Beste dorpsgenoten,
In de eerste lezing hebben we gehoord dat Jozua zijn volk voorhield: " Als je de Heer niet wilt dienen, kies dan nu een andere god." Het volk antwoordde: “Ook wij willen de Heer dienen. Hij is onze God.” In de evangelielezing hebben we gehoord: “Wilt ook gij soms weggaan? " Simon Petrus antwoordde: " Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.” In beide gevallen is er sprake van een keuze. In beide gevallen is het antwoord ongeveer hetzelfde: “De Heer,” : " Ook wij willen de Heer dienen." . “Heer, naar wie zouden wij gaan?” .
Nu 2000 jaar verder kunnen wij die zelfde vraag ongeveer zo stellen: " Waar geloven wij nog in? Kennen en erkennen wij nog iets dat heilig is?"
En ook nu moet het antwoord op die eeuwenoude vraag wel zijn: “De Heer, God, Onze Lieve Heer, Allah.” En dat antwoord geven we dan ook zonder er verder bij na te denken. En vooral: Dat antwoord krijgen we, dat antwoord wordt ons door de strot geduwd door hogere instanties die er vanuitgaan dat God het helemaal eens is met hun antwoord.
We hebben dus het antwoord op de vraag tot wie we zullen gaan.
En toch: 3000 jaar geleden hadden ze het antwoord, 2000 jaar geleden hadden ze het antwoord. Wij hebben het antwoord en toch blijven we vragen, want we zijn niet zeker van de zaak, we voelen ons toch niet gerustgesteld met dat vanaelfsprekende, eeuwenoude antwoord.
Een tijd geleden las ik het zinnetje: “Wij hebben geen grond om op te staan. En dat is ons thuis.” Dat is andere koek!
Het zinnetje zegt niet: IK heb geen grond om op te staan maar WIJ hebben geen grond om op te staan.
Als we opnieuw een antwoord zoeken op de vraag: “Tot wie zouden wij anders gaan?” dan is het antwoord voor mensen van deze tijd: “WIJ.”
Er is niets anders, er blijft ons niets anders over dan: “Wij moeten tot elkaar gaan.” Wij allemaal samen hebben geen grond om op te staan., alleen dat WIJ kan de grond worden om op te staan, het dak waaronder we kunnen schuilen en huizen..
Met elkaar omgaan, naar elkaar luisteren, elkaar respecteren, naar elkaar opzien, eerbied hebben voor elkaar, als dat onze eredienst, onze godsdienst, ons geloof wordt, dan zullen we op het eind van het liedje mogen ontdekken dat er meer is dan WIJ. Dan zullen we een nieuw gezicht zien. Maar we hoeven er niet naar te zoeken of er naar te vragen. Het enige waar we naar moeten zoeken is elkaars gezicht. Het blijft wel een heel werk! Daar ligt het antwoord dat geen vraag meer overlaat.
Dat het zo moge worden.