20e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen

Twintigste Zondag door het jaar - B 18 augustus 2024

Evangelie: Johannes 6, 51-58

Wat zegt Mgr. Romero ons op deze zondag?

Mgr. Romero geeft aan deze preek de titel: ‘De Goddelijke Redder, persoonlijk aanwezig in de eucharistie’. Voor het samenstellen van onze Bouwstenen van vandaag vertrekken we vanuit een citaat uit die preek, gehouden op de Twintigste zondag door het jaar-B.

Om na te denken over het zondagsevangelie grijpt aartsbisschop Romero vandaag terug naar de doctrine van het Concilie van Trente (1545-1563). En van daaruit zegt hij: “Het Concilie van Trente nam stelling tegenover de vijanden van de Eucharistie, degenen die zich schamper afvroegen: ‘Hoe kan Christus persoonlijk aanwezig zijn in dat kleine stukje brood en in dat beetje wijn?’ Het Concilie beklemtoonde, geïnspireerd door de woorden van het Evangelie van deze zondag, drie sterke woorden omtrent de aanwezigheid van Christus*: ‘Christus is* waarlijk aanwezig, werkelijk aanwezig, en substantieel aanwezig.’ (…) We moeten het ‘eten van het Lichaam van Christus’ uiteraard niet begrijpen als waren wij als deelnemers aan de Eucharistie een soort antropofagen of menseneters. Daar gaat het hier niet om. En precies daarom verduidelijkt Christus: ‘Maar het gaat hier om Mijn vlees, en jullie moeten begrijpen wat voor vlees Ik ben.’”

Ook in deze preek en zeker in bovenstaand citaat wordt duidelijk hoe Mgr. Romero een man van zijn tijd is geweest, getekend en gevormd door de preconciliaire leer van de Kerk. En dat blijkt ook uit de manier waarop hij deze tekst van het Evangelie van Johannes begrijpt en hoe hij aan de hand daarvan de betekenis van de aanwezigheid van Christus in de Eucharistie probeert uit te leggen. De leer van het Concilie van Trente, vandaag bijna vijf eeuwen geleden, helpt ons waarschijnlijk niet om vandaag de Eucharistie te begrijpen, laat staan ​​ze goed te beleven. Deze korte reflectie biedt echter onvoldoende ruimte om daarvoor nieuwe elementen van begrip en meer actuele oriëntaties aan te reiken. We delen daarom een reflectie van priester José Antonio Pagola die ons daarbij kan helpen.

“Natuurlijk is de viering van de mis door de eeuwen heen veranderd. Afhankelijk van de tijd hebben theologen en liturgen sommige aspecten meer benadrukt en andere sterker verwaarloosd. De mis heeft gediend als raamwerk om de kroning van koningen en pausen te vieren, om hulde te brengen aan de helden van het vaderland of om oorlogsoverwinningen te herdenken. De muzikanten hebben er met de beste bedoelingen een concertuitvoering van gemaakt. De ‘gewone’ mensen hebben het gebeuren geïntegreerd in hun devoties en in hun religieuze gebruiken en praktijken.

Na twintig eeuwen kan het nodig zijn om enkele van de essentiële kenmerken van het Laatste Avondmaal in herinnering te brengen, zoals het door de eerste christelijke generaties werd gememoreerd en beleefd. De kern van die maaltijd is iets dat nooit mag worden vergeten: ze bevat de boodschap dat de volgelingen van Jezus niet verweesd zullen achterblijven. De dood van Jezus zal hun gemeenschap met Hem niet kunnen verbreken. Niemand hoeft zich leeg en verloren te voelen door Zijn afwezigheid. Zijn discipelen worden niet alleen gelaten, overgeleverd aan de wisselvalligheden van de geschiedenis. In het centrum van elke christelijke gemeenschap die de Eucharistie viert, staat Christus, levend en actief aanwezig. En daarin is het geheim van hun kracht gelegen.

Het geloof van de volgelingen van Jezus wordt door Hem blijvend gevoed. Het volstaat daarvoor echter niet van enkel maar die maaltijd bij te wonen. De discipelen worden uitgenodigd om te ‘eten’. Om onze trouw aan Jezus Christus te voeden moeten we samenkomen om naar Zijn woorden te luisteren en ze in ons hart te bewaren; maar we worden ook uitgenodigd om nog dichter tot gemeenschap met Hem te komen, en ons te identificeren met Zijn levensstijl. Geen enkele andere ervaring kan ons meer vast voedsel bieden voor de weg die wij moeten gaan.

