Homilie op de 16e zondag door het jaar B: “ Rust nu maar uit” (Mc. 6, 30-34)
Tielt, 22 juli 2012
Vorige week vertelde het evangelie ons dat Jezus zijn leerlingen twee aan twee uitzond. Hij stuurde ze op pad o.a. om het kwaad te bestrijden. In de Bijbel heet dat: de Satan verdrijven. “Satan” is een Hebreeuws woord, dat betekent: tweedrachtzaaier, onruststoker, ruziemaker. Die Satans moeten we nog altijd bestrijden. Geen gemakkelijke opgave!
Vandaag zegt Jezus ons: “Rust maar wat uit!”
Die rust kunnen de geloofsverkondigers best gebruiken. Zeker op onze dagen. Ze voelen zich overvraagd en bedolven onder nieuwe pastorale aandachtspunten, diocesane aanbevelingen en omzendbrieven van zoveel commissies en werkgroepen. Ze vergaderen zich kapot, soms ten koste van hun gezin of gezondheid: vergaderingen om de vorige vergadering te evalueren en nieuwe te plannen. En met de leerlingen in de storm op het Meer van Gennesaret schreeuwen ze het uit, niet “Heer, red ons, wij vergaan!”, maar wel “Heer, red ons, wij vergaderen!”
Veel mensen die zich actief inzetten voor de Kerk en voor veel onbaatzuchtig vrijwilligerswerk in allerlei organisaties, voelen dan ook sterk de nood aan ontspanning, rust, stilte, verdieping. Dat is nodig. Want wie alleen maar hard werkt, zonder rust en bezinning, zal vlug vastlopen.
Dat geldt voor de meeste mensen in onze tijd. Velen kennen een druk bestaan. Er is zoveel te doen, zoveel te beleven. Vele mensen leven gehaast, om niet te zeggen, opgejaagd, onrustig. Zelfs senioren komen tijd te kort. Agenda’s raken overvol. Ook tijdens de weekends wordt een druk programma afgewerkt: boodschappen, ontspanning, op bezoek gaan of mensen ontvangen. Heel wat mensen ademen niet meer vrij. Ze raken overwerkt, soms ook overspannen. Daarbij komt nog de tol die we betalen aan het leefpatroon dat ons door de huidige welvaartsmaatschappij opgedrongen wordt. Enkele jaren geleden las ik daarover in een krant: “Je moet er fit, slank, stralend, kortom, fantastisch uitzien. Je moet een niet te evenaren vader of moeder zijn, die zijn of haar kinderen met liefde, raad en begrip bijstaat. Je moet een super-echtgenoot of super-echtgenote zijn, die de noden van je partner volkomen begrijpt en haar of hem geregeld met een fijne attentie verrast. Uiteraard ben je ook een weergaloze collega, die enthousiasme en intelligentie uitstraalt. De hele reclamewereld dwingt je er goed uit te zien en zelfs goed te ruiken. Vergeet niet je deodorant. Gooi dat houthakkershemd en die oude das maar weg en vervang ze door een barbieroze polo. Oud worden is verboden en alleen ongezonde mensen worden ziek. Met ongespeelde vrolijkheid klop je overuren. Natuurlijk surf je je te pletter op Internet en is je papieren agenda al lang vervangen door een elektronische organizer, waarvan je hooguit 3 % van de functies gebruikt. Tijdens je vakantie voel je je verplicht acht boeken te lezen, elf musea te bezoeken, enkele ongeopende rapporten door te nemen… en vooral niet aan je werk te denken.”
Zeg eens, welke vrouw kan waarmaken wat in boek of prent van haar geschreven, geschilderd of gefilmd wordt! Welke man is die atleet van de publiciteitsborden langs onze straten of van de tijdschriften!
Geen wonder dat zoveel mensen psychisch ziek zijn of zwaar depressief: thans de belangrijkste oorzaak van arbeidsongeschiktheid.
Meer dan ooit is Jezus’ woord in het evangelie van vandaag van toepassing: “Rust nu maar wat uit!” We moeten weer de rust vinden van de herder bij zijn kudde op het veld en weer leren herder te zijn voor elkaar: “elkaar niet opjagen, maar onthaasten. In ons gezin, op ons werk, in onze sociale contacten.
Was de zondagsrust, die vroeger zo heilig was, geen uiting van wijsheid en eeuwenlange levenservaring? Eén dag per week om fysiek rust te nemen en je te ontspannen of te onthaasten. Eén dag per week waarop je tijd maakt voor je oude vader of moeder, voor je partner, je kinderen, je familieleden en vrienden. Eén dag per week waarop je je interesses niet beperkt tot je beroep. Was en blijft dat niet wijs voor je psychisch evenwicht?
Zoals het deugddoend was en blijft die dag even tot rust te komen bij de grote Herder, Jezus zelf, o.a. tijdens de weekend-mis. Dat uurtje kan toch voor gelovige mensen een verrijkend moment zijn, waarop ze tot rust komen en even luisteren naar wat ze in de week nooit horen maar dat toch zo belangrijk is. Een deugddoende pauze in hun weekritme, waarop ze even nadenken over die fundamentele vragen die ze best toch eens per week stellen, namelijk: waarvoor leef ik, waarvan leef ik en hoe leef ik?
Dat soort pauzeren is geen vorm van luiheid of gemakzucht, maar een bron van kracht om echt te leven.
Tijdig rust nemen, dat wens ik je vandaag!
