Beste vrienden,
Op het eerste zicht is het evangelie van vandaag toch wel een beetje frustrerend. De apostel Andreas gaat gewoon naar zijn broer en zegt: „We hebben de Messias gevonden!“ – en op slag gelooft Simon. Als ik dan bedenk hoeveel moeite het vandaag kost om ook maar één enkel mens tot geloof te brengen of hem er voor te begeesteren, dan zoudt ge bij het lezen van een dergelijke tekst toch wel gefrustreerd raken. Want als Johannes dat zo schrijft, dan klinkt dat alsof hij me wil zeggen: Kijk, zo eenvoudig is dat! En dan is het niet eens Jezus zelf, die hier iemand roept om Hem te volgen. Dat zou ik nog kunnen begrijpen. Tenslotte wordt toch in alle evangelies aangetoond, dat Jezus een ongelooflijk grote uitstraling had; Hij kon mensen fascineren en begeesteren; Hij moest iemand alleen maar bekijken en die liet dan alles in de steek om Hem te volgen. Maar Andreas? Dat is toch ook maar een gewone mens; zo iemand als ieder van ons hier. Eén enkele dag heeft hij met Jezus doorgebracht. Hij weet zo goed als niets van Hem en heeft er zeker ook nog niet diep over nagedacht. Je kan er ook van op aan dat hij de Cathechese en de verkondiging van Jezus ook niet aan een “Crashtest” heeft onderworpen. En toch zegt hij eenvoudigweg: “We hebben de Messias gevonden!” En Simon, die gaat met hem mee en gelooft!
Als ik dat lees mag ik me toch terecht de vraag stellen: „Wat heeft Andreas wat ik niet heb? Waarom lukte het bij hem toen zo gemakkelijk en lukt het nu niet? Waarom laat Simon zich zo vlug begeesteren en hoe komt het dat Andreas zo overtuigend overkomt? Jullie zullen wel begrijpen dat dergelijke vragen me bezighouden. Het gaat hier tenslotte niet om een bijkomstigheid, maar om de vraag: „hoe breng ik mensen tot Christus, hoe overtuig ik hen van het geloof? En dan wijst Andreas mij op iets wat ik, en met mij misschien ook nog vele anderen in de Kerk, wel degelijk over het hoofd zien.
Al onze overwegingen met het oog op technieken en methodes van geloofsoverdracht, alle concepten en geleerde overwegingen die voor dat doel door knappe koppen worden ontwikkeld, kunt ge zonder meer vergeten als dat ene ontbreekt wat uit die korte zin van Andreas zo duidelijk spreekt: zijn eigen, voelbare en onwankelbare overtuiging. Zij is de kracht die Simon over de streep trekt, die het hem praktisch onmogelijk maakt om iets anders te doen dan aan die Messias op zijn minst de nodige aandacht te besteden.
En wat – in Gods naam – stralen wij uit? Welke indruk hebben buitenstaanders van ons Christenen en van onze ambtsdragers? Ik moet daar echt niet lang over nadenken. Ik wil zeggen, wat wij uitstralen is vooral een vreselijke en bijna alomvattende ontevredenheid. Veel geestelijken, zowel priesters als diakens, zijn ontevreden en klagen omdat er als maar minder gelovigen de weg naar de vieringen vinden. De paus is ontevreden omdat als maar minder mensen iets kunnen aanvangen met de kerkelijke geboden en de kerkelijke moraal. De bisschoppen zijn ontevreden omdat ze met steeds minder fondsen moeten rondkomen. De theologen omdat ze zich voortdurend betutteld voelen en de leken omdat ze niet voluit mogen meespreken. Veel parochies zijn ontevreden omdat ze, door gebrek aan geestelijken, hun zelfstandigheid dreigen te verliezen en opgaan in grotere administratieve gehelen. De traditioneel gevormde gelovigen onder ons zijn ontevreden omdat er steeds meer vernieuwingen worden doorgevoerd en de progressief denkenden zijn ontevreden omdat alles veel te traag vooruit gaat.
