Beste dorpsgenoten,
De lezingen uit het Marcus evangelie dat dit kerkelijk jaar is voorgeschreven, worden zes zondagen lang onderbroken door lezingen uit het zesde hoofdstuk van het evangelie van Johannes. Dat is een bijzonder hoofdstuk waar veel mensen hun hoofd over gebroken hebben en waar anderen een onweerlegbaar bewijs in vinden voor de werkelijke aanwezigheid van Christus met zijn lichaam en bloed in het sacrament des altaars.
Het is een hoofdstuk met een ruzieachtige toon.
Een paar zinnetjes vragen aandacht: “Werkt niet voor voedsel dat vergaat maar dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven. Daarop zeiden zij tot Hem: “Welke werken moeten wij voor God verrichten?” Jezus gaf hun ten antwoord: “Dit is het werk dat God u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft.” En dan begint het gevit: “Wat voor teken doet gij dan wel dat we in u moeten geloven? Wat doet gij eigenlijk?” En dan verwijzen ze naar het verhaal dat we in de eerste lezing gehoord hebben over het manna, brood dat uit de hemel kwam. En tenslotte zegt Jezus: “Ik ben het brood des levens: wie tot mij komt zal geen honger meer hebben en wie in mij gelooft, zal geen dorst meer krijgen.”
Jezus vergelijkt geloven met brood: brood stilt de honger en geeft leven aan het lichaam, geloof stilt de vragen en geeft leven voor de ziel.
“Welke werken moeten wij voor God verrichten?” Daarop antwoordt Jezus: “Geloven in Degene die Hij gezonden heeft.”
As iemand zegt: “Ik geloof niks”, dan heeft dat ongeveer dezelfde inhoud als: “Ik ga niet naar de kerk of naar de mis.” Toch kan daar heel goed mee samen gaan dat iemand wel degelijk de werken doet waar God om vraagt: leven in de trant van Jezus.
Want wie wel naar de kerk gaat en ook naar de mis, verstaat onder geloven soms niet meer dan het aannemen van een aantal geboden en leerstellingen. En dat zijn juist niet de werken waar Jezus op doelt.
In zijn onlangs uitgevaardigde encycliek Liefde in waarheid richt paus Ratzinger zich tot de leden van R.K. Kerk en tevens tot al diegenen die “van goede wil” zijn: alle mensen die “de werken” doen waar het Jezus om gaat.
De paus oordeelt en veroordeelt niet, legt de schuld niet bij deze of gene economie of belangengroep. Wel noemt hij heel uitdrukkelijk de menselijke persoon, in al zijn of haar dimensies, posities of bestaanswijzen, als het kapitaal waar we van uit moeten gaan. De mens, als het doel waarop de maatschappij zich in alle opzichten moet oriënteren. Dus niet: geld, invloed, of macht.
Een welsprekende wegwijzer vind ik zijn woorden: “Liefde betekent: aan de ander schenken van het mijne, en dat gaat altijd samen met gerechtigdheid: dat is: de ander geven wat het zijne is.” Het zijne: dat is dat waar hij recht op heeft.
Dat betekent bijvoorbeeld: bijdragen aan ontwikkelingshulp en bovendien de ontwikkelingslanden toegang geven tot onze markt. Daar hebben zij recht op.
Dichterbij kunnen we denken aan goed nabuurschap, gedeelde verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid of zelfs solidariteit. Dat zijn grote woorden die we kunnen omzetten in heel kleine “werken”: een ander tot zijn of haar recht en ook aan het woord laten komen in een gesprek, interesse tonen, een compliment maken, dank je wel zeggen, met anderen rekening houden, beschikbaar zijn met wat je hebt of kunt.
Ik dank u voor uw aandacht.