Tweede zondag door het jaar (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 2e zondag · groen

Omnis terra adoret te, Deus …’ ‘Heel de aarde, Heer, moet U prijzen en aanbidden. Uw naam moet zij bezingen, Allerhoogste.’ Waar wij in het klein mee bezig zijn, dat zou eigenlijk heel de aarde moeten doen, alle mensen, heel de wereld: God prijzen en aanbidden.
Vandaag, op zondag, de dag des Heren, zou de aandacht van alle mensen naar de Heer moeten uitgaan en het steekt ons dat wij daar zo alleen in staan, dat heel de wereld niet meedoet. Het steekt ons dat wij een armzalige rest vormen van onze eertijds volle kerken. Toch mag dat onze inzet niet kleiner maken, maar juist groter. Wat eigenlijk heel de aarde zou moeten doen, laten wij dat met ons kleine groepje doen, maar dan wel helemaal. Laten wij ons voor de volle honderd procent inzetten in de dienst en lof van de Allerhoogste, die Zich van zijn kant over ons heeft neergebogen, ons heeft gered en in het heilig doopsel ons tot zijn kinderen aangenomen. Voor Hem waren we niet te klein, te gering. Hij begon met een klein volk, met het allerkleinste volkje, misschien wel met net zo’n klein groepje als wij nu zijn. Daar is Hij mee begonnen, zodat wij zouden weten dat de allerkleinsten onder ons zich door Hem mogen weten aangenomen.
Laat ons dat vieren in de viering van het heilig doopsel**

Homilie

“Johannes richtte het oog op Jezus, die voorbijging en sprak: Zie het Lam Gods. Het Lam Gods, de Leider die leerlingen roept, de Gezalfde, de Messias.“We hebben de Messias, - dat vertaald betekent: de Gezalfde - gevonden.” … “Jezus zag Simon aan en zei: Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas genoemd worden, dat betekent: Rots." De Meester is een lam, de leerling is een rots. Het is de omgekeerde wereld. Wij zouden eerder het omgekeerde verwachten, dat de Meester de rots is en de leerling het lam; de Meester zo sterk als een rots, onverzettelijk, en de leerling volgzaam als een lam. Zo zouden wij, mensen, dat doen. Als mensen het over andere mensen te zeggen willen hebben, maken zij zich groot en verheffen zij zich boven de gewone mensen, boven de massa, zodat die tegen hen opkijken. De leider moet kunnen wat het gewone volk niet kan. Zo kunnen ze op hem steunen, vertrouwen in hem stellen en op hem stemmen.

Jezus echter is niet gekomen opdat mensen hun vertrouwen in menselijke krachten zouden gaan stellen, maar op God; Hij is gekomen opdat de mensen in God zouden gaan geloven. Daarom is zijn verschijning zo gewoon, zo eenvoudig, zo menselijk, niets bijzonders, in ieder geval niets vreeswekkends, niet imponerend, of misschien wél imponerend, maar dan imponerend, vanwege zijn zachtmoedigheid: “Zie het Lam Gods.”

Jezus wordt ons door de Kerk getoond, zoals Hij door Johannes wordt aangewezen: als een Lam. Dat wil zeggen: als Iemand die niet beschikt over de gebruikelijke mogelijkheden het kwaad af te weren, het kwaad dat anderen Hem aandeden. Net zo min als een kind van drie jaar dat ook niet kan. Het is weerloos, kwetsbaar! Jezus wilde slechts het wapen gebruiken van de liefde. Vanuit een innerlijke vrijheid zag Hij af van het gebruik van enig ander wapen. Hij wilde volledig solidair zijn met de mensen, saamhorig, broederlijk, geen pantsers, geen afstand, geen gesloten deuren, geen scherpe woorden, geen ondoordringbaar uiterlijk, geen enkele manier om Zich veilig te stellen. Hij sloot de deur niet voor mensen die zich pantserden tegenover Hem, en ook niet voor mensen die Hem kwaad wilden doen, zijn vijanden, zijn beulen. Daardoor, door Zich zo op te stellen, was Hij open voor de liefde van de mensen. Omdat Hij hun geen kwaad zou kunnen doen, daartoe gewoon geen mogelijkheden bezat, daarom waren de mensen niet bang voor Hem en waren al gauw geneigd Hem lief te hebben, zoals men dat met een klein kind ook heeft.

Maar zo was Hij weerloos voor het kwaad. Hij liet het kwaad ongehinderd aan Zich geschieden, zonder bescherming, zonder verdoving. Als mensen iets onaangenaams van een ander te verduren hebben, dan weren ze dat instinctief af, ze beschermen zich, sluiten zich, en zorgen als het weer gebeurt, dat het dan geen pijn doet. Ze maken zich gevoelloos. Ze pantseren zich. Jezus deed dat niet! Hij bleef open, zodat het kwaad en de pijn er in gingen. Hij liet het doordringen tot in zijn Hart, om het zo te genezen, tot bekering te brengen en het op te vangen door wat er van nog dieper uit zijn Hart naar boven kwam: barmhartige liefde, medelijden. Daarom is de meest gebruikte gebedsformule in de liturgie: ‘Heer, ontferm U over ons.’ ‘Kyrie, eleison.’ Ook in het Gloria: ‘Lam Gods, ontferm U over ons.’ Daar bent U sterk in, dat hebt U te geven, dat is wat wij van U verwachten.

God zorgt! Dat is wat Jezus in heel zijn gestalte oproept: God zorgt, God komt voor Mij op. De mensen kunnen Mij laten vallen, kunnen daarin tot het uiterste gaan, maar uiteindelijk zal de Vader voor Mij opkomen. Ik hoef dat niet zelf te doen; Ik hoef Mijzelf niet te redden; Ik heb geen eigen sterkte nodig; God is mijn sterkte, God is mijn rots.
Eigenlijk is het zó gewoon. We zien dat ook bij dat kind, Samuël, over wie we gehoord hebben in de eerste lezing. Samuël was nog maar jong en hij was al naar bed toen de anderen nog op waren. Er was nog licht, want “de lamp van God was nog niet gedoofd”; die moesten de ouderen uitblazen als ze naar bed gingen. Samuël had zich dus al te ruste gelegd, zo jong was hij nog, maar niet te jong om de stem van God te horen. “Toen riep de Heer: Samuël.” In zijn slaap hoorde hij een stem, maar die klonk zo gewoon, zo dichtbij, zo vertrouwd, als was het de stem van zijn vader of moeder. Zo warm menselijk komt God ons nabij. En waartoe roept Hij ons? Niet om iets te doen, maar allereerst om iemand te zíjn, zoals ook Samuël, geroepen door de stem van de Heer, iemand was. God liet geen van zijn beloften onvervuld, geen van zijn woorden bleef zonder kracht. Samuël zal nog helemaal Samuël moeten worden, en dan mag hij natuurlijk ook nog iets doen. Hij zal een profeet worden, hij zal rechter worden.\

Ook de situatie van die twee leerlingen, zoals die in het evangelie geschetst wordt, is zo gewoon. “Ze hoorden hun meester Johannes zeggen: Zie het Lam van God, en ze gingen Jezus achterna.” … “Jezus keerde Zich om en vroeg hun: Wat verlangt ge?” … “Zij zeiden tot Hem: Waar houdt Gij U op? Hij zei hun: Gaat mee om het te zien.” … “Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij Zich ophield. Die dag bleven ze bij Hem.” Wat er verder gezegd is, wat ze die dag gedaan hebben, dat staat er niet. Maar er staat wel: “Ze bleven die dag bij Hem.” Dat is toch wat God doet bij de mensen: bij hen zijn. Jahweh betekent toch: Ik ben er voor u. Ik ben bij u. Ik ben de altijd aanwezige. Daarop is het vanzelfsprekende antwoord van de mensen, dat zij van hun kant ook bij Hem zijn. *“Die dag bleven ze bij Hem.”*

Het is zo gewoon, zo dichtbij, zozeer opgenomen in ons leven, dat het voor ons de opdracht inhoudt om dat niet alleen maar een dag te laten gebeuren, of alleen maar tijdens de viering, maar om Hem in héél je leven de hoogste te laten zijn, de eerst Aanwezige, en dat niet alleen in vreugde, maar ook in verdriet. Dat heel ons leven samen geweven wordt met zijn leven, met zijn lijden, sterven en verrijzenis.

Zoeken in Preken Online