Het beslissende bij dat alles is: dat wij honger naar Jezus hebben. Dat wij zoeken vanuit de diepte om Hem te vinden. Dat wij ons openstellen voor Zijn waarheid, zodat Hij ons kan markeren met Zijn Geest en het beste dat in ons voorhanden is naar voren brengt. Het komt erop aan dat wij de gebieden van ons leven die nog niet zijn geëvangeliseerd, door Hem laten verlichten en transformeren.

We moeten niet vergeten dat ‘communiceren’ met Jezus (te communie gaan, zoals wij zeggen) betekent dat wij in gemeenschap treden met Iemand die geleefd heeft en gestorven is, in een volledig ‘gegeven’ zijn voor anderen. Jezus dringt erop aan dat wij op Zijn uitnodiging zouden ingaan. Zijn lichaam is immers een ‘gegeven lichaam’ en Zijn bloed is een ‘vergoten bloed’, bedoeld voor de redding van allen. Het is derhalve zondermeer een grote tegenstrijdigheid dat je dichter bij de ‘gemeenschap’ met Jezus zou willen komen door egoïstisch weerstand te bieden aan het leven voor anderen.

Er is niets meer belangrijk en beslissend voor de volgelingen van Jezus dan de viering van dit Heilig Avondmaal. Daarom moeten we er zo goed voor zorgen. De goed gevierde Eucharistie vormt ons, verenigt ons met Jezus, voedt ons met Zijn leven, maakt ons vertrouwd met Zijn Evangelie, nodigt ons uit om te leven in een houding van broederlijke dienstbaarheid en schraagt ​​ons in de hoop op de uiteindelijke hereniging met Hem.”

In deze reflectie van de Spaanse priester José Antonio Pagola trekt vooral zijn verwijzing naar de noodzaak van het ‘honger hebben naar Jezus’ mijn aandacht. Misschien komt dat over als een beetje een vreemde uitdrukking. Wanneer je geen honger hebt (omdat je ziek bent, moe bent… etc.), heb je natuurlijk geen zin om aan de familietafel te gaan zitten. Maar als we honger hebben, dan smaakt zelfs het eenvoudigste voedsel heerlijk, het bemoedigt ons en het versterkt ons. Zou het niet zo kunnen zijn dat we vandaag in de eerste plaats die ‘honger naar Jezus’ missen, en dat we daarom de ‘smaak’ van de Eucharistie niet proeven en bij het einde weer weggaan zoals we binnenkwamen? Ik begrijp de uitdrukking ‘honger naar Jezus’ als onze geloofsbehoefte om bij Hem te zijn, om Zijn aanwezigheid te voelen, om Hem werkelijk in ons leven toe te laten. In de mate we vandaag het risico durven te lopen om het pad te bewandelen dat Jezus heeft geopend, zullen we die behoefte voelen. Door te leven in toewijding aan anderen, vooral aan kwetsbare en gewonde mensen, zullen gelovigen een steeds grotere behoefte voelen om met Hem te communiceren, ook in de Eucharistie: Hij is immers het Brood des levens!

Suggestie van vragen voor bezinning en actie, persoonlijk en in onze gemeenschappen:

  1. Wanneer we ons afvragen waaruit onze ‘honger naar Jezus’ bestaat, en wanneer we die ‘honger’ ook echt voelen - welke ervaring is dat dan? Wat roept dat concreet bij ons op?

  2. Welke relatie beleven wij tussen het ontvangen van de communie in de Eucharistie en onze toewijding aan de weg die Jezus heeft geopend?

  3. Wat betekent het voor ons om te communiceren (te communie te gaan) met die Iemand Die, nadat Hij mateloos heeft geleefd om anderen leven te geven, tenslotte is vermoord? (Wel wetende: het is onmogelijk om in de opstanding van Jezus te geloven zonder het kruis ernstig te nemen!)

