Ebbehout (2003)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 19e zondag · groen

Zwart als ebbehout. Waren de haren van Sneeuwitje. En was vermoedelijk de huid van de Ethiopische eununch die wij tegenkomen vandaag op de weg van Jeruzalem naar Gaza, op de woestijnweg. Een “eununch”, dat is: een gecastreerde man, bij wie de zaadballen dus zijn verwijderd. De machtigen hadden daar in vroeger dagen een handje van; om dat al op jonge leeftijd bij jongens te laten doen en zo ‘volgzaam dienstpersoneel te creëren’. Want wat moest je verder als gecastreerde man? Letterlijk met huid en haar aan je werkgever overgeleverd. Ideaal voor in de harem met name.

Castratie

Maar ook zangertjes van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan werden gedurende driehonderd jaar gecastreerd. Het bestaan van een gecastreerde man was volledig ondergeschikt gemaakt aan dat van zijn baas. Een eununch. Een Ethiopische eununch. Ethiopië was in de oudheid de benaming van het gebied dat nu Soedan heet. Daar woonden de Nubiërs. We spreken dan echt over zwart Afrika. De mensen zijn er zwart als ebbehout. Ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe ebbehout eruit ziet, maar het moet diepzwart zijn.

Kamerling

Onze grote Rembrandt van Rijn heeft de scène die wij vandaag krijgen voorgeschoteld in een jeugdwerk vereeuwigd. ‘De doop van de kamerling’ heet dat werk. Het hangt in het Centraal Museum in Utrecht. En inderdaad: op dat schilderij is de kamerling-de eununch héél zwart. Het schilderij roept echt een oosters-exotische sfeer op: Je ziet ook een kameel op dat schilderij en een palmboom. En boven het hoofd van de kamerling wordt, terwijl Filippus water over zijn hoofd uitgiet, een parasol gehouden. Want - hij man dan een ontmande man zijn, deze Ethiopiër, het wordt uit de tekst van Handelingen wèl duidelijk dat hij een belangrijk man is die in luxe leeft. Hij is ’een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, belast met het beheer van haar schatkamer’. En hij zat, toppunt van luxe in die dagen vermoed ik; hij zat ‘in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen’.

Lezen

Was ’t een koets op wielen? Of was ’t een draagkoets? Werd de ontmande dienaar soms gedrágen door bedienden, door ongetwijfeld ’echte mánnen’ in dat geval? We weten het niet. Wat we wel weten is dat er een geheimzinnige stem is die Filippus influistert en die hem heel doelbewust op die Ethiopiër afstuurt. Het is een engel die spreekt. Het is de Geest die spreekt: “Ga naast die wagen lopen …” En dan hóórt Filippus hoe de Ethiopiër hardop zit te lezen - want dat deed men namelijk in die dagen. De gewoonte van het in stilte ‘voor jezelf; lezen heeft zich pas later verbreid en het werd aanvankelijk ook heel eigenaardig gevonden dat de kerkvader Ambrosius, bisschop van Milaan in de vierde eeuw; dat hij dat gewoon was te doen. Nee, lezen, dat deed je hardop …

Abracadabra

In materieel opzicht leed de Ethiopiër geen gebrek. Maar we weten allemaal: geld maakt niet gelukkig. Gezondheid is de grootste schat. En aan die schat ontbrak het hem óók vermoedelijk niet (als we de ontmanning even buiten beschouwing laten en die amputatie en wat die voor zijn leven had betekend, had hij misschien wel ’een plek’ gegeven zoals dat tegenwoordig heet). Over kwalen horen we verder niets. Maar, veelgeliefden, met rijkdom en een goede gezondheid ben je er óók nog niet … Een mens is op zoek naar … geluk, naar vervulling in zijn, in haar leven; dat je weet waarvoor en voor wie ie leeft … dat je leven een zínvol leven is … Op dit soort vragen en verlangens geven godsdiensten altijd een antwoord. En de Ethiopiër ís een religieus mens. We horen dat hij op de terugreis is van een pelgrimstocht naar Jeruzalem. En de profeet Jesaja, die hij leest, in een boekrol; bij monde van hem, van Jesaja, heeft Gód van zich doen spreken … Maar het zijn raadselachtige woorden die hij leest: “Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en als een lam dat stom is voor zijn scheerder deed hij zijn mond niet open. In zijn vernedering werd zijn oordeel weggenomen. Wie zal zijn afkomst beschrijven? Want van de aarde wordt zijn leven weggenomen …” Over wie gáát dit in godsnaam, vraagt de Ethiopiër zich af … Er is een soort magie in deze woorden. De Ethiopiër voorvóelt als het ware: hier wordt iets belangrijks, iets wezenlijks gezegd dat van belang is, van groot belang, van doorslag-gévend belang, voor mijn bestaan. En tegelijk is het abracadabra. Hij kan er geen chocola van maken.

