren ons niet alles. Ja, ‘vlees en bloed’ openbaren ons niets van al wat we eigenlijk verwachten, in de grond van ons hart van ‘vlees en bloed’ verlangen. ‘Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut’.
Jezus heeft ons aangetrokken. Hij leest in de harten van zijn toehoorders. Hij is ‘vlees en bloed’ zoals wij. Bouwen en trouwen, werken en spelen, denken en macht verwerven waren mogelijkheden voor Hem zoals ze het zijn voor ons. De spanning tussen ‘vlees en bloed’ en ‘geest en leven’, die ons allen eigen is, was ook Hem eigen, was diep in Hem geplant, op een diepte die ons eigenlijk ontgaat. Zeer vroeg is die spanning bij Hem bewust naar voor geschoten. Heel zijn bestaan heeft Hij vroeg in dienst gesteld van al wat ‘geest en leven’ is, tot Petrus, door de ‘Vader in de hemel’ verlicht, aan wie de ‘Vader in de hemel’ het openbaarde, ontdekte en beleed dat Jezus ‘de Christus’ is, ‘de Zoon van de levende God’, ‘de Heilige Gods’. Petrus is bij Jezus gebleven.
Jezus, vroeg ervan bewust wie Hij was, heeft ook vroeg en bewust zijn opdracht aanvaard, in heilige gehoorzaamheid en met een liefde voor zijn Vader en voor zijn broeders die ons doet huiveren. Nu Hij de broden vermenigvuldigd heeft, nu Hij zijn leer vergelijkt met ‘brood uit de hemel’, nu Hij zichzelf ‘het brood des levens’ noemt, doemen het offer en het kruis aan de horizon op, het ‘uur’ waarop Hij zijn ‘vlees en bloed’ zal geven. Daarna zal Hij ‘opstijgen naar waar Hij vroeger was Zalig wie nu en straks niet mort, maar gelooft. Hij zal zijn Brood eten, zijn ‘Vlees en Bloed’ nutten, zijn ‘Geest en Leven’ en de Heilige Geest ontvangen.