Ludo Van de Velde

Ludo Van de Velde (1949), afkomstig uit Oelegem, leefde en werkte sinds 1977 in Centraal- Amerika. Hij was gedurende 9 jaren fidei donumpriester in Guatemala, El Salvador en Nicaragua. Hij is gehuwd en vader van twee dochters. Wonend in El Salvador was hij gedurende 25 jaren eerst ngo-coöperant en nadien regiocoördinator van Volens. Dank zij de diepe inspiratie van Mgr. Romero en de roep van arme mensen in kerkelijke basisgemeenschappen aan de rand van San Salvador, kon hij, samen met zijn vrouw Tere, de laatste 10 jaren met hen weer verder optrekken. Zo werd hij opnieuw wie hij altijd geweest was: priester in dienst van de armen en in dienst van het Evangelie. Sinds eind februari 2021 wonen ze in Brugge, dicht bij hun (klein-) kinderen, op zoek naar nieuwe uitdagingen.


Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 22b. Twintigste zondag door het jaar-B – 18 augustus 2024.

Hij identificeerde zich zozeer met hen dat ze hem als hun broer aanvoelden.

Indien we ons niet vergissen, is onderstaand citaat de enige passage uit al zijn preken waarin Mgr. Romero naar Pater Damiaan verwijst. Dus kunnen we, als we samen met Mgr. Romero over de betekenis van deze Vlaamse heilige willen reflecteren, niet anders dan vertrekken vanuit deze tekst.

“Men zegt dat, toen enkele toeristen of wetenschappers het eiland Molokai bezochten, waar Pater Damiaan bij de melaatsen woonde, deze hen vertelde dat hij aan God had gevraagd om melaatse te mogen zijn met de melaatsen, en dat hij absoluut bij hen wilde blijven – dat, terwijl zijn oversten hem daar juist wilden weg sturen, hoewel Damiaan tegen hen maar bleef zeggen: ‘Nee, laat mij toch hier…’

Hij vroeg dus aan God om zelf de genade van de melaatsheid te mogen ontvangen. En op een dag, terwijl hij bij de consecratie de geconsacreerde hostie optilde, keek hij naar het teken dat de melaatsheid in zijn hand had aangebracht, en vanaf dat moment waren dit de twee woorden waarmee hij de melaatsen aansprak: ‘Wij, melaatsen.’ Hij identificeerde zich zozeer met hen dat ze hem als hun broer aanvoelden. En toen die bezoekers uit het buitenland daar langskwamen, wilden ze Damiaan steun aanbieden en ze zeiden: ‘Hoeveel dollar heb je nodig?’ En Damiaan antwoordde: ‘Indien het om dollars draait, dan blijf ik hier geen minuut meer! Als ik hier ben en blijf, dan is het voor Hem, uit liefde voor Jezus Christus.’

Wat Pater Damiaan kracht gaf, en wat kracht geeft aan de missionarissen van overal, aan alle religieuzen, aan alle priesters; wat leven geeft aan de Kerkelijke Basisgemeenschappen, en wat het centrum van de parochie uitmaakt…, dat is het brood van het eeuwige leven. ‘Wie dit brood eet, voedt zich met het eeuwige leven.’ ‘Hij blijft in Mij en Ik in hem.’ (verzen uit het evangelie van deze zondag – Joh. 6, 51-58)”

We herinneren ons uitspraken van Mgr. Romero als ‘Ik zal mijn volk niet in de steek laten’, ‘Het martelaarschap is een genade van God waarvan ik geloof dat ik die niet verdien. Maar als God het offer van mijn leven aanvaardt, moge mijn bloed dan het zaad van de vrijheid zijn en het teken dat de hoop spoedig werkelijkheid zal worden. Mijn dood, indien aanvaard door God, is bedoeld voor de bevrijding van mijn volk en als een getuigenis van hoop en geloof in de toekomst.’ ‘Als ze mij doden, zal ik in het Salvadoraanse volk verrijzen.’ ‘Dit is het fundament van mijn prediking: niets is voor mij belangrijker dan het menselijk leven.’ Wij mogen zonder twijfel aannemen dat het geen toeval is dat Mgr. Romero in deze preek voor de Twintigste zondag door het jaar-B een verwijzing heeft gemaakt naar de geloofsinzet van Pater Damiaan. Het is niet moeilijk om dat te begrijpen, want het geloof en het engagement van Mgr. Romero en van Pater Damiaan vertonen veel overeenkomsten.

