2e zondag door het jaar (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 2e zondag · groen

Is religie nog wel iets van deze tijd? Immers, God wordt door een meerderheid van de mensen tegenwoordig toch vooral ervaren als de grote onbekende, zo niet de grote afwezige. En blinde aansluiting bij een geestelijke stroming, of sterker nog, bij een idool, een geestelijk leidsman: dat roept toch vooral een sceptisch hoofdschudden op: mens, wees realistisch, wees rationeel, je moet niet willen zien of horen wat niet bestaat, je moet je niet storten in het radicalisme van een alles verslindende ideologie. Ruim baan dus voor het gezond verstand.

Zijn wij, zondagse kerkgangers, dan dwazen, dat wij hier bij elkaar komen om te luisteren naar de oude verhalen uit de bijbel, zoals die bijvoorbeeld vandaag zijn gelezen? Het ene verhaal over Samuel, die meent God gehoord te hebben. Alsof ons dat ook kan overkomen?

Het andere verhaal over mensen die zich bijna blindelings aansluiten bij die figuur Jezus, die uit het niets opgedoken is in hun eenvoudige leven. Zouden wij dat ook zomaar doen?

Evelien en ik hebben beide onze gedachten hierover laten gaan, en willen daarvan verslag doen, elk beginnend bij één van beide verhalen.


Samuël is in dienst van de priester Eli. Eli is een oude man geworden die het woord van de Heer niet meer kon verstaan en de visioenen niet meer kon zien. Zijn ogen begonnen zwak te worden staat er in de tekst. In vers 3 staat bovendien ‘de lamp van God was nog niet gedoofd’. Dat betekent niet dat iemand die lamp nog uit moest doen omdat Eli daar ligt te slapen. Juist niet: de lamp in de tempel is het eeuwig licht. Het symboliseert God. Maar het staat in de tempel van Eli wel op een laag pitje. Net als het licht bij Eli; hij heeft staar gekregen. De ziener kan niet meer zien.

Samuël slaapt op een andere plek in het tabernakel, daar waar de ark van God was. De ark is de kisttroon van God, daar waar God troont. Samuël ligt vóór de ark, die je achter een gordijn moet denken dat het heiligdom in tweeën deelt. Hij ligt als het ware zo dicht mogelijk tegen God aan. God roept hem: Samuël, Samuël. (Bij een roeping wordt vaker een herhaling van de naam genoemd. Net als in het verhaal van Mozes en het brandende braambos in Exodus 3:4. )

Samuël rent naar Eli en denkt dat hij geroepen heeft. Maar Eli slaapt, zoals gewoonlijk. Hij komt niet op het idee dat God geroepen kan hebben. Want God in dat tempeltje in Silo……

die verwacht hij niet. ‘Ga slapen’ zegt Eli. En dat gebeuren herhaalt zich nog een keer.

Samuël ‘kende’ de Heer niet, lezen we in vers 7. Hij had geen ervaring met visioenen en godswoorden. Dat ‘kennen van’ duidt hier dus op een visionaire omgang met God. Samuël kent God nog niet, Eli kent God niet meer. Dat is de situatie als God voor de derde keer Samuël roept, en dan wordt Eli wakker. Het kon God wel eens zijn! Hij wijst zijn jonge knecht de weg: als God je weer roept moet je zeggen: Spreek Heer, uw dienaar luistert.

( Naar P. van Midden, Van ver halen, Een verhaal achter de bijbelverhalen.)

Zelfs iemand die met zijn rug in de directe nabijheid van God slaapt, verstond God niet toen Hij hem riep. Hij had geen ervaring met de visioenen en godswoorden, staat er in vers 7. In die tempel in Silo, daar waar God aanwezig is ( getuige het godslampje) , zelfs daar wordt God niet direct gekend. God moet drie keer roepen, voordat Eli wakker wordt. Eli, nog niet eens Samuël! Het is Eli die aangeeft dat het misschien wel God kan zijn die roept en raad Samuël aan te antwoorden op die roep. En pas dan, ná die aansporing van Eli ervaart Samuël het Godswoord. God kennen en verstaan gaat blijkbaar niet zo maar! Zelfs mensen die denken gericht te zijn op God ervaren de roep van God pas na aansporing en herhaling.

Kunnen ook wij God op die manier kennen? Kunnen wij God ook nu nog kennen door een visionaire vorm? Dat God tot ons spreekt, ons bij naam roept in een droom, als we verkeren in trance of door een toestand van extase. Laten we even zeggen dat dit zo is, en dat we aangesproken worden in, bijvoorbeeld, een droom. Nemen we dat serieus? Durven we dat? Durven we openlijk voor onszelf en voor de omgeving te zeggen dat wij zijn aangesproken door God in een droom? Hoe kunnen wij, moderne mensen van deze tijd, opgevoed als we zijn met de ratio en de wetenschappelijk verifieerbare waarheden. Hoe kunnen wij dan ingaan op een droom? Antwoorden op een zeer irrationele ervaring en op grond daarvan alles achterlaten en de droom of het visioen navolgen. Als het omgaan met God in onze tijd nog steeds een visionair gebeuren is, wordt het misschien door rationaliteit, kortzichtigheid, angst en onbekendheid bemoeilijkt. Want Gods roep is niet rationeel. Het is visionair, mysterieus, net als het wezen van God zelf. En wij van onze kant hebben misschien, net als Samuël, iemand nodig om te horen dat het inderdaad God kan zijn die ons roept.

Stel je voor dat er wel zoiets kan bestaan als een verifieerbare Gods oproep. In dat geval is het horen van die roep niet moeilijk meer. Maar is het verstaan wel zo makkelijk? Blijft het antwoorden op de roep van God niet een hachelijke zaak, tenminste ……vanuit het perspectief van de mens. En zouden we het, ook al verstaan we Gods roep, wel willen kennen en volgen? En toch…….toch zijn er mensen die juist dát proberen te doen. Die ondanks het moeilijke verstaan en ondanks de onduidelijkheid gehoor durven geven aan die mysterieuze oproep van de A(a)nder. Zoals in het verhaal van de leerlingen van Johannes de Doper.


Johannes de Doper heeft in Jezus de Messias herkend, en hij wijst de mensen op Hem: kijk, daar gaat Hij, die mens moet je volgen, die man is brenger van de vrede en bevrijding die van God komen. Leerlingen van Johannes zoeken contact met Jezus en raken kennelijk in de ban van Hem. Ze blijven bij Hem en brengen broers en vrienden ook met Hem in contact. En Jezus: Hij roept niet, Hij dwingt niet, maar Hij weet de mensen die bij Hem komen te raken met een persoonlijk woord, alsof Hij hen al jaren kent. Een wonderlijke wederzijdse herkenning. De leerlingen die uitspreken: U bent de gezalfde, de Messias waar we op gewacht hebben. En Jezus, die de mannen bij naam en toenaam noemt: Simon, jij bent als een steenrots, en jij, Natanael, jij bent waarlijk een eerlijk en oprecht mens.

Waar kwam die wederzijdse herkenning vandaan? Het was de kunst van het vinden: de mannen waren leerlingen van Johannes de Doper, zoekende mensen dus, die open stonden voor de profetische roep: maak ruimte voor de Messias die komen gaat, keer je leven om. En Jezus: Hij heeft die mannen al meerdere keren bij elkaar zien zitten, in de schaduw van de vijgenboom. Hij heeft hun gedachtenwisselingen gehoord, hun geloof, hun hoop en liefde herkend. Hij heeft gevonden wie hij nodig heeft.

Wij zijn hier bijeengekomen onder dit oude dak, vergelijkbaar met de schaduwrijke beschuttende vijgenboom. Ook wij zijn zoekende mensen, met flarden van geloof, hoop en liefde, die open willen staan voor het profetische visioen. Zoals die nieuwe leerlingen van Jezus: zo herkend te worden, door een mens die Gods vrede en bevrijding uitdraagt, dat is wat we zoeken. We zongen: “delf mijn gezicht op, maak mij mooi”. Een lied dat uitdrukking geeft aan ieders diepste verlangen om ontmaskerd en herkend te worden als individu, in onze mooiste eigenheid, zoals Simon, die steenrots werd genoemd, zoals Natanael, die geroemd werd om zijn eerlijkheid. Dat verlangen richten we in het leven van alledag op de mensen om ons heen: we hebben allemaal behoefte aan erkenning, waardering, mensen die je aanspreken, je nemen zoals je bent, en daar het goede in weten te herkennen. En soms hebben we de anderen gewoon nodig als een hulp om staande te blijven in het leven.

Dat diepste verlangen kunnen we ook richten op God: wat een levenskracht is er te putten uit het geloof, dat God ons kent, ons ziet, en ons wil laten zijn een stukje van zijn koninkrijk, de één een steenrots, een ander oprecht en eerlijk, en weer anderen liefdevol, barmhartig, of wijs. Ieder zichzelf mooi genoeg. Zo’n God, die ons ware gezicht opdelft, die zal ons helpen om staande te blijven in het leven.

Stel je voor: God, die ons vindt, herkent, ontmaskert, en inschakelt in de bedoeling van deze wereld: Zijn koninkrijk. Wat een hoog gegrepen ideeën houden we er als gelovige gemeenschap op na. Is dat niet wat al te speculatief? Wat weten we nu eigenlijk van God.

Wat wij zouden willen: God die een mens, ons mensen, bij name roept en aanspreekt.

In de oude verhalen van het volk Israël, dat volk dat de hand van God herkende in heel zijn geschiedenis, in die verhalen is het mogelijk. Daar gebeurt het alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: God roept als een mens, met de stem van een mens. Samuel bemerkt niet eens het verschil tussen de bekende roep van zijn meester Eli, en de roepende stem van God. Misschien is het voor ons toch ook zo: God roept met de stem van een mens. Mensen roepen elkaar toe : zie mij, hoor mij, wees met mij. En God roept vanuit zijn verborgenheid ons toe: zie mij, hoor mij, wees met mij. Twee stemmen? Eenstemmig klinken zij. Als één stem. Is God niet te horen, niet te onderscheiden in deze wereld? Horen wij dan niet overal mensen roepen?


Misschien is het wel dwaas, om open te willen staan om Gods stem te horen. Misschien is het wel irrationeel om mee te willen gaan in die door Jezus gewezen richting van leven.

Daarover te spreken, en daar naar te handelen, dat kan misschien wel in hoge mate wereldvreemd genoemd worden.

Toch doet het ons goed, om de verhalen te lezen waarin het gebeurt: God die spreekt als een mens tot een mens, en mensen die het Goddelijke herkennen in een medemens.

Als we spreken over God, dan bedoelen we God die leeft onder ons, midden in de wereld, we kunnen hem zien, we kunnen hem horen. Leven met God kan dan toch niet wereldvreemd genoemd worden?

Zoeken in Preken Online