Herkenning

Filippus loopt inmiddels naast de koets. En vraagt: “Begrijpt u eigenlijk wel wat u leest?” Waarop de Ethiopiër zegt: “Hoe zou ik dat kunnen als niemand mij wegwijs maakt?” En hij nodigt Filippus uit om in te stappen en bij hem te komen zitten. En Filippus, zo horen we, “bracht hem, met dit schriftgedeelte als uitgangspunt, de goede boodschap van Jezus. En ik stel mij voor dat de Ethiopiër toen werkelijk geráákt werd door de woorden die hij eerder las maar die toen nog vreemd voor hem bleven. Hij zal in Jezus’ weg misschien ook zijn eigen weg hebben herkend … Want is ook niet hijzelf, de Ethiopische gecastreerde man, als een schaap ter slachting geleid? Hebben ze ook met hém niet gedáán? óver hem beschikt? raakte hij niet, door het mes van de scheerder, voor het leven getekend? Was het geen diepe vernedering, een diepe verwonding van zijn lichaam èn van zijn ziel? Maar voor Jezus is de weg van de vernedering juist ook de weg van de verhoging geworden. En dat geldt, veelgeliefden, voor elk van ons.

Afrikanen

Juist ín en door onze wonden héén kunnen we tot bloei komen. Dat is het grote geheim van het christelijk geloof. Dat juist de plek van de zwartste ellende en duisternis tot een plek van licht en genade en vreugde kan worden … Hoe charmant, de spontaneïteit en ongedwongenheid waarmee de doop van de kamerling vervolgens zijn beslag krijgt: “Kijk water!” zegt hij, “Wat is er tegen dat ik gedoopt word?” En aldus geschiedt. En aldus vindt de goede boodschap van Jezus zijn weg naar het hart van Afrika - waar die boodschap zo’n warm onthaal heeft gevonden in de loop der eeuwen tot op de huidige dag. Het geloof van de Afrikanen is als een warm vuur waaraan wij, kille noorderlingen vaak, ons aan mogen warmen.

Gay Krant

Gisteren zat ik zelf in de trein naar Utrecht. Ook ik las. In NRC-Handelsblad. Een interview met Henk Krol, de hoofdredacteur van de Gay Krant. Henk heeft het geloof afgezworen wordt ons verteld. Hij zegt: “Ik heb diep respect voor godsdienst, maar kan het niet verenigen met mijn levensstijl. Hoe kan ik in God geloven als de paus niet wil dat mijn vriend en ik onze liefde een juridisch kader geven?” Zo denken veel mensen in Nederland. Er wordt vaak enorm geklaagd over en afgegeven op de kerk. U weet: ik draag tegenwoordig vaak dat zwarte priester-overhemd met dat witte plasticje erin en ben, zo realiseer ik mij, als ik dat draag een soort uithangbord voor de zaak, voor ‘de goede zaak’ wil ik ondanks alles blijven geloven. Ik ging naar Utrecht om een huwelijk in te zegenen en dan gaat er wel door me heen: ze zien me daar áánkomen, in Utrecht, terwijl er net weer een golf van weerzin tegen de katholieke kerk en met name tegen ‘Rome’ door het land is gegaan. En je vraagt je, verwonderd bijna, áf: Waarom blijf ik eigenlijk? Waarom houd ik vast aan het geloof en aan de kerk, door zoveel mensen losgelaten?

Zusje

Het huwelijk was grens-overschrijdend. Een Hollandse man en een van oorsprong Afrikaanse vrouw. Prachtige Afrikaanse prinsessen liepen er rond … Ook de jongste zus van de bruid, een nakomertje. Dat wil zeggen: de vader en moeder van deze mensen waren gewoon om in Afrika elke zondag naar het ziekenhuis te gaan om eten te brengen en te zorgen voor mensen ‘die niemand hebben’. Op een zondag troffen ze daar aan, een stervende moeder met een ondervoed kind. “Je bent er eindelijk” had die stervende moeder tegen de ouders van mijn bruid van gisteren gezegd. “Ik heb moeder Maria gebeden dat ze iemand zou sturen om voor mijn kind te zorgen als ik er niet meer ben …” En zo kwam de bruid aan haar jongste zusje dat daar ook strálend rondliep op die bruiloft. Ik zei het al, lieve mensen: de plekken van de grootste en zwartste duisternis en wanhoop, door de Geest van Jezus Christus en Zijn Vader, worden ze tot plekken van licht, van liefde en genade.

Ik denk: de wereld kan die Geest niet missen. Die Geest is bitter hard nodig. In Afrika met z’n Hutsi’s en z’n Tutsi’s, z’n kindsoldaten en z’n aids. Maar ook in Nederland waar de verbanden tussen mensen soms schraal zijn, waar de zorg voor elkaar te wensen overlaat, waar mensen soms van elkaar vervreemden en vereenzamen; waar allerlei mensen helemaal de weg lijken kwijt te zijn en waar soms héle gekke dingen gebeuren, waar het ene postkantoor na het andere, de ene Blokker na de andere, de ene hulpeloze bejaarde na de andere het slachtoffer wordt van beroving en geweld; ook in Nederland kunnen wij die Geest van God die was en is en zal zijn in Jezus Christus; ook in Nederland kunnen wij die Geest niet missen. En daarom blijf ik christen en katholiek en priester van de Roomse kerk. En al het moeilijke van het geloof en van de kerk neem ik op de koop toe en daar kan ik en daar kunnen wij samen en daar kan ook misschien de kerk als geheel, die toch het volk van God onderweg is, een volk op de woestijnweg; ook de kerk als geheel kan daarin wellicht nog groeien en zich ontwikkelen. Laten we het maar proberen vol te houden met elkaar. En liefst met enige vreugde. Amen.

Zoeken in Preken Online