Het verlangen om bij de gemeenschap van melaatsen te blijven – degenen die door iedereen in de steek waren gelaten – deed Pater Damiaan aan God vragen om de genade van de melaatsheid te mogen ontvangen. Hij wilde zijn lijdend volk niet in de steek laten. En wat hij vroeg, gebeurde ook: hij werd zelf ook met lepra besmet. Met vreugde kon hij vanaf dat moment zeggen: ‘Wij, melaatsen.’ Hij identificeerde zich met zijn mensen, ook in zijn eigen lichaam. Hij zou dezelfde beproeving van de dodelijke melaatsheid ondergaan, net als zijn mensen daar op Molokai. Op dezelfde manier waarop hij werd gevoed door de aanwezigheid van Christus in de Eucharistie, werd hij door Hem ook gevoed in het samenleven met en het dienen van de melaatsen. In hen herkende hij de gekruisigde Christus. Met hen getuigde hij van de hoop, en van wat Mgr. Romero verwoordde als: “… Niets is voor mij belangrijker dan het menselijk leven.” Hij was bij de melaatsen omdat hij van hen hield, en zij ervaarden hem als een echte broeder, ver buiten de familierelatie: een ondersteunende broeder die met en voor hen leefde en die zijn leven voor hen gaf. Dit is wat ook gebeurde met Mgr. Romero. Vanuit zijn radicale solidariteit met hen die lijden (onder vervolging, gevangenis, moord,…) liet hij zich vermoorden: hij vluchtte niet. Niemand kon hem overtuigen om voor zichzelf en zijn eigen heil te kiezen. Het Salvadoraanse volk voelde en ervaarde hem als een broer, als een trouwe herder.

Deze twee voorbeelden houden grote uitdagingen in voor degenen onder ons die beweren volgelingen van Jezus te zijn. Op onze beste momenten zijn we ons ervan bewust dat Hij het is die ons heeft geroepen, dat Hij ons heeft gezocht, en dat Hij ons op weg heeft gestuurd. En we voelen ons daar erg dankbaar voor. De radicaliteit van het leven van Pater Damiaan, van Mgr. Romero (en van zoveel anderen) vraagt ​​ons om onze weg altijd weer te herzien. In hoeverre kiezen we ervoor om met ‘hen’ (zij die arm zijn, uitgesloten,…) te leven? Trappen we toch vroeg of laat niet in de valkuilen van prestige, bekendheid, publieke erkenning, (kerkelijk) gezag, een zeker comfort,..? Of zijn we bereid om onze beste inspanningen, al onze krachten van geloof en leven, te blijven wijden aan degenen die gemarginaliseerd zijn en uitgesloten worden van de samenleving? Durven we te bidden om de genade om met hen in de marge te leven? In elke realiteit waarin we ons geloof mogen beleven, moeten we onszelf deze vragen stellen.

Als we dat niet doen, lopen we het risico dat onze ontmoeting met Christus in de Eucharistie, zonder dat die samengaat met de bevoorrechte ontmoeting met de armen in hun dagelijks leven, leeg wordt, betekenisloos en zonder inhoud. Ook andersom: wanneer we Christus ontmoeten in het ‘melaatse’ leven, in het lijden van de armen, in marginaliteit en uitsluiting,… dan en dan alleen zullen we de volheid van Zijn ontmoeting met ons in de Eucharistie écht beleven. Hij voedt ons met Zichzelf zodat wij Zijn lichaam en bloed zouden kunnen zijn, Zijn leven dat gegeven is aan ‘de armen’.

Vandaag kunnen we zeggen dat de twee heiligen, de Heilige Oscar Arnulfo Romero en de Heilige Pater DamiaanSan, het pad van Jezus voor ons nog meer concretiseren en actualiseren. Ze leren ons wat de radicale toewijding aan ons geloof inhoudt. In elke omstandigheid van het leven moeten we onze ogen en oren openen om prioriteit te geven aan de weg van solidariteit die we met de ‘armen’ moeten gaan. We kunnen niet overal zijn, maar we kunnen wel duidelijke voorkeursopties nemen. De verleidingen van het kiezen voor comfort (in al zijn vormen) zijn erg groot, zelfs binnen de Kerken. We kunnen inderdaad niet de hele wereld veranderen, maar we kunnen wel de wereld veranderen voor sommige mensen (die arm zijn, uitgeslotenen, zieken, mensen in detentie, vluchtelingen en asielzoekers,…) De twee heiligen Romero en Damiaan vertellen ons dat we hoe dan ook een verschil kunnen maken. Maar dat vereist dat we net zoals zij de prioriteiten van het Evangelie op ons nemen. We hoeven niet bang te zijn om hun voorbeeld te volgen.

Tere en Ludo Van de Velde

Overdenking voor zondag 18 augustus 2024. Voor deze reflectie hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering van de Twintigste Zondag door het jaar-B, 19 augustus 1979. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo V, Ciclo B, UCA-editores, San Salvador, p. 229.


Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 22a. Tenhemelopneming van Maria-B – 15 augustus 2024.

Maria, ster van sterke hoop voor het volk dat pelgrimeert op aarde.

“Maria en de Kerk kunnen niet van elkaar gescheiden worden. … Laten wij als Kerk – aangezien we de tweelingzus van Maria zijn – onze blik verheffen naar Maria. … Maria is dienares geworden door de mensen hun eeuwige bestemming aan te geven,… de waardigheid van de mens in ere te herstellen, de rechten van de mens opnieuw te doen oplichten. … Zij slaagt er in om de waardigheid, de vrijheid en de rechten van de mens te verdedigen, omdat zij weet dat de mens niet als een stukje speelgoed mag zijn hier op aarde. … Maria buigt zich over de hoop van de mensen. … Moge de wereld die pelgrimeert met en vanuit die hoop, niet ontmoedigd worden te midden van de vervolging. … En op haar beurt dient de Kerk de mensheid net als Maria dat deed, met het gevoel dat er in iedere man en vrouw een kind van God aanwezig is, een broer en een zus om voor te zorgen. … En dit is wat de Kerk op aarde moet doen: de mensen aanmoedigen om hun plicht te doen en uit de zonde weg te komen, zodat ze zouden weten hoe ze moeten leven naar de ware waardigheid van de kinderen van God.”

15 augustus (1917) is de geboortedatum van Monseigneur Romero. Hij werd dus letterlijk geboren onder het licht van Maria, en zijn bisschopsleuze ‘Meevoelen met de Kerk’ betekent derhalve ook: ‘Meevoelen met Maria’. Het Evangelie heeft voor ons de overtuiging, de hoop en het geloof van Maria bewaard in het lied van het Magnificat**. In bovenstaand citaat uit de preek van Mgr. Romero op het feest van haar Tenhemelopneming worden we getroffen door de zin “…** Maria weet dat de mens niet als een stukje speelgoed mag zijn hier op aarde.” Geen man, geen vrouw, geen kind, geen volwassene, geen oudere mens - niemand mag het ‘speeltuig’ zijn in de handen van iemand anders.

De mensheid heeft universeel een trieste geschiedenis gekend van de meest wrede slavernij. We herinneren er bijvoorbeeld aan hoe de kolonisatoren handelden met de oorspronkelijke bevolking op het Latijns-Amerikaans continent. Een paar jaar geleden kwam de genocide aan het licht die gepleegd is op inheemse volkeren in Canada. Maar zelfs vandaag de dag zijn er mensen die, van zodra ze enige vorm van politieke en/of economische macht hebben, nog altijd van mening zijn dat andere mensen instrumenten (lees: speelgoed) kunnen en moeten zijn in hun handen. We zien het in de manier waarop hongersalarissen en -pensioenen worden betaald, we stellen het vast in de manier waarop het personeel in de huishoudelijke dienst wordt behandeld, in de voortdurende vernedering van arbeiders in de fabrieken, in de verplichte aanwezigheid bij partij-/regeringsdemonstraties,… We zien het in de onverschilligheid en het cynisme waarmee wordt opgetreden tegenover mensen die vluchten en migreren uit hun land vanwege doodsbedreigingen, of omdat ze elders een betere toekomst willen zoeken. We zien het in de mensenhandel, in de onderwereld van de drugs, in oorlogen en conflicten wereldwijd,…

Binnen de religieuze mariale traditie in ons continent wordt doorgaans zeer weinig belang gehecht aan de diepgang en de ernst van het Magnificat. Dat is immers geen gebed om te bidden, en het is ook niet in de eerste plaats een lied om te zingen. Het is veeleer een kompas dat onze levenswandel en onze inzet richting geeft. Dit lied is de uitdrukking van Maria’s houding als gelovige jonge vrouw. De evangelist Lukas geeft het ons mee als een bron van hoop voor de hele mensheid, en het herinnert er ons aan dat we allemaal onze plicht moeten vervullen om als kinderen van God te leven, dat wil zeggen als broeders en zusters van elkaar. Dit vereist het uitroeien van het onrecht en van de overheersing van sommigen over anderen. Dit vereist al evenzeer dat we ons bewust worden van de plaats waar we staan ​​en dat we geroepen zijn om bouwers van het Koninkrijk van God te zijn. Het lied van Maria is een profetische aanklacht tegen de heersers met rijkdom en macht die zoveel mensen en hele steden en regio’s uitmoorden of mensen op zijn minst het leven onmogelijk maken. Aartsbisschop Romero had het in zijn preken herhaaldelijk over de afgoderij van macht en rijkdom. Hij riep op tot ‘het afleggen van de ringen’ en nodigde de armen uit om hun historische verantwoordelijkheid op zich te nemen door geen vernedering te aanvaarden, en georganiseerd te strijden voor gerechtigheid, waarheid, broederschap, solidariteit, vrijheid, barmhartigheid,… In bepaalde historische perioden (en eigenlijk altijd) moeten mensen zich herinneren hoe Maria haar geloof uitdrukte in God Die de troon van de machtigen omverwerpt.

Mgr. Romero zegt dat de Kerk de tweelingzus is van Maria, de moeder van Jezus. Net als Maria blijft de Kerk ons ​​dus zeggen: ‘Doe maar wat Hij u zeggen zal’. Het volgen van Jezus is niet in de eerste plaats een kwestie van religie, noch van een aantal rituelen en tradities, maar wel van profetische en volgehouden creatieve acties om onze wereld te transformeren. Toen ik sprak met een priester die zijn hele leven zijn huis heeft gedeeld met asielzoekers zonder papieren, vertelde hij mij: we kunnen de hele wereld niet veranderen, maar we kunnen wel voor sommige mensen hun wereld veranderen en die een beetje leefbaar maken. We kunnen ons zo gedragen tegenover andere mensen (die armer zijn dan wij, meer uitgesloten, meer gekwetst, meer vernederd,…) dat hun leven een horizon van geluk en hoop krijgt. Het kunnen concrete tekenen en kleine stapjes zijn die uiteindelijk het pad voorwaarts minder steil en meer begaanbaar maken. Jezus’ zorg ging niet uit naar de Kerk of de synagoge, maar wel naar de honger en de gezondheid van Zijn volk. In het nachtelijk gebed en in de ontmoeting ‘van aangezicht tot aangezicht’ met hongerigen, dorstigen, melaatsen, blinden, doven, zieken allerhande,… vond Jezus de kracht van zijn Vader, om leven te geven, en om nieuw leven voor anderen te zijn. Hetzelfde geldt voor ons: luisteren naar het lijden van anderen (als gevolg van vernedering en onderdrukking, uitbuiting, geweld, enz.) zal onze bron zijn om de Stem van God te kunnen horen. Maria, de tweelingzus van de Kerk, blijft ons zeggen: ‘Doe maar wat Hij u zeggen zal’. We hoeven niet bang te zijn. Want “… Maria is de ster van sterke hoop voor het volk dat pelgrimeert op aarde.”

Tere en Ludo Van de Velde

Deze reflectie was oorspronkelijk geschreven voor zondag 15 augustus 2021, en werd nu herzien voor het Feest van de Tenhemelopneming van Maria-B, op donderdag 15 augustus 2024. De katholieke Kerk vierde op zondag 15 augustus 2021 niet de liturgie van de Twintigste zondag door het jaar-B, maar wel die van het Feest van de Tenhemelopneming van Maria. Voor deze overdenking hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering op het Hoogfeest van de Hemelvaart van de Maagd Maria, op 15 augustus 1977. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo I, Ciclo C, UCA editores, San Salvador, p. 264-265.

Zoeken in Preken Online