Zestiende zondag door het jaar (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

Inleiding

De openingstekst van deze zondag is: ‘Ecce Deus adiuvat me’, ‘Zie, God is mijn helper’. Als dat woordje ‘zie’ gebruikt wordt, dan hebben we te maken met een situatie waarin het normale menselijke leven wordt doorschoten door een kracht, door een licht, een aanwezigheid vanuit de andere kant van de wereld. En dat is nu precies wat er op de zondag gebeurt: vanuit de hemel wordt hier op aarde een opening gemaakt, voor situaties waarin mensen geen raad weten.
In het evangelie van vandaag gaat het over een rustdag. Dat kennen wij, want onze zondag is ook een rustdag. “Komt nu zelf eens mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” Daar bedoelt Jezus echter geen gewone rust mee, zoals mensen in de vakantie een rustperiode hebben, maar Hij wil zijn leerlingen laten deelnemen aan zijn goddelijke rust. De rust die God tot Zich nam na zijn scheppingswerk in zeven dagen. “Op de zevende dag rustte God van al het werk dat Hij verricht had” (Gn 2,2). Aan diezelfde goddelijke rust heeft Jezus mogen deelnemen, toen Hij, dodelijk vermoeid van het uitputtende werk van het dragen van de zonden, rustte in de armen van zijn Vader bij de verrijzenis. Op zondag vieren wij de verrijzenis van de Heer niet als een terugdenken aan wat er toen gebeurde, maar als een deelname aan datzelfde gebeuren en als een voorgave, een vooruitgrijpen op die eschatologische, uiteindelijke rust, waaraan heel de schepping zal deelhebben aan het einde der tijden.
Wij, de kinderen van God, mogen nog vóór het einde van de tijden die rust genieten. In die rust mogen wij ons laten onderdompelen als in een bad, zoals dat aan het begin van ons gelovig leven bij het doopsel gebeurd is. Toen zijn we de poort van deze rust binnengegaan, en dat willen we in deze zondagse eucharistie opnieuw vieren, om dat nog eens helemaal vanaf het begin mee te maken.

Homilie

“Wegens de talrijke gaande en komende mensen hadden zij zelfs geen tijd om te eten.” Dit wekt de indruk van: dat is nu echt het laatste wat er mag gebeuren. Het druk hebben is goed, de mensen mogen beslag leggen op onze tijd, maar ze moeten ons wel dat laatste beetje privacy gunnen.
Maar de leerlingen waren toch geroepen om Jezus te volgen? Dat houdt dan toch in dat ze er geen gemakkelijk leventje op na kunnen houden: op tijd hun natje en hun droogje, een mooi geordend leven in deze wereld waar de mensen best een beroep op hen mogen doen, maar het moet wel binnen het spreekuur blijven. Ze moeten zich wel aan de ‘kantoortijden’ houden. We weten hoe Jezus reageert als de leerlingen op die manier met Hem omgaan, bijvoorbeeld: toen ze de kinderen wegjoegen om Jezus te beschermen tegen hun kinderlijk geweld. Verontwaardigd zei Hij: “Laat die kinderen toch begaan en verhindert ze niet bij Mij komen” (Mt 19,14; vgl. Mc 10,14; Lc 18,16). En ook zijn reactie op het lastige aandringen van die blinde bedelaar Bartimeüs in Jericho getuigt van een ander soort mentaliteit dan van de mensen, zij snauwden de blinde bedelaar toe te zwijgen. Jezus liet heel die optocht die voor Hem was georganiseerd, die Hem eer aan deed, stil zetten omwille van die ene lastige, schreeuwende bedelaar Bartimeüs (Mt 20,29-34; vgl. Mc 10,46-52; Lc 18,35-43).

Nu lijkt het er in de situatie die zich vandaag in het evangelie voordoet op, dat Jezus iets soortgelijks ziet gebeuren. Dat de mensen zijn leerlingen afhouden van Hem. En ze waren nu net geroepen om bij Hem te blijven. Hun roeping bestond er immers niet in om te worden uitgezonden, te preken, de mensen te woord te staan, de mensen te helpen, ja ook wel, maar niet op de eerste plaats, nee, ze waren geroepen om Hem te volgen. “Hij riep tot Zich die Hij zelf wilde en ze kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen”, om dan pas “door Hem uitgezonden te worden om te prediken en met macht de duivels uit te drijven” (Mc 3,13-15).

Om het bij Jezus zijn, daar was het eigenlijk allemaal om begonnen. Wat Jezus voor ogen had, was een verbond, een persoonlijke verhouding, iets gemeenschappelijks, vriendschap, uitverkiezing, een persoonlijke liefde, en niet het werk op zich, de activiteit. Nu ontstonden er echter situaties, waarin het steeds moeilijker werd om Hem te vergezellen, om bij Hem te zijn, met name wanneer zij gingen eten. Steeds meer en steeds langer drongen mensen zich tussen Jezus en zijn leerlingen. Hoe herkenbaar! Geen tijd meer krijgen om in te keren in jezelf, om je innerlijk te voeden aan zijn Hart, met zijn Geest. Je komt niet meer aan jezelf toe, je wordt geleefd door het werk, door de mensen, door de dingen, door de regels, en het leven waaruit je leeft komt in de verdrukking. Je leeft niet meer uit de Bron, uit het hart van waaruit het allemaal begonnen is, wat je eigenlijke aandrift is geweest. De inspiratie verslapt, verdwijnt.