Merken jullie hoe wij christenen in deze tijd in het openbaar worden waargenomen? Als mensen die door en door ontevreden zijn, en die dan tegelijk tegen de anderen beweren dat het toch zo veel voldoening zou schenken als ze bij ons zouden aansluiten en meewerken. Van die onwankelbare overtuiging en van dat enthousiasme van een Andreas, dat op anderen afstraalt, er naar over springt en ook hen begeestert, is bij ons niet al te veel meer over.
Natuurlijk heb ik bij mijn uitspraken daarnet overdreven; maar de uitdrukking op een aantal gezichten hier voor mij zegt me dat ik er toch niet zo ver naast lig. Maar, goede vrienden, als dat werkelijk zou kloppen, als er bij ons christenen echt niets anders meer zou zijn dan frustratie, stellingenoorlog en ontevredenheid, dan zouden we er misschien beter aan doen om eerlijk te zijn en er mee te stoppen.
Maar als die indruk maar oppervlakkig is, als er achter dat alles toch nog een overtuiging leeft; een hoop die ons draagt en die ons doet leven; die nieuwe horizonten voor ons mens zijn ontsluit, dan moeten we daar in Godsnaam ook van getuigen; dan moeten we dat met anderen delen en het ook enthousiast naar buiten uitdragen – net zoals de jonge mensen op de wereld jongerendagen. Daar kon je een bijzondere sfeer voelen. Een blijmoedige vrolijkheid, en daarmee verbonden ook een duidelijk zoeken naar geloof en naar mensen die kunnen helpen om dat geloof in hen te ontdekken. Die jonge mensen behoren zeker niet tot diegenen die het voor bekeken houden en die geen verlangen meer koesteren naar datgene wat achter de enge horizon van hun leven ligt.
Waarom spreken we er nooit over dat ons geloof ons kracht geeft. Dat ik bijvoorbeeld, in het bewustzijn dat Christus bij me is, de taken en verplichtingen die het leven mij opgeeft, heel anders kan benaderen dan iemand die deze overtuiging niet heeft. Dat ik, omdat ik er op kan vertrouwen dat Hij me door het leven begeleidt, dat leven ook met veel meer zekerheid en zelfvertrouwen aan kan, dan iemand die dat zelfde vertrouwen niet heeft. Dat de overtuiging dat Christus bij me is me soms ook helpt om de triestheid en de somberheid van alledag in dankbaarheid om te laten slaan. Dankbaarheid omdat ik leef en omdat ik dat geloof van mij met zo veel mensen gemeen heb. Dat geloof dat ons allemaal met elkaar verbindt, dat ons tot een gemeenschap vormt, dat ons troost en houvast kan geven als we de grond onder onze voeten dreigen te verliezen.
Als er nog iets van die hoop in ons aanwezig is, dan moeten we daar ook over praten – niet met woorden alleen, maar met onze manier van leven. Hoe zegt Jezus dat ook weer? “Kom en zie!” Daar is geen sprake van moraal, van geboden, van regels en voorschriften – het is gewoon een uitnodiging! “Kom en zie”! Ge moogt uitproberen of en hoe die navolging gaat. Jezus nodigt uit, Hij neemt op, geeft ruimte, laat leven en beleven. Maar ge kunt op elk moment vrij beslissen om na dat proberen ook „neen, dank U“ te zeggen. Maar, juist op die manier heeft Hij Andreas voor zich gewonnen en die dan op zijn beurt zijn broer Simon Petrus. En, beste vrienden, dat is voor mij het bewijs dat begeesterde mensen ook anderen kunnen begeesteren en overtuigde mensen ook anderen echt kunnen overtuigen. Amen.
\
Ik lig altijd in wrijving met de Kerk, alle dagen opnieuw, zei hij tegen mij. Mijn lijst van grieven is lang!
En ik dacht: ik lig ook altijd in wrijving met deze kerk, alle dagen opnieuw. En mijn lijst is ook lang.
Maar dan zegde ik tegen hem:
Wrijving veroorzaakt warmte. Als wij beiden, gij en ik, als wij ons genoeg aan haar wrijven, dan ontstaat er zoiets als nestwarmte, verbondenheid met deze kerk, ondanks alles!
Want, zo zegde ik:
Waar ik me aan wrijf, dat laat me niet koud.
(vrij naar L. Zenetti)