Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt...

B-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen

20e zondag doorheen het jaar Cyclus B 2012 Spreuken 9, 1-6

Joh. 6, 51-58

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt…

Het optreden van Jezus in de synagoge van Kapharnaum ligt nu bijna tweeduizend jaren achter ons, maar die reactie van de toehoorders van toen: “wat die Jezus zegt is toch onmogelijk! Wie kan naar zoiets luisteren“?, die reactie kunnen we ook vandaag nog goed begrijpen Talloze gelovigen en duizenden verstandige mensen hebben sindsdien geprobeerd om die woorden van Jezus: „Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt…“ beter te begrijpen en correct te interpreteren.

En toch hangt rond die uitdrukking nog altijd een zweem van kannibalisme en meestal proberen we dan ook om ze te vermijden. Maar vandaag hebben we echt geen keuze.
Een thema dat door Jezus zo sterk wordt benadrukt, moeten we ernstig nemen.
Alleen al in de Evangelietekst van vandaag komt het woord vlees zes keer voor, en in de ganse rede van Jezus in totaal 15 keer. Dat woord werd door Jezus zeker niet toevallig gebruikt. In tegendeel! Jezus herhaalt het met opzet telkens weer.

Bij deze en bij gelijkaardige vragen horen we gelovige christenen dikwijls zeggen: Voor mij volstaat het dat Jezus het zo gezegd heeft. Ik geloof, ook als ik niet begrijp wat Hij ermee heeft bedoeld.

Een bekende theoloog zegde daarover: Wie er niets van begrijpt, die gelooft ook niet! Om te kunnen geloven zouden we toch minstens een idee moeten hebben waar het over gaat.

Om beter te kunnen geloven zou ik dan ook beter willen begrijpen wat Jezus hier bedoelt.
We kunnen dat woord vlees dan ook niet ontwijken. In de Bijbel vinden we het honderden keren terug. Meestal gaat het daarbij om ons eigen armzalig menselijk lichaam, om de onvolmaakte, door de dood getekende mens. Als we die betekenis aan de woorden van Jezus toekennen dan betekent het dat God ons juist in deze mens, die even zwak is als alle mensen, die vlees is van ons vlees, wil ontmoeten. God heeft in deze mens, die geboren is uit de maagd Maria en die geleden heeft, gekruisigd en begraven werd, de wereld aangeraakt. In deze mens, die we zelf kunnen aanraken, wordt de onvatbare God vatbaar. Je kan Hem aanraken, voelen, met de handen grijpen.

Een toespraak kan men ook beter begrijpen als men weet tot wie ze is gericht. Zo is dat ook bij de woorden van Jezus. Op het eerste gezicht is ze gericht tot diegenen die gezegd hadden: „Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven? Geen wonder! Ze hadden nog de smaak van brood en vis in de mond en dachten misschien dat er de volgende keer ter afwisseling misschien wel brood met vlees zou worden uitgedeeld.

Maar toch niet vlees waarvan Hij zelf zegt: Wie mijn vlees eet… Wat moet dat toch?

Sommige exegeten vermoeden dat deze toespraak van Jezus vooral ook gericht was tegen de groep van de Gnostici. Zij zagen het lichaam en zijn vleselijke geneugten als iets wat absoluut moet worden overwonnen; ze droomden van een zuiver geestelijk geloof. Alles wat vleselijk is, was voor hen onrein. Als we die groep van de Gnostici in beschouwing nemen, kunnen we beter begrijpen waarom Jezus het woord Vlees zo dikwijls in de mond neemt.
Het is, als wilde Hij zeggen: Kijkt, ik ben geen virtueel programma van God, geen simulatie van de Almachtige. Ik ben niet alleen maar een idee van een hoger wezen. Neen! Ik ben een mens uit vlees en bloed zoals jullie. Kijkt naar de wonden die de nagels in mijn vlees hebben gescheurd.

Maar de tekst van het evangelie is geen louter historische herinnering. Die woorden van Jezus zijn ook in onze tijd ook nog zeer actueel. Vandaag zijn er ook nog mensen, die het weliswaar niet direct onrein, maar toch wel ongepast vinden als ze hun handen moeten vuil maken. Hele groepen die zich liever niet inlaten met mensen aan de rand van de maatschappij of met zogenaamde minderwaardige arbeid. Jezus daarentegen had bijzondere aandacht voor de armen en de uitgestotenen en heeft zich nooit geschaamd om zijn handen vuil te maken.
Iets van die menselijke schroom voor het lichamelijke en het vleselijke voelen we ook aan wanneer we over God spreken. Het is gemakkelijk om te spreken van een opperwezen. Maar van het ogenblik dat het concreter wordt, wanneer uit al die abstracte woorden plots de zin naar voren komt: „En het woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond”, dan zijn er velen die daar van terugschrikken. En soms hoor ik dan achter hun woorden weer de oude uitspraak: Dat is onverdraaglijk. Wie kan zoiets nu nog geloven. Maar dat is nu juist de essentie van wat wij geloven. Dat is het centrale geheim: het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.

Jezus, God, wilde zijn aanwezigheid onder de mensen niet beperken tot 33 jaren, maar Hij wilde onder ons aanwezig blijven voor altijd. Daarom heeft Hij dat sacrament ingesteld waarin Hij zichzelf als voedsel aan ons geeft. Met lichaam en ziel, met vlees en bloed wil Hij in de Eucharistie bij ons zijn. Tot aan het einde der tijden!
En om dat duidelijk te maken heeft Hij in zijn toespraak het woord brood even dikwijls gebruikt als het woord vlees. Hij heeft het brood vereenzelvigd met zijn vlees. Telkens wij dan ook van dit brood eten geldt wat Hij zelf heeft gezegd: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem.. Amen.

Zoeken in Preken Online