Jezus weet daar raad op. “Komt nu eens mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” Een plaats, bedoelt Hij, waar niemand is dan Hij alleen. Dat is dus niet een plaats zoals onze vakantieoorden, waar we alles aantreffen behalve Jezus. Nee, Hij bedoelt daarmee een oord waar we niets aantreffen wat ons van Jezus kan afleiden, waar alles er naar toe leidt om bij Hem te zijn. Niets leidt je van Hem af en alles leidt je naar Hem toe. Dat is de woestijn! Die eenzame plaats is eigenlijk een woord dat wij zouden kunnen vertalen met woeste plaats, woestijnplaats. Daar zit het woord ‘woestijn’ in, en dat is allesbehalve een vakantieoord en ook geen rustplaats. De natuur alleen al is daar een verschrikking. Je zinnen worden geweld aangedaan, je kunt alleen maar overleven. Maar juist daarom is dat de ideale plaats voor de kuur die Jezus voor hun geestelijke gezondheid nodig acht. Dat is de uitgangssituatie van het verbond, de oorsprongsituatie van het verbond tussen God en zijn volk. Daar in die woestijn hebben ze mat Hem kennis gemaakt. Toen zijn ze met Hem geëngageerd geraakt, verliefd, verloofd. En waarom nu in de woestijn? Wat is er in de woestijn? Daar zijn geen vijanden om tegen te vechten, om je aan te meten, om je sterk tegen te maken, om te overwinnen. Maar er zijn ook geen vrienden, er zijn ook geen mensen waarmee je kunt concurreren, kunt wedijveren.

In de woestijn beleef je zoiets als wanneer iemand ernstig ziek wordt. Dan word je uit het gewone leven weggehaald, alles wat je bezig hield, wat zin gaf aan je leven, waar je zin in had, valt weg. Dan gebeurt er wat er in de woestijn gebeurt, of wat er in het klooster gebeurt. Je valt op jezelf terug. De bedoeling van het kloosterleven is natuurlijk om Jezus te vinden en die vind je ook wel in de vieringen, in het koorgebed, in het gebed, in de regel, maar wie kom je daar nog meer tegen? Jezelf en je verleden, allerlei toestanden en situaties die je nog niet verwerkt had. In een ziekte, in het klooster, in de woestijn kom je dus Jezus en jezelf tegen. Daarom zegt Jezus: “Kom nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” Alleen met Hem. Daar is Hij voor gekomen. Hij is niet gekomen om de wereld te verbeteren, om de mensen beter te maken, Hij is gekomen om, zoals de profeet Jeremia zegt, “de overgebleven schapen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven weer bijeen te brengen. Ik breng ze terug naar hun weiden.” Of zoals er bij de profeet Ezechiël staat: “Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het hoort” (Ez 34,16). Een persoonlijke zorg voor ieder dier, voor iedere mens.

Daar is Jezus voor gekomen, voor de leerlingen, voor ons en voor een heel volk, zoals we in dit evangelie hebben gehoord. “Ze vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Maar velen zagen Hem gaan en begrepen waar Hij heenging; uit alle steden kwamen mensen te voet daarheen en ze waren er nog eerder dan zij. Toen Jezus aan land ging zag Hij dan ook een grote menigte.” Het zijn ook hele menigten, hele volken, die in een woestijnsituatie kunnen belanden. Op onze planeet zijn er de afgelopen jaren meer dan honderd plaatsen geweest waar zich humanitaire rampen hebben afgespeeld. Denk maar aan onze eigen tweede wereldoorlog. Veel nood, veel pijn, maar ook veel verbroedering, veel spontane hulp, veel zelfopoffering. En de kerken zaten vol.

God gebruikt de woestijnen, de woestijnsituaties om mensen af te kicken, te ontwennen aan het gewone leven met allerlei tirannieën, waardoor wij niet meer aan onszelf toekomen en aan elkaar. Daar in de woestijn, in de ziekte, in het ongemak, in het sociaal isolement, in het klooster, - die nagebouwde woestijn, die gecultiveerde woestijn, die door mensenhand en door de heilige Geest aangelegde woestijn - worden wij losgemaakt van de herders die als huurlingen ons hebben vervreemd van onszelf, van elkaar en van God. Losgemaakt van de herders door wie de schapen verloren gingen lopen.

In die woestijn neemt Jezus het over en Hij leidt ons naar onszelf terug en Hij laat zien dat wijzelf ziek zijn. “Hij gevoelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder”, als mensen zonder God, “en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.” Zoals Hij ook nu doet in de lezingen, in het uitleggende woord, en daarna, maar dat is voor de volgende zondag, in de wonderbare broodvermenigvuldiging, als teken van wat wij nu verder gaan vieren: zijn zelfgave. Daarin geeft Hij Zichzelf, zijn goddelijke leven.

Zoeken in Preken Online