Gab. Buyse, pastoor-deken-em. Tielt
Homilie op de 17e zondag B: “Vijf broden en twee vissen” (Jo. 6, 1-15)
Tielt, 29 juli 2012
Toen ik een kleine jongen was, kende ik een gezin met 6 zonen. De vader raakte nooit nuchter thuis met zijn karig loon: hij had het verdronken. Ze woonden in een huisje, een tweewoonst, met één pomp voor de 2 huizen. Ze kweekten konijnen en een varkentje met de etensresten en de aardappelschillen. Ze hadden ook een schaap en een geit, die aan een paaltje gebonden stonden langs de weg om zich te voeden met wat groeide op de graskant. Maar de moeder van die 6 zonen was een bijzonder sterke vrouw. Veel talenten had ze niet. Ik weet zelfs niet of ze goed kon lezen en schrijven. Maar ze had een ijzersterke wil: ze trachtte de eindjes aan elkaar te knopen met het naaiwerk dat ze deed voor de buren en met al haar kinderen ging ze werken bij de boeren in de buurt. Ik weet dat ze ook van mijn moeder nogal wat gekregen heeft. Dat heeft ze me ooit eens met veel dankbaarheid verteld. Uit haar zwarte kijkers vlamde een gezag, waarvoor zelfs haar grote zonen moesten zwichten. Die 6 zonen, voor wie de vader niets betekende, zijn allemaal goed uitgegroeid en hebben een mooi gezin gesticht. Eén van hen vertelde me dat ze, toen ze nog thuis waren, dikwijls hun strenge moeder verketterd hebben. Want, als je op zondagavond om 11 u. moest thuis zijn en pas om 11.05 aan de deur trok, was ze vergrendeld en riep hun moeder: “Je bent te laat. Je moet maar in het kot gaan slapen.” Maar die zoon voegde eraan toe: “Dankzij onze keiharde maar tevens edelmoedige moeder zijn we allemaal op het rechte pad gebleven. Zonder haar zouden we gangsters geworden zijn.”
Die moeder heeft met haar uitermate beperkte mogelijkheden wonderen verricht.
Ik dacht aan haar toen ik het evangelieverhaal las van de wonderbare broodvermenigvuldiging en even stilstond bij de inbreng van dat jongetje met zijn 5 broden en 2 vissen: een belachelijk kleine inbreng om 5.000 mannen te voeden. En er was nog overschot. Als je, zoals die moeder van 6 zonen, geeft en deelt wat je hebt, - hoe gering het ook weze! – gebeuren er wonderen.
Dat deed ook Pater Damiaan, een man zonder bijzondere talenten, zelfs met een slecht karakter maar met een ijzersterke wil, toen hij op Molokai de melaatsen ging verzorgen totdat hij, zelf door de melaatsheid getroffen, stierf: een inzet met blijvende invloed tot op onze dagen. Dat deed ook Mother Teresa in India: geen bijzonder getalenteerde vrouw maar met een onweerstaanbare bezieling om sukkelaars te helpen. In Calcutta worden in één van haar huizen o.a. de straatkinderen verzorgd, die ’s nachts in hun slaap door de straatratten gebeten zijn. Wat Mother Teresa begonnen is, gaat nog altijd verder in alle delen van de wereld. Een paar keren heb ik onze Tieltse Pater Luk Lannoo horen vertellen hoe hij, samen met anderen, probeerde de onnoemelijke miserie te verzachten van de sukkelaars in Haïti. En hij voegde eraan toe: “Wellicht lost dat niets op. Wat wij doen is slechts een druppel op een hete plaat. Maar wij doen tenminste wat Jezus ons vraagt in het evangelie: “mensen die in nood zijn helpen.”
Dat moeten ook wij doen: ons niet verschuilen achter en wachten op grote structurele oplossingen. Had dat jongetje in het evangelie dat moeten doen, dan gingen al de mensen naar huis zonder gegeten te hebben. Neen, hij gaf wat hij had: 5 broden en 2 visjes. Het was niet veel voor 5000 mensen, maar hij wilde het wel delen en het kwam uit een goed hart. Als je dat doet, gebeuren er wonderen met de kleine inbreng van schamele mensen.
Wanneer we de geweldige nood zien in onze wijde wereld, maar ook de zorgen in de kleine wereld om ons heen, voelen we ons vaak als dat ventje met die paar broodjes en dat beetje vis voor zoveel mensen. Inderdaad, in ons eentje hebben we zo weinig om die onmetelijke noden op te lossen. Maar, als het uit een goed hart komt, kun je met dat beetje dat je hebt, toch wonderen van overvloed verrichten.
Er zijn talloze zieke en eenzame mensen, veel meer dan we vermoeden. Maar dat ene uurtje dat we voor zo een zieke of eenzame vrij maken, haalt veel meer uit dan we zien. Het vermenigvuldigt zich.
Een gesprek, een hartelijk woord, een moment van aandacht voor iemand naar wie weinig omgekeken wordt, brengt meer goeds teweeg dan wij kunnen overzien. Want een mens die waardering ondervindt, gaat zelf ook anders met mensen om en zo vermenigvuldigt het zich. Als je een ander geeft wat hij of zij broodnodig heeft, wat warmte, wat zorgzame aandacht, zal dat, aangestoken door elkaar, verder gaan en komt er overvloed aan geluk.
Geloof me vrij, de aarde heeft genoeg voor ieders nood, niet voor ieders hebzucht, niet voor ieders grijpgrage handen.
5 broden en 2 vissen: breken en delen opdat ieder, zonder onderscheid, zou leven in vrede en voorspoed. Dat is onze verantwoordelijkheid.
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt