Als het zoals vandaag in de Schriftverhalen
over herders gaat, dan worden bijna altijd
de godsdienstige en politieke leiders bedoeld.
En overal waar het volk wordt vergeleken
met een kudde schapen, daar kun je er zeker van zijn:
daar is sprake van verdrukking. Want schapen zijn in godsdienstige verhalen altijd het beeld van de kleine,
de weerloze mens die het spoor bijster is.
Schapen kunnen zich nu eenmaal niet oriënteren
en zonder een goede herder zijn ze nergens.
Het gaat in de lezingen van deze dag dus
over de samenleving en over mensen die hoe dan ook
leiding geven; of dat nu is als politicus
of als ondernemer, onderwijzer of bisschop,
als vader, moeder of bestuurder.
De profeet Jeremia verwijt het de leiders van zijn tijd
dat zij alleen maar uit zijn op persoonlijk gewin;
dat zij dus niet de schapen, maar gewoon zichzelf weiden.
Ze hebben geen echte zorg voor de mensen die aan hen
zijn toevertrouwd. Die gaan hun niet aan het hart.
Ze werken voor hun eigen ego en niet voor
het grote geheel van leven door tijd en ruimte heen.
En dat kan niet goed gaan.
Dan lopen mensen verloren en komen ze in verdrukking.
Maar, zegt hij, in de toekomst zal dat anders gaan.
Er zullen weer goede herders komen.
Ik moet denken aan de rondzendbrief van de Paus.
U hebt daar misschien naar uw gevoel niet zoveel mee,
maar toch zegt hij daarin wijze woorden.
Hij heeft het over de wereldwijde economische crisis.
En de weg die hij wijst om daar uit te komen,
die begint volgens hem bij onszelf.
Wat nodig is, is een ommekeer in onze levenshouding.
Van zorg voor onszelf alleen naar zorg voor het leven.
De mensen moeten weer centraal staan
en niet het economisch systeem.
Die leer moeten wij trekken uit de kredietcrisis.
Het moet weer gaan om het gemeenschappelijk goed
en om een herontdekken van de basiswaarden
voor een goed samenleven. Daar zijn alle mensen
die leiding geven verantwoordelijk voor. Zij moeten
als goede herders zich weer keren naar hun kudde.
In heel de Schrift, in Wet en Profeten,
en in het Evangelie van Jezus is dat de rode draad:
God is een echte Herder van zijn volk. Hij ziet om
naar zijn mensen. En zo was ook Jezus, zeggen de
eerste christenen met hun Evangelie.
Hij leeft vanuit Gods aanwezigheid en rondom Hem
ontstaat een nieuwe beweging,
waar niet langer eigenbelang en zelfzorg centraal staat,
maar waar de enige wet de wet is van mededogen
en liefdevolle ontferming.
Gelovig ben je dus als je je met Goddelijk mededogen
verantwoordelijk voelt voor de gemeenschap.
Je vraagt je af of die ander wel te leven heeft
en of hij vrede en menselijkheid kent;
of hij een dak boven zijn hoofd heeft en brood op tafel.
Bij een gelovige zijn met name de kwetsbaren,
zieken, verslaafden, bijstandsmoeders,
de homofielen, schuldeloos gescheiden mensen,
en iedereen die in nood is geraakt, veilig en geborgen.
Hij voelde medelijden, staat er. Maar eigenlijk staat er:
Hij was geroerd, geraakt in zijn binnenste.
Dat is een gevoel dat met je ingewanden te maken heeft.
Want daar zaten - zo dacht men toen - de emoties van de mens. En tegenwoordig denken we daar ook weer zo over.
Bij grote vreugde en diepe droefheid, of als je echt kwaad bent of angstig, dan voel je dat in je buik.
Nou, dat gebeurt met Jezus als Hij al die mensen ziet.
Niet allereerst omdat ze te weinig te eten hebben.
Maar vooral omdat ze onwetend zijn. Ze zijn alle
oriëntatie, elke diepte en zin in het leven kwijt.
Ze zijn nergens meer. Niemand die ze de weg wijst.
Dat is het hem. En Hij gaf ze onderricht.
En dat zal dus gegaan zijn over de weg naar het leven
en wie de bron ervan is; waar je de kracht en de inspiratie vandaan haalt om het uit te houden.
En hoe we het samen goed houden in onze samenleving.
Want een mens leeft toch niet van brood alleen.
Toch geeft Hij ze kort daarna ook te eten: brood en vis.
Want Hij is echt me ze begaan.
Zo draagt Hij de Eeuwige God in zich om
en zo komt Gods liefdevolle zorg in Hem aan het licht.
We mogen eigenlijk ontzettend trots zijn dat wij naar
zo ’n sociaal bewogen mens genoemd zijn.
Maar dat houdt tegelijk in dat ook wij met Hem dat
nieuwe land binnengaan waar alle mensen leren
om in eenheid met elkaar te leven en elkaar te behoeden.
Dat ook wij, net als Hij, herders zijn die hart hebben
voor de schapen, diep geroerd door de situatie van
alle slachtoffers van onze samenleving.
Dit is voor ons een pittige boodschap met heel veel betekenissen. Maar de eerste betekenis is misschien
toch wel dat het bij het Christendom duidelijk gaat
om God te laten wonen in je ziel en samen met Hem herderlijke zorg te hebben voor wie onder ligt
en wie roept om hulp en ontferming.
Je moet dan wel elke keer Gods nabijheid zoeken
en Hem toelaten in je ziel. Daarom zoekt Jezus
telkens een eenzame plaats om alleen te zijn.
Hij heeft ooit 40 dagen en nachten de eenzaamheid
gezocht omwille van de inspiratie die Hij nodig had,
om daarna weer naar de mensen toe te gaan.
Vandaag horen wij Hem zeggen:
rusten jullie ook uit. Want ook wij hebben dat nodig,
dat wij onze kracht bij God zoeken en dat onze ziel
telkens weer vervuld wordt van zijn aanwezigheid.
Onze liturgie hier kan ook zo’n rustpunt zijn,
een oase in de woestijn die het leven soms is.
Ze doet ons opgaan naar God, schept gelegenheid tot Godsontmoeting.
Als we zo opengaan voor de grotere werkelijkheid,
de spirituele laag van het leven, kunnen we ons
in ons dagelijkse leven weer laten leiden
door de aanwezigheid van God in onze ziel.
En dan ga je vanzelf anders leven.
Dan doe je de dingen anders en bewuster.
Dan gaat het je weer om het gemeenschappelijk goed
en om een herontdekken van de basiswaarden
voor een goede samenleving.
En telkens als wij zo bij elkaar komen,
herinneren we elkaar daar aan en helpen we elkaar
om dat te bereiken.
En ook als je zelf een keer het slachtoffer bent,
als je ziek bent of gewond door het leven,
als je het idee hebt dat je je levensoriëntatie kwijt raakt,
dat je gewoon nergens meer bent,
dan heb je God nodig, die genadig is, natuurlijk,
maar ook mensen die in zijn Naam er voor jou willen zijn.
En dan zul je achteraf kunnen zeggen en zingen:
Was Hij niet vóór ons geweest,
de vloed had ons meegesleurd
en in de kolkende golven waren wij vergaan.
Maar Hij, God-zij-dank, en jij God-zij-dank, je was er.
Onze hulp is in de naam van de Eeuwige.
Ik hoop dat dat zo zal zijn. Dat zou ik willen zeggen
bij de Schriftlezingen van deze dag.