Homilie op de 2e zondag door het jaar B: “Geroepen worden, hoe gaat dat?” (1 Sam. 3, 3b-10.19 en Joh. 1, 35-42
Zusters Passionistinnen, Tielt, 15 januari 2012
Een jongetje van 8 jaar vroeg eens aan zijn moeder: “Mama, waar heb je papa leren kennen?” Waarop de moeder antwoordde: “Op de autokoers in Francorchamps.” Daarop zei de jongen heel spontaan: “Het schijnt dat er daar al veel ongelukken gebeurd zijn!” De reactie van het ventje was niet lief, maar je hoeft er niets kwaads in te zoeken. Zijn vraag was wel raak, namelijk: “Waar hebben jullie elkaar leren kennen?”
Waarschijnlijk weten alle getrouwde mensen hier in de kerk nog precies waar ze hun man of vrouw hebben leren kennen, wanneer ze smoorverliefd geraakt zijn op elkaar. Dat blijft voor hen zo belangrijk dat ze het nooit meer vergeten.
Als er tussen twee jonge mensen een verliefdheid ontluikt, zoeken ze een moment en een plaats om elkaar te ontmoeten. Ze maken een afspraak: op een fuif, in een café op de Markt in Tielt of op een plekje aan het strand.
Roeping, engagement, begint altijd bij een ontmoeting.
Zo gebeurde het ook bij de roeping van de eerste leerlingen van Jezus in het evangelieverhaal dat we zopas beluisterd hebben.
“Kom en zie” antwoordde Jezus toen de twee leerlingen die Hem achterna gingen vroegen: “Waar houdt Gij U op?” Geen theorie. Enkel eens komen kijken waar en hoe Hij leeft. Dat zegt de abt ook aan wie monnik wil worden in een abdij: “Kom eens enkele weken bij ons verblijven en zien hoe wij leven.”
Je wordt geen priester door een uiteenzetting over het priesterschap. Wel als je getroffen wordt bij het zien van hoe priesters leven en werken. Je wordt geen
monnik door de studie van het abdijleven. Wel als je geraakt wordt door de manier waarop monniken het evangelie beleven, waarop ze bidden en hoe ze samenleven. Je wordt geen christen door het lezen van een religieus boek of een knap sermoen. Wel door te kijken naar mensen die proberen als christen te leven.
Kom eens kijken. Kun je als christelijk gezin zeggen: wil je weten wat christen zijn is, kom eens kijken hoe wij thuis leven? Kunnen wij als kerkgemeenschap aan buitenstaanders, aan jonge mensen, aan volwassenen ook zeggen: wil je weten wat christen zijn is, kom eens kijken bij ons? Dat zou kunnen tegenvallen. Want er is soms zoveel verwarring en wantrouwen, zoveel bekrompenheid en betweterij in onze kerken. Dat kan mensen niet aantrekken, niet bezielen, niet het verlangen voeden om zelf ook bij die club aan te sluiten. Pas als er een diep gevoel is van eenheid, verdraagzaamheid, ruimdenkendheid en onberekende en onbaatzuchtige dienstvaardigheid, kun je zeggen: Kom maar eens kijken bij ons en onze manier van denken en leven zal je charmeren. Je zal zien wat de beleving van Jezus’ blijde boodschap kan betekenen in het leven van een mens, welke vreugde en warme gloed ervan kunnen uitgaan in onze koele en harde maatschappij.
Opvallend in het evangelieverhaal is ook dat die twee leerlingen, als ze een hele dag bij Jezus gebleven waren, hun broer en vrienden erbij haalden. We kunnen onszelf wel wijsmaken dat we echt gelovig zijn. Maar het echte bewijs dat we onszelf niets wijsmaken is: dat we onze geestdrift aan anderen meedelen. De fameuze Gandhi reisde door Europa, maar zei achteraf diep ontgoocheld: Ik heb wel veel christendom gezien, talloze kerken, religieuze gebouwen, kunst, dag- en weekbladen, affiches vol christendom. Maar ik ontmoette zo weinig christenen die zo vol waren van hun geloof dat ze erover niet konden zwijgen. Ik heb gehoord over de kracht van Jezus’ verrijzenis, maar ik zag zo weinig christenen rondlopen met een verrijzenisgezicht, ik hoorde zo weinig opbeurende verrijzeniswoorden, ik zag zo weinig liefdevolle verrijzenisdaden.
Treffend in het evangelieverhaal is ook dat Johannes de Doper niet aan zijn leerlingen zei: “Blijf toch bij mij of deed ik het misschien niet goed? Waarom moet je naar Jezus overlopen?” Neen, hij stuurt ze juist naar Jezus toe, naar het nieuwe, het nog ongekende andere. De oudere, die plaats maakt voor de jongere! Prachtig! De voorloper die weet dat alles voorlopig is, een aanloop naar iets nieuws, iets anders. Een man die niet altijd opnieuw over de schouder kijkt naar vroeger, maar vooruit kijkt, naar de toekomst. Grote wijsheid!
Dat nieuwe blijkt ook uit de naamsverandering van Simon Petrus. Hij wordt voortaan Kefas genoemd., d.w.z. rotsgrond. Als je je geroepen voelt, weet je nog niet veel, tenzij dit: alles zal veranderen. Je gaat het vertrouwde verlaten, het onbekende tegemoet, je gaat je niet langer opsluiten in je klein leventje.
En dan krijg je een andere naam, een naam die veel meer betekent. Ofwel verlies je je naam en je titel met mijnheer of mevrouw ervoor en krijg je van iemand je voornaam. Je wordt dit… of dat… of gewoon vader… moeder… of Jan…of Mieke…
Dan word je een stukje rotsgrond waarop een aanstekelijk gelovig leven kan gebouwd worden.
Dat de anderen dan maar komen kijken. Ze zullen versteld staan.
Kom en